gastenboekrkaartr

Stuur een Emailtje bij vragenzoek op de websiteTerug naar het beginvolgende

De Arikara

taalgflokatiegfpopulatiegfbandsgfcultuurgfgeschiedenisgfreservatengflinksgf

De Arikara zijn een indiaanse stam die deel uit maken van de Noordelijke groep van de Caddoan taalfamilie. Hun taal lijkt erg op die van de Pawnee, al spreken ze wel een ander dialect.

 

 

De Naam Arikara betekend” Hoorn” wat verwijst naar de haardracht van de Arikara. Zij droegen hun haar met twee botten die rechtop stonden waardoor het leek alsof zij horens hadden.

De Arikara leefden vermoedelijk eerst in het zuidwesten en maakten deel uit van de Skidi afdeling van de Pawnee confederatie. Op een bepaald moment splitste de stam zich op en vestigden de Skidi zich aan de rivier de Loupe, terwijl de Arikara naar het noordoosten trokken. Zij streken neer aan de rivier de Missouri, alwaar zij hun hutten bouwden. De dorpen lagen verspreid langs deze rivier tot in de staat Omaha.
Terwijl de Arikara steeds verder naar het noorden trokken kwamen zij in aanraking met de Sioux, die westwaarts trokken, op de vlucht voor de Noordoostelijke stammen, zoals de Ojibwe. Tussen beide stammen ontstonden vijandelijkheden en er werden diverse oorlogen gestreden. Toen de eerste blanken in het gebied arriveerden, troffen zij er voornamelijk Sioux sprekende stammen aan en een aantal verlaten dorpen die volgens deze Sioux, aan de Arikara hadden toebehoort.

 

In 1770 legden Franse handelaars contact met de Arikara ter hoogte van de Cheyenne rivier. Lewis en Clark ontmoetten de stam 35 jaar later. De stam was inmiddels een stuk kleiner geworden en zij leefden in 3 dorpen tussen de rivieren de Grand en de Cannonball in zuid Dakota.
Tegen het jaar 1851 waren ze verder omhoog getrokken tot in de omgeving van de Heart rivier.

De constante opmars van de kolonisten naar het westen, samen met hun politiek van het veroorzaken van oorlogen tussen de stammen, leidden tot het continu verhuizen van diverse stammen.
Voor de Arikara die in vaste dorpen leefden en er landbouw bedreven, was dit erg lastig. De constante oorlogen en een pokkenepidemie in de tweede helft van de 19de eeuw, roeide een aantal van hun dorpen bijna uit. De verzwakte overlevenden consolideerden en vormden nieuwe dorpen, waardoor een groot deel van hun cultuur en hoe ze als stam georganiseerd waren, verloren ging. Het was tijdens deze moeilijke periode dat de Arikara buren werden van de Hidatsa en Mandan, met wie zij uiteindelijk bondgenoten werden.

Op het moment dat Lewis en Clark, de Arikara bezochten in 1804, waren de Indianen gastvrij tegenover hun gasten en stonden zij open voor de handel met de Amerikanen.
Echter als gevolg van de rivaliteit tussen twee handelsondernemingen en de bijkomende intriges, werden de Arikara vijandelijk naar de Amerikanen.

In 1823 vielen de Arikara een boot met Amerikaanse handelaren aan en zij vermoorden 13 mannen en verwonden er ook een aantal.
Dit leidde uiteindelijk tot een conflict met de Verenigde Staten dat ook wel de Arikara- oorlog wordt genoemd. Uiteindelijk werd er vrede gesloten, maar als gevolg van de strijd waren de oogsten van twee jaar mislukt en verlieten de Arikara hun dorpen. Zij vestigden zich voor de duur van twee jaar bij hun verwanten de Skidi- Pawnee aan de rivier de Loupe in Nebraska.

De Arikara waren echter erg vijandelijk naar de blanken en dit was niet prettig, als je als stam handel met hen wilde voeren, dus vroegen de Pawnee, hun buren, te vertrekken naar hun dorpen aan de Missouri rivier.

Na het aflopen van de Mexicaanse oorlog werd er een commissie naar het gebied gestuurd met als taak het herdefiniëren van de gebieden die door de stammen ten noorden van Mexico geclaimd werden.
In een verdrag dat in 1851 in fort Laramie werd gesloten, kregen de Hidatsa, Arikara en Mandan een gebied toegewezen, dat ten westen van de Missouri lag. Uiteindelijk gingen ze gezamenlijk leven in een reservaat ook wel Ft Berthold genoemd.

 

Conform een verdrag uit 1887, kregen de Arikara eigendomsrechten over het land en in 1900, werden zij benoemd tot inwoners van de Verenigde Staten en onderdanen van de wet van Noord Dakota.

Arikara Tipi

De overheid liet in het reservaat een kostschool bouwen en drie dagscholen. Daarnaast werden er ook nog een Missie- kostschool en een kerk in het reservaat gebouwd.

In 1804, schatten Lewis en Clark het aantal Arikara op 2,600, waarvan er 600 krijgers waren. In 1871 bestond de stam uit 1650 leden; tegen 1888 waren er nog 500 en bij een telling in 1904 was het aantal 380.

Zolang men zich kan herinneren, verbouwden de Arikara voedsel zoals Pompoenen, bonen, squash en graan .
In de gebarentaal worden de Arikara aangeduid als” graaneters”. Het zaad dat de Arikara gebruikten was van een bijzonder soort en bracht een kleine graansoort voort die erg voedzaam was en erg gewild. Men hing de zaden, die gebruikt werden, op in een dichtgeknoopte huid in de hut bij het vuur. Wanneer de tijd rijp was om te gaan planten, gebruikten zij alleen die zaden, die tekenen van ontkieming vertoonden.
De Arikara ruilden het graan met de Cheyenne en andere stammen, voor huiden, vlees en bizonvachten, die zij vervolgens weer met de blanken verruilden voor metalen pannen, geweren en andere zaken. In het begin werd er alleen door de vrouwen gehandeld.

De mannen van de Arikara, trokken er in de winter op uit om op de bizon te jagen en keerden aan het begin van lente terug.
Voordat het groeiseizoen begon, verwerkten zij de bizonhuiden.

De Arikara aten ook vis, die zij vingen door fuiken te maken. Verder waren zij uitstekende zwemmers en zij hadden zich er in gespecialiseerd om bizons te vangen die tijdens het oversteken van rivieren in paniek raakten.
Het hout dat de Arikara gebruikten haalden zij uit de rivier, wanneer deze ontdooid was. Dit was vaak geen eenvoudig klusje en mannen, vrouwen en kinderen hielpen bij het vastknopen en aan de oever slepen van de takken en bomen die in de rivier waren gestort.

De boten die de Arikara gebruikten waren gemaakt van een enkele bizonhuid die, met het haar naar binnen, gespannen werd over een raamwerk van wilgentakken in de vorm van een mand. De boot kon gemakkelijk gedragen worden en was in staat om drie volwassenen naar de overkant van een rivier te vervoeren.

Voor de komst van de handelaren maakten de Arikara hun kookgereedschap van klei en gebruikten zij de schouderbladen van bizons en herten als schoffels. Lepels werden van de Horens van de bizon gemaakt en de gereedschappen om het graan mee te bewerken werden met veel moeite van steen gemaakt. Pijlpunten werden van vuursteen gemaakt en messen ook.

Ook maakten zij speciale fluitjes waarmee zij elanden konden lokken. De versieringen die men voor hun kleding gebruikten werden gemaakt van de stekels van een stekelvarken en van schelpen. Het meest bijzondere wat de Arikara konden was het smelten van glas om het vervolgens in mallen te gieten, zodat er gekleurde kralen ontstonden die men voor de handel gebruikten. DE manier van het weven van manden is geïdentificeerd als die van de stammen in Louisiana en is waarschijnlijk een overblijfsel van hun voorouders die vanuit het zuidwesten migreerden.

Arikara Medicijnmannen

De Arikara waren allen erg vasthoudend aan het gebruik van hun eigen taal, ondanks het feit dat zij een eeuw lang buren waren van enkele Sioux-talige stammen(Hidatsa en Mandan) en zij onderling huwden en veel met hen deelden. Rond de eeuwwisseling sprak ieder lid van de stam de taal van hun buren, maar spraken zij hun eigen taal toch het vloeiendst. Ook bleven zij vasthouden aan hun traditionele manier van het bouwen van hun hutten. Dit was een erg arbeidsintensief gebeuren, waarbij de grote ronde hutten dicht bij elkaar werden gebouwd. In één hut leefden meestal 2 tot 3 families. Ieder dorp had meestal een grotere hut die gebruikt werd voor bijeenkomsten, feesten en ceremonieën.

In 1835 viel het de Duitse ontdekkingsreiziger, Maximilian of Wied, op dat de mannen het vlees van de gedode bizons niet op hun paarden vervoerden, maar op hun rug en hoofd, vaak over een grote afstand. Een man kon de zwaarste last dragen om het vervolgens aan een arme te schenken, volgens de leer van hun god die zei:“wanneer een man in staat is om op deze manier aan te armen te schenken en de last op zich te nemen, hij succesvol zou zijn bij alles wat hij zou ondernemen”.

Bij hun rituelen, die in de vroege lente begonnen als het eerste onweer klonk, nam het graan een belangrijke plaats in. De are werd als symbool gebruikt en werd de moeder genoemd. Sommige van deze aren werden al generaties bewaart en als een grote schat behandeld. Tijdens de ceremonieën werden er offers gebracht, liederen gezongen en feesten gehouden. Er werden riten uitgevoerd wanneer het maïs werd gepland, bij verschillende stadia van hun groei en als het geoogst werd. Ceremonieel verbonden aan het maïs waren diverse heilige objecten die in een kist bewaard werden. Hieronder waren verschillende huidjes van vogels en zeven kalabas rammelaars, die de verandering van de seizoenen symboliseerden.

 

De overledenen werden in een zittende positie, gekleed in diverse huiden, begraven in een heuvelgraf. De eigendommen van de overledene, met uitzondering van persoonlijke eigendommen, werden verdeeld over de verwanten. Erfopvolging vond plaats via moederszijde.

 

De Arikara waren een losgeorganiseerde confederatie van sub stammen, waarvan iedere stam een eigen stad had. Slechts enkele daarvan zijn behouden gebleven. De volgende namen werden vastgelegd tijdens de tweede helft van de 19de eeuw:

 

Hachepiriinu (Young Dogs)

Hia (Band of Cree),

Hosukhaunu (Foolish Dogs),

Hosukhaunukare rihn (Little Foolish Dogs'),

Sukhutit (Black Mouths)

Kaka (Band of Crows)

Okos (Band of Bulls)

Paushuk (Band of Cut-throats')

 

Heden ten dagen , maken de Arikara deel uit van de Mandan, Hidatsa en Arikara Natie, gevestigd in New Town, Noord Dakota.