gastenboekrkaartr

Stuur een Emailtje bij vragenzoek op de websiteTerug naar het beginvolgende

Cheyenne

taalgflokatiegfpopulatiegfbandsgfcultuurgfgeschiedenisgfreservatengflinksgf

Taal

De Cheyenne zijn één van de zeven Plains stammen die afkomstig zijn uit de Algonkin taalfamilie. Hun taal is sterk verwant aan die van de Arapaho, maar heeft een veel complexere Phonologie, omdat ze met veel verschillende intonaties spreken die verschillende betekenissen hebben.boven begin


Lokatie

La Salle spreekt in een brief uit 1680 voor het eerst over een Chaa(zie namen). Zij zouden naar zijn fort aan de Illinois rivier gekomen zijn vanuit hun thuisgebied aan de Hoofdwateren van de Mississippi, met het verzoek om handelaren naar hun thuisgebied te sturen op wapens en vallen te ruilen tegen bont. Het toeval wil dat 1 ¼ eeuw later er een groep Cheyenne vanuit de Black Hills, hun nieuwe thuisgebied, het reisgezelschap van Lewis en Clark ontmoetten op de Missouri rivier en zij hen verzochten om handelaren naar hen te sturen omdat :”hun land van bevers vergeven was”. De tussen liggende jaren waren voor de Cheyenne een periode van wisselvalligheden geweest. Belegerd door een sterke vijand, vluchtten zij over een grote afstand en namen daarbij een gevaarlijke route. Onderweg proberen zij zich enkele malen te vestigen, om vervolgens weer verjaagd te worden door hun onderdrukker. Ondertussen nam het aantal Cheyenne in een snel tempo af maar nu hadden zij eindelijk hun plek gevonden en konden zij herstellen van het geleden leed. Kort na het herstel trok de stam er echter weer op uit om zich vervolgens op te splitsen in twee groepen, de Noordelijke Cheyenne aan de noordelijke Platte rivier en de zuidelijke Cheyenne aan de bovenstroom van de Arkansas rivier.
De vroege bewegingen van de Cheyenne zijn makkelijker te achterhalen dan die van andere westerse stammen. De overlevering verwijst naar de vroege jaren, dat zij in die tijd verdreven werden door een gevaarlijke vijand en nadat zij een groot water over gestoken waren (of de Mississippi rivier of een deel van de Grote meren) een gebied vonden waar het veilig was om zich er te settelen. Dit was, naar eigen zeggen, het gebied van de Bovenstroom van de Mississippi, in oost Minnesota. Zij waren een stam die voornamelijk afhankelijk was van de landbouw.
Hoe lang voor 1680 zij deze regio bereikten is niet bekend, maar ze vertrokken er weer voor het einde van de eeuw. De reden hiervan is waarschijnlijk de aantrekkingskracht van het grote aantal bizons op de Plains of het was de vijandigheid van een stam in de regio, die sterker waren dan zij. Waarschijnlijk was het een combinatie van deze twee factoren, zoals we later ook zagen bij de Teton Sioux die werden verderven door de Ojibwe en uiteindelijk de Missouri overstaken terwijl de reden om te vluchten allang verdwenen was.
In ieder geval moet de druk voelbaar zijn geweest bij de Cheyenne, nu de stammen ten oosten en noorden van hen in het bezit van vuurwapens waren. De Sioux of tenminste enkele Sioux stammen, die hen volgende bij het bezetten van het gebied, waren ook zonder vuurwapens een te sterke tegenstander voor de Cheyenne. Deze Sioux werden dus weer westwaarts gedwongen door de Cree en Assiniboin die wel in het bezit waren van vuurwapens. Het grootste deel van de Cheyenne trok voorbij de Red rivier in het noorden en vestigden zich aan de westerse vork, die de Siou vervolgens de naam:”Shahiyela-wozhupi” ( waar de Cheyenne planten) en die wij nu kennen als de Sheyenne rivier. Om dit te bevestigen kunnen we verwijzen naar een verklaring van Lewis en Clark:” ze leefden formeel in een dorp en verbouwden maïs aan de Cheyenne rivier een vork van de Rode rivier”

Het nieuwe dorp was gebouwd, volgens een rapport van de ontdekkers aan het congres in 1806 ” ongeveer 15 mijl onder de Mond van Warricunne Creek). Warricunne Creek is Beaver Creek, die samenvloeit met de Missouri bij Emmonsburg, North Dakota en de plek van het dorp lag daarom niet ver noordelijk van Fort Yates. De restanten van het dorp werden door Lewis en Clark gezien in 1804 die op 16 oktober van dat jaar schreven:” we passeerden een cirkelvormig ruïne, waar de Shar Ha of Chien, of Dog Indians eerst leefden”. “Slechts enkele jaar konden zij daar bijkomen om vervolgens onder de druk van hun vijanden de Sioux te vluchten naar de Black Hills, ongeveer bij de kop van de Cheyenne rivier, waar zij rondtrokken op zoek naar bizons. Zij hebben geen landbouw”. De metamorfose van landbouwers in de bossen rondom de grote meren naar rondtrekken de bizonjagers op de Grote Vlakten had zich voltrokken. Met hun buren de Arapaho en Sotaia waren de Cheyenne dan weer bevriend en dan weer in staat van oorlog. Over het algemeen lijkt het erop dat Cheyenne op voet van vrede met de stammen n de omgeving leefden, met uitzondering van de Sioux en de Assiniboin, maar zelfs met de Sioux waren er perioden van vrede. Eén van de belangrijkste manieren om zich te vermaken en een belangrijke bron van inkomsten was het beroven van de Spaanse nederzettingen in het zuidwesten om de gestolen paarden en ezels vervolgens mee naar huis te nemen. Zij handelden constant met de Arikara, die in die periode(begin 19 de eeuw) aan de mond van de Grand rivier leefden in Noord Dakota en soms met de Mandan en Hidatsa. Het was in het jaar 1840, volgens de kalender van de Sioux, dat er sprake was van een definitieve vrede tussen de Cheyenne en de Sioux. Vanaf die tijd traden beide stammen als echte bondgenoten naar voor in de strijd met de omliggende vijandelijke stammen en tegen het leger van de VS. Maar voordat er sprake was van deze vrede hadden de Teton Sioux zich over de vlakten van west Zuid Dakota naar de Black Hills verspreid en hadden zij de Cheyenne uit het gebied verjaagd. De Cheyenne trokken eerst naar het westen en noorden, naar de hoofdwateren van de Powder rivier en de voet van het Bighorn gebergte, waar ze in conflict geraakte met de Apsaroke en later Zuidwaarts naar de hoofdwateren van de Platte rivier, waar de Kiowa op dat moment leefden. In 1833, op het moment dat kolonel bent solliciteerde, met wie zij al handelsrelaties onderhielden, sloeg een groot deel van de Cheyenne hun tenten op aan de Arkansa in zuidoost Colorado, in de omgeving van het zojuist gebouwde Fort Bent. De anderen bleven in Wyoming. Deze scheiding was echter nog niet een definitieve omdat beide bands elkaar nog regelmatig ontmoetten, samen hun kamp opsloegen, jaagden en ten strijde trokken. Zij zagen zichzelf ook nog steeds als één groep. Dat er sprake was van twee groepen bleek in 1851 toen er in fort Laramie verdragen gesloten werden met de Sioux, Cheyenne, Arapaho, Apsaroke, Assiniboin, Hidatsa, Mandan en Arikara. De zuidelijke Cheyenne en Arapaho werden hier behandeld als één groep. boven begin

Populatie


De eerste schatting van de populatie van de Cheyenne is die van Lewis en Clark, die respectievelijk spreken van 110, 130 tot 150 en 300 tenten, met ongeveer 3 krijgers of 11 personen in iedere tent. Die cijfers betekenen dat er tussen de 300 honderd krijgers en twaalfhonderd personen en 900 honderd krijgers en drieëndertighonderd personen waren.
Generaal Henry Atkinson, die in 1825 een vriendschapsverdrag met de Cheyenne sloot, schatte het aantal Cheyenne op 3000. In beide gevallen lijken de schattingen wat conservatief omdat in 1875, nadat zij een cholera epidemie hadden doorstaan en in 1849 veel mensen hadden verloren tijdens de strijd met het leger, werd er bij een officiële telling gemeld door een census, dat er 1,782 Cheyenne waren. In 1910 waren er 1854 Zuidelijke Cheyenne en 1401 noordelijke Cheyenne.


stas cheyenne

 

(Sub)bands

Cheyenne( van de Sioux naam Sha-hi'yena, Shai-ena, of (Teton) Shai-ela, mensen met een vreemde taal,' from sha'ia, spreken een vreemde taal'). Red talkers (Dakota word), little Cree (Lakota word, Chaa( Franse verbastering van de Sioux naam voor de Cheyenne)

Cheyenne, Tsitsistas, Tsetsehestehese.

De Cheyenne noemen zichzelf de Tsitisistas. Het woord Cheyenne is eigenlijk een verbastering van het Sioux woord voor de Cree.

De Cheyenne bestaan uit twee groepen de Noordelijk Cheyenne: O Misis en de Zuidelijke Cheyenne: Dzi Tsi Stas.

Sociaal gezien waren de Cheyenne verdeeld in diverse bands. Volgens White Bull, een Noordelijke Cheyenne waren er in principe vijf groepen, los van subbands en aftakkingen van de eigenlijke divisies.
The Hevisf-uni'pahis ("buffalo-aorta shrivelled") werden zo genoemd omdat bepaalde krijgers van die band in plaats van de taditionele pijp een opgedroogde aorta van een bizon gebruikten om mee te roken.
Hevhaitaneo, or Hair Men, is de naam van de tweede band en is van recentere tijd. De naam is ontstaan doordat de mannen van de band mantels gemaakt van bizonhuiden bleven dragen zelfs nog nadat de wollen dekens “in” waren. Hun voormalige naam is nu niet meer bekend.
Hotamitaneo, Dog Men is dus waarschijnlijk eenband die zijn naam dankt aan een krijgersociëteit.
The Ohmisis, of Eaters , zijn nu de Noordelijke Cheyenne . Zij bleven in het noorden terwijl de rest van de stam zijn kamp opsloeg bij de Arkansas rivier.
De Sotaia zijn formeel een uitgestorven groep die een andere taal spraken, Zij gingen op in de in de Cheyenne en vormde uiteindelijk een divisie van de stam.
In feite zou je dus maar moeten spreken van vier werkelijke divisies.
Andere sub- bands en divisies zijn:

(a) Moqtávhaitä'niu, 'black men,'
(b) Ná'kuimána, 'bear people'; een kleine band onder de Zuidelijke Cheyenne.
(c) Ansków ǐ n ǐ s, 'narrow nose-bridge,'
(d) P ǐ 'nûtgû' ' Pe'nätĕ`ka' (Comanche). Dit is eigenlijk niet een band van de Cheyenne
(e) Máhoyum, 'red tipi';
(f) Wóopots ǐ 't (Wóhkpotsīt, Grinnell), 'white wolf'
(g) Totoimana (Tūtoimanáh, Grinnell), 'backward or shy clan,'
(h) Black Lodges.
(i) Ree band.
(j) Yellow Wolf bond (Culbertson, Jour., 1850).
(k) Half breed band (Culbertson, Jour., 1850).    boven begin

Cultuur

De Cheyenne leefden, voordat ze de Plains optrokken, in het oostelijke deel van de VS.
Zoals veel stammen in die tijd, in dat gebied, leefden ze in vaste dorpen en bedreven landbouw .
De naam Cheyenne komt voor het eerst voor op een landkaart die Joliet ontving in 1673.
 Wanneer je naar de Cheyenne en hun gebruiken en gewoonten kijkt dan is er nog maar weinig dat naar hun verblijf in oosten van de VS. verwijst. Over het algemeen verwijzen hun mythologieën naar hun leven op de prairie maar soms vinden we er sporen van hun lang vergeten verleden bij de Grote meren. Eén van deze fragmenten is het verhaal van de waterval.


De religie en gebruiken van de Cheyenne draaien allemaal om de heilige pijlen, hen gebracht door hun cultuurheld MotseiYoiv, zoals verteld wordt in de volgende korte Mythe.
Een zekere jonge vrouw, lang geleden begreep dat ze binnenkort moeder zou worden, maar pas na vier jaar werd het kind geboren. De mensen zeiden:”deze jongen moet een bovennatuurlijk mens zijn”. Toen hij de leeftijd bereikte dat jongens jassen begon te dragen, kreeg hij een huis van een kalf, maar hij begon het meteen te dragen met de haren naar buiten. Allen magiërs droegen hun jassen zo. Toen op een keer, volgens gebruik, de magiërs in hun hut zaten, klaar om hun ceremonieën uit te voeren, trad de jongen binnen en ging bij hen zitten naast de belangrijkste man. De uitvoering begon en ieder man ging op zijn beurt staan en liet zijn specifieke krachten zien. Op het laatst was het de beurt aan de jongen om te bewijzen dat hij bij de magische mannen mocht zitten. Eerst maakte hij wierrook van sweetgrass en reinigde de snaar van een boog. Toen, nadat twee mannen de snaar om zijn hals hadden gewikkeld, sloeg hij zijn mantel over zijn hoofd en gaf de opdracht om hard aan beide einden van de snaar te trekken. Ze gehoorzaamden en zijn hoofd viel van zijn romp op de grond. De mannen raapten het hoofd op en plaatste het op de romp onder de mantel. Toen ze enkele tellen later de mantel weghaalden, verscheen er een oude man. Zij plaatsten de mantel weer over zijn hoof en vervolgens kwam er een skelet te voorschijn. Ze bedekten de botten en deze verdwenen. Uiteindelijk gooiden ze de mantel over de lege plek en toen zij hem weer weghaalden was daar de jongen. Dit was betere magie dan dat de mannen hadden en zo werden hem bovennatuurlijke krachten toegedicht.. De jongen was nu bijna volwassen en op een dag toen hij tijdens de jacht knielde om de huid van een bizonkoe te verwijderen, naderde er een man met zijn pakhonden. Volgens de traditie kreeg een oude behoeftige man een deel van zijn gevangen buit; maar de man eiste alles op. “ Neem het vlees, grootvader” zei de jongen” maar gun mij de huid, want ik heb een mantel nodig”. “Ik zal het vlees nemen” zei de oude man “ en de huid ook, omdat ik beide nodig heb”. Hij duwde de jongen opzij en begon het karkas te bewerken. Al mopperend keerde de jongen terug naar zijn werk, maar opnieuw werd hij weggeduwd. Toen in een vlaag van woede ging hij achter de man staan, nam een groot bot en sloeg hem ermee op zijn hoofd. De man viel levenloos op de grond en de jongen ging verder met het slachtten van de bizon en keerde met de huid terug naar zijn grootmoeder.. toen bekend werd dat de oude man gestorven was door de handen van de jongen, omsingelden de krijgers de tent van de grootmoeder en eisten de jongen te doodden, omdat de oude man een Chief was. Allen tegelijk bestormden zij de tent, maar toen zij naderden gooide de jongen de aarde kookpot om en in de rook en stoom herrees de jongen als een uil en vloog uit het rookgat. Een paar dagen later keerde de jongen heimelijk terug, maar opnieuw probeerden ze hem te pakken en opnieuw nam de jongen een andere vorm aan en ontsnapte. Vijf maal hield de jongen de krijgers voor de gek en vijf maal nam hij een vorm aan die anders was als de vorige. Na de vijfde keer verliet de jongen zijn mensen en zwierf door de heuvels. Op een gegeven moment kwam hij bij een heuvel, hoger dan de anderen met aan de zijkant een soort van deur. Hij ging de deur binnen en bevond zich in een soort van tipi-vormige grot. In een cirkel, net als in een hut, zaten veel oude mannen. Ieder van hen had een medicijnbundel en ieder van hen vertegenwoordigde een stam. De cirkel was compleet op één plek na en daar op die lege plek ging de jongen zitten onder een medicijnbundel, gewikkeld in de huid van een vos. Toen werden de medicijnbundels één voor één geopend en de liederen, gebeden en rituelen van iedere bundel werden uitgevoerd, allen hielpen de eigenaar van een bundel. Toen na een lange tijd de bundel met de huid van de fox werd geopend werd bevatte hij vier pijlen, wiens stenen punten waren gewikkeld in Eagle- down veren. Vervolgens leerde de jongen de liederen die bij de medicijn pijlen hoorden. Vier jaren bleef hij in de heuvel en leerde de geheimen van het genezen en gedurende al die tijd leden zijn mensen honger omdat zijn macht alle dieren in de buurt had verjaagd. Aan het eind van deze periode van instructie bereidde hij zich voor om terug naar zijn mensen te gaan. Twee jongens, opzoek naar wortels op hun knagende honger te stillen, kwamen een man tegen met iets gewikkeld in de huis van een vos.” Verzamel wat droge bizonkeutels” beveelde hij hen en ze deden wat hij vroeg. Toen hij zijn handen erop legde veranderde de koeienvlaaien in pemmican. De jongens aten zich vol en toen zei de man:” Ik ben Motseiyoiv. Neem wat van deze pemmican en ga naar jullie vaders en vertel hen dat diegene die zij weg hebben gestuurd is teruggekeerd. Zeg ze dat ze het kamp moeten verplaatsen en een grote tent moeten oprichten in het midden van het kamp. Laat daar vier goede mannen mij ontmoeten met ieder een pijp”. De jongens spoedden zich naar huis en de opdrachten van de jongens werden opgevolgd. De volgende dag arriveerde hij in de grote tent om de vier gekozen priesters scholen in de leer van de vier heilige pijlen; en aan het einde van hun liederen en gebeden, was het kamp omgeven van bizons.
De heilige bundel van de Cheyenne bevat vier pijlen gewikkeld in de huid van een vos en is altijd in het bezit van een oude medicijnman die voor het leven benoemd is. De pijlen worden beschouwd als een gift van het bovennatuurlijke en men gaat er vanuit dat ze grote krachten bezitten, zo dat één paar, wanneer hij naar een mens gericht wordt, de mens onmiddellijk sterft en het andere paar omdat de kudde bizons gevoelloos in een cirkel bewoog terwijl zij doodgeschoten werden(?). De bundel wordt bewaard in de tent van zijn bewaarder, die is omgeven van vele beperkingen. Naast de bewaarder zijn er ook nog vier andere priesters, of assistenten en behalve zij mag er niemand de bundel aanraken. Deze vier zijn, net als de bewaarder, oude mannen en natuurlijk medicijnmannen, benoemd om hun vermogen de liederen te onthouden en de details van het ritueel. Wanneer de bewaarder overlijd volgt een van de priesters hem op. Ieder jaar worden de pijlen aan de mannen van de stam getoond om er voor te zorgen dat er welvaart en gezondheid zal zijn. Een vrouw zou er niet aan denken ernaar te kijken, omdat zij ter plekke zou sterven.

Onder de Cheyenne is het zweetbad één van de belangrijkste religieuze inachtnemingen. Door het bad te nemen komen hun gereinigde lichamen en geesten weer in balans met het bovennatuurlijke. Zelfs als het wordt gebuikt om ziekten te genezen gaat men er vanuit dat het niet de stoom is, maar de geesten die de ziekte wegnemen. Bepaalde medicijnmannen hebben het recht om een zweethut te bouwen en de rituelen ui te voeren, zij dragen deze kennis over aan hun opvolgers. Alleen op deze manier kan een man het Zweethut medicijn verkrijgen, ofwel, de zweethut bouwen en de ceremonie verrichten. Na de belofte van grote giften instrueert de medicijnman de novice en zijn vrouw leert de de vrouw haar taken. Wanneer een man voor het eerst de zweethut ceremonie ondergaat gebruikt hij 17 wilgentakken bij de bouw van de hut en wanneer hij ouder wordt, worden dat er 25, vervolgens 41 en uiteindelijk 101. Deze worden in de grond geslagen en omgebogen en per twee in het midden bijeengebonden. Zo vormen zij 8, 12, 20 of 50 bogen. De staak die er over blijft wordt van oost naar west gespannen, met zijn onderkant in de grond geslagen en zijn top vastgebonden aan de andere takken aan de achterkant. Deze tak symboliseert de ruggengraat en staart van de bizon die het bouwwerk vertegenwoordigd.
het ontstaan van deze ceremonie wordt toegeschreven aan de bizon en tijdens de ceremonie wordt er altijd een bizonschedel voor de en kijkende naar de ingang van de zweethut.
Aan een kant worden de bogen van de hut beschilderd met zwarte aarde verf en de andere zijde met rood. Ook worden er twee van de vele stenen die gebruikt worden bij de ceremonie zwart geverfd, twee rood en één half rood en half zwart. In het midden van de hut is een rond gat in de grond, ongeveer 18 inches doorsnee en 12 inches diep. Hier worden de hete stenen ingelegd, vanaf het gat tot aan de ingang wordt over een strook van 8 inches breed de modder weggehaald. Samen met zijn gasten betreed de gever van de ceremonie vervolgens de hut en hij gaat achterin tegenover de ingang zitten. In het gat voor de stenen tekent hij twee parallelle lijnen waarvan het uiteinde van het paar verbonden is met een V- vormige figuur. Deze vorm wordt altijd getekend in maagdelijke grond die gebruikt gaat worden voor ceremonieën. Nu vult de gastheer zijn pijp en rookt hem op traditionele wijze. Vervolgens gaat de pijp de cirkel rond, er worden vier hele pijpen gerookt. Dan wordt de pijp voor de vijfde maal gevuld en wordt hij achter de kuil gelegd. Vervolgens wordt er om de stenen gevraagd. Eerst worden de twee zwarte stenen binnengebracht die op een speciale plek in de kuil worden gelegd(de hoeken) en in de nadere hoeken worden de rode stenen gelegd. De zwart- rode steen wordt in het midden gelegd. Op deze stenen worden de bladeren van de struik van de jeneverbes gelegd of Sweet- grass en de rest van de stenen wordt binnengebracht. De gever van de ceremonie pakt de pijp op en wijst ze in de belangrijke richtingen, hij verlaat de hut via de linker kant van de kuil en legt de pijp tegen de bizonschedel. Iedere man pakt nu zijn medicijnbundel die voor hem op de grond lag en plaatst deze op het dak van de hut. De vrouw van de gastheer plaatst een bak met water op het pad dat van de ingang naar de kuil loopt. De flap gaat dicht en de vrouw neemt op ceremoniële wijze een kom met water en geeft deze aan haar man. De kom gaat vervolgens de cirkel rond en iedere man neemt een slok, die hij vervolgens in zijn handen spuugt en over zijn lichaam verspreid. Als laatste is de hoofdman aan de beurt en hij neemt vijf slokken water en spuugt deze over de stenen in het midden. De rest pakken hun ratels en de gastheer begint te zingen en te bidden tot zijn medicijn en alle andere geesten die bij hen aanwezig zijn tijdens de ceremonie. Hij bid dat alle ziekten mogen verdwijnen, dat zij, hun kinderen en familie lag mogen leven en dat ze welvaart zullen kennen. Aan het eind van het ritueel rammelen de mannen vier keer met hun ratel; het zingen begint waarbij de gastheer inzet en de rest volgt. Er worden acht liederen gezongen, maar het kan ook één lied zijn dat acht keer herhaald wordt. Soms wordt het zingen onderbroken door gebeden. Tegen het einde van de periode van zingen word de ingang opgedaan en verlaat die vrouw de hut, haalt water en geeft alle mannen een kom. De hut gat weer dicht en de tweede periode van zingen begint op dezelfde wijze als de eerste. Wanneer de hut voor de vierde keer opengaat ontvangen de mannen, vrouwen of meisjes die aanwezig zijn de ratels, die één voor één doorgegeven worden naar buiten. De ratels worden an de rechterkant van de bizonschedel geplaatst, wijzend naar de hut en de medicijnbundels worden achter de Schedel geplaatst. Voor de laatste keer sluit men de hut en de rest van het water wordt over de stenen gegooid en na een periode zonder zingen, komen alle naar buiten, sommigen springen in het water, terwijl anderen om het vuur gaan zitten en de pijp roken die op de bizonschedel lag.

Zoals bij de meeste stammen het geval was moest ieder individu zijn bovennatuurlijke kracht en zijn levensrichting vinden door te vasten in de heuvels of in de bergen. Een mooie illustratie van dit vasten is het persoonlijke verhaal van White Bull:

“Toen ik 16 jaar oud was, vastte ik voor de eerste keer. Mijn paard was tijdens de strijd doodgeschoten en ik wilde dergelijke ongelukken in de toekomst voorkomen. Ook had ik de belofte gedaan dat als een zus van me, die erg ziek was, beter zou worden ik zou gaan vasten. Ik trok naar de bergen ten noorden van de Platte rivier. Tijdens de eerste nacht zag ik niets, maar tijdens de tweede verscheen er een vrouw die mij een speer in de ene hand en een pijp in de andere kwam brengen. Ik haatte vrouwen op dat moment en ik keek haar niet aan. Ik dacht zij van de donder kwam omdat zij een speer bij zich droeg. “Ik heb deze pijp meegebracht” zei ze. “wanneer je ten strijde trekt dan zul je de vijand overwinnen wanneer je deze pijp bij je draagt. Neem deze lans en geen man zal je kunnen doden, echter als een vrouw op je schiet sterf je wel”. Ik begreep hieruit dat als ik gedood zou worden het zou gebeuren door de hand van een vrouw. Ik weigerde de pijp en lans aan te nemen en ze zei dat ze me medicijn uit de grond zou geven en dat deed ze. Ze vertelde me hoe het te gebruiken en gaf me liederen die ik nog steeds gebruik. Ik antwoordde niet, maar zei min of meer met mijn hart dat ik het accepteerde. Precies achter haar zaten vele geesten met hoorns op hun hoofd. Zij zagen eruit als mensen, maar daarna veranderden zij in gehoornde uilen en vlogen weg. De vrouw volgde hen. Toen ze verder weg was maakte ze het geluid van de donder en ik wist dat zij de donder was.
Tijdens de derde nacht was er regen die overging in de dag tot ongeveer twee ueren voor zonsondergang. Toen verscheen er een regenboog. Aan deze boog hingen zeven schilden, de beschilderingen op hun gezichten zo duidelijk dat ik ze kon onthouden. Zo heb ik het recht gekregen om schilden te maken, en sindsdien heb ik er vele gemaakt, ieder beschilderd als diegene ik toen gezien heb.
Ik was zwak van het vasten en ging liggen. Bij zonsopkomst stond ik op en ik zag zeven mannen te paard aan komen rijden vanuit het oosten. Een ieder van deze mannen droeg één van de zeven schilden. Ik hield mijn ogen in het bijzonder gericht op een zwart paard en ik zag ook een “roan”? paard.
De vierde nacht hoorde ik zingen onder aan de voet van de berg. Al huilend liep ik naar beneden en zag een dier bij de bron. Het was blauw, met witte stippen en had hoorns. Het zei:”Dit water is van mij. Het is anders. In de zomer is het koeler en in de winter is het warmer dan ander water. Steeds als ik adem ontstaat er mist. Wat wens je?” Ik sprak niet tegen het dier en ik ging terug naar de top en bleef daar staan tot het licht werd. Een vriend van me bracht een paard en ik keerde terug naar het kamp. Mijn vader bouwde een zweethut, die ik met vele anderen betrad. Toen gaf hij me water, smeerde me in met Sage en zei;” Mijn zoon, ik ruik je. Je ruikt naar waterschildpad.” Ik nam een slok van het water en gaf de kom terug aan mijn vader en zei:” drink vader, drink dat ik lang mag leven”. Ik vertelde hem niet wat ik had gezien. Toe ik ongeveer 24 was wilde ik bewijzen dat mijn medicijn krachtig was en om meer kracht tijdens de strijd te krijgen liet ik mijn vrioenden een gat in de grond graven. Toen zongen zij vele liederen en bonden mijn armen en benen vast met stroken leder en lieten mij in de kuil zakken. Alle mannen en krijgers van de stam waren aanwezig en zagen wat ik deed. Tweehonderdvijftig mannen bonden vervolgens touwen aan een steen en plaatste deze boven op het gat. Ik zong mijn liederen vele malen en leerde dat ik een groot krijger zou worden. Ik zong meer liederen en toen in de nacht werd de steen verplaatst en kwam ik eruit.”

Eén van de belangrijkste rituelen onder de Cheyenne was de Zonnendans. De Zonnendans was vergelijkbaar met die van de andere stammen van de Plains. Meer er over lees je hier.

De Cheyenne leefden als een typische Plains- stam, waarbij de taken van een ieder duidelijk waren verdeeld.
De vrouwen waren verantwoordelijk voor het huishouden. Zij zorgden voor de maaltijd, de ordelijkheid en bewerkten huiden. Onderwijl zorgden de jonge jongens voor de paarden.
Na de ochtendmaaltijd reed een oude omroeper het kamp rond om de belangrijke mededelingen rond te roepen, waarna een ieder met zijn dagelijkse bezigheden begon. De vrouwen gingen hout verzamelen en zochten naar eetbare wortels, terwijl de kleinere kinderen zich vermaakten in het water of door spellen met elkaar te doen. Dit was ook het moment van de vrouwen dat ze met elkaar konden kletsen en lol maken. De mannen hielden zich naast de jacht en strijd, voornamelijk bezig met het maken van muziek en met dansen. De oudere mannen, waren verantwoordelijk voor het maken van pijlen , bogen en pijpen. De jonge mannen hielden zich dan vooral bezig met hun voorkomen en met het luisteren naar de verhalen van de ouderen in het kamp, een belangrijke manier van het overdragen van hun cultuurerfgoed.

De Cheyenne waren enigszins gezette indianen vergelijkbaar met de Mandan en Arikara. Ze hadden hoge jukbeenderen en een grote neus. De mannen zijn groot en hun klederdracht in de zomer is simpelweg, een lichte bizonhuid met of zonder haren en een lendendoek en Mocassins. Sommige van hen droegen war- leggings en Mocassins. De versieringen zijn simpel en gemaakt van zaken die onder de indianen te verkrijgen zijn, zoals kralen, rode verf, schelpen etc. Ze dragen ook berenklauwen om hun hals en stroken otterhuid, waarop zij net als de Arikara erg trots zijn. Zij hebben gaten in hun oren, maar slecht een enkeling draagt iets van versiering inde oren. De haren van de mannen zijn meestal geknipt in een pony en de rest van het lange haar draagt men in een middenscheiding met de staarten omwikkeld met paarden- of bizonhaar.
De vrouwen zijn huiselijk, met een puur en grof voorkomen, brede mond en dragen een simpele jurk gemaakt van twee gelijke delen huid. De jurken vallen meestal tot op de knieën en zijn versierd met kralen, schelpen of elandstanden. Meestal zijn de jurken ook bedrukt met verschillende patronen. Dit doen ze door stokjes uit het vuur te halen en het leer licht te branden. Ze dragen hun haar stijl en zijn zeer trots op de gewilde versieringen in hun haar. Ze dragen in hun oren blauwe kralen.

Op het moment dat de Cheyenne vanuit het oosten naar het westen begonnen te trekken maakten zij nog gebruik van aarden- lodges om in te leven. Dit was in de periode dat zij nog aan de Sheyenne rivier leefden en aan landbouw deden. Later toen men op de bizon ging jagen en over de Grote Vlakten trok, maakten de Cheyenne gebruik van de traditionele Tipi. De Tipi was makkelijk op te zetten en snel weer af te breken en nu de Cheyenne in het bezit van paarden waren, was het ook makkelijker om de grote tentpalen van de Tipi te vervoeren. De term wigwam wordt ook weleens onterecht gebruikt voor de Tipi. Dit is namelijk een compleet ander soort woonvorm.. boven begin

Geschiedenis

Wanneer je terug kijkt op de geschiedenis en het verloop daarvan, van de verschillende stammen van Noord Amerika, dan kun je zeggen dat velen van hen ten onder gingen aan het feit dat ze als stam te klein waren om te overleven onder de druk van de blanken. De ondergang van de Cheyenne had uiteindelijk de tegenovergestelde reden. De Stam bestond uit vele sub- stammen en bands, met als gevolg dat de blanken hen niet uit elkaar konden houden. Zo kon het gebeuren dat de ene stam een overval op de blanken pleegde en een andere stam ervoor gestraft werd. Het was mede aan dit feit te danken dat vele incidenten escaleerden in wraaktochten en de Cheyenne een naam van agressieve stam kregen. Het diepte punt hiervan was de slachting bij Sand Creek in 1864.

Hoewel de Sioux en de Cheyenne lange tijd strijd met elkaar geleverd hadden, besloten zij met de komst van de vele blanken toch een verbond te sluiten, gezamenlijk met de Arapaho. Dit verbond hield stand tot het einde van de Plainsstammen en zou forse slagen leveren op de vlakten.

 

In 1851, tijdens het verdrag van Fort Laramie, kregen de Cheyenne en Arapaho een reservaat toegewezen dat bestond uit ongeveer de helft van Colorado, de zuidoost hoek van Wyoming, de zuidwest hoek ban Nebraska en een gebied in west Kansas Dit verdrag was noodzakelijk geworden na de grote trek naar het westen van 1846 en bereikte zijn hoogtepunt met de Calafornische Goldrush van 1849. Deze enorme toeloop van blanken met hun disrespect voor de indianen, bezorgde hen een constante irritatie, als ook de angst dat hun land ingenomen zou worden door deze blanken. Het verdrag dat werd getekend verzekerde de indianen van hun reservaat en van een periodieke toelage van $50.000 gedurende vijftig jaar. De senaat verkorte die periode vervolgens tot 10 jaar, zonder dit met de Indianen te overleggen, en gaven de President het recht deze periode te verlengen met 15 jaar mocht hij dit nodig achtten. De ontevredenheid onder de indianen nam echter steeds meer toe als gevolg van overheid beslissingen , zo ook het feit dat ze het derde artikel uit het verdrag naleefden waarin stond dat de handelsposten en warenhuizen beschermd moesten worden aangelegd op de reservaten. Het feit dat de grond op het reservaat in feite eigendom was van de kolonisten, toont aan hoe de overheid met hun afspraken omging. De spanningen namen toe, tot in 1857 de noodzaak leek dat er troepen naar het gebied moesten worden gestuurd om de Cheyenne en Arapaho tot rust te dwingen. Hiermee begon een periode waarin geen enkele stam, met uitzondering van de Sioux, liet zien zich zo hevig te verzetten tegen de kolonisator als de Cheyenne.
Het karakter van de Cheyenne maakt dat zij zich instinctief verzetten tegen onderdrukking en zelfs nog heden ten dagen is merkbaar hoe het karakter van de Cheyenne in elkaar zit, als men kijkt naar de individualiteit en moed die de Cheyenne ten toon spreiden.

De eerste belangrijke gebeurtenis met betrekking tot de bestraffing van de Cheyenne, vond plaats in juli 1857, toen Kolonel E.V. Sumner een serieus conflict met hen kreeg waarbij een groot deel van hun belangrijke mannen omkwamen en zeker 200 tenten verbrand werden. Tijdens de drie, daaropvolgende jaren, bleven er conflicten en schermutselingen totdat de regering besefte dat er maatregelen moesten worden genomen om de onenigheden met de Cheyenne en Arapaho op te lossen. Met dat doel voor ogen werd er in 1861 een bijeenkomst gehouden in Fort Wise, Colorado, in februari. Er kwamen echter maar 6 Cheyenne en zij tekenden een verdrag waarin zij afstand deden van het grote gebied dat zij in het verdrag van 1851 hadden toegewezen. Zij accepteerden een onbelangrijk stuk grond in Colorado. Hoewel het reservaat voor de Indianen onacceptabel was, triviaal was in de omgeving en nog maar nauwelijks aan hen was toegewezen, begonnen de kolonisten het land op te eisen en verzochten om een herlocatie van de indianen.
In april van het jaar 1864, vond er een gevecht plaats tussen de Cheyenne en de Amerikaanse troepen, de eerste actieve opstand tegen de troepen sinds 1857. Gedurende de daaropvolgende zomer, pleegden de Cheyenne diverse plunderingen en vonden er een aantal schermutselingen plaats met het leger. Op 29 November 1864, vond de Chivington affaire plaats in Colorado. De “Sand Creek Massacre”, vormde het dieptepunt in de geschiedenis van de onderdrukking van de Noord Amerikaanse Indianen tot op dat moment. Er is maar één slachtpartij van indianen die hiermee vergeleken kan worden en die vond plaats in april van het jaar 1871, bij Camp Grant, toen een groep Arivaipa Apache onder de bescherming van de regering, werd uitgemoord door een groep Mexicanen, Amerikanen en Papago’s, waarbij vrouwen en kinderen niet werden gespaard. Deze slachting was het werk van een menigte maf geworden burgers, terwijl de slachting bij Sand Creek uitgevoerd werd door beroepsoldaten onder het commando van officieren.
Wanneer je rustig kijkt naar hetgeen er bij Sand Creek gebeurde( als dat al mogelijk is) dan kun je stellen dat de groep van 500 Cheyenne op verzoek en onder bescherming van de regering van de VS. aanwezig was op een plek aangewezen door deze overheid. De 1000 troepen onder het bevel van kolonel Chivington , vielen de Indianen op klaarlichte dag aan terwijl er boven op de tent van Chief Black Kettle een Amerikaanse vlag wapperde en een witte vlag ernaast. Het is zeker dat Chivington de status van deze groep indianen kende, omdat er verschillende van zijn ondergeschikten hem verzochten deze vreedzame stam niet aan te vallen. Voorafgaande aan de aanval gaf Chivington het bevel om alle jonge en oude mannen en vrouwen te doodden en benadrukte dat er geen gevangen gemaakt mochten worden. Het is een feit dat hij en zijn officieren op de hoogte waren van de barbaarsheid van deze slachting. Ook is het een feit dat het merendeel van de aanwezigen indianen vrouwen en kinderen waren en dat slecht een derde van de vermoorden, volwassen mannen of krijgers waren. Ook was er aantoonbaar bewijs dat bijna alle omgekomenen waren gescalpeerd, dat zowel mannen als vrouwen,onbeschrijfelijk waren verminkt en dat er in zeker één geval een vrouw van kruis tot keel was open gesneden en haar ongeboren baby naast haar neer was gegooid; deze machteloze vrouwen, die hun borsten lieten zien om te laten weten dat ze vrouwen waren en om genade smeekten, werden neergeschoten met revolvers die praktisch op de huid werden geplaatst, dat uren na de aanval, terwijl er geen militante indiaan meer in het kamp was, de kinderen als schietschijf werden gebruikt. Hoe erg ook de gebeurtenissen de eerste dag waren, de deelnemers eraan kan men nog de opwinding van het gevecht als excuus geven(zegt Curtis) bij de gebeurtenissen van de tweede dag gaat dit echter helemaal niet meer op, toen de soldaten hun doel veranderden en het compleet vernietigde kamp betraden om op zoek te gaan naar de lichamen van de Indianen en deze te scalperen en verminken. Op deze dag verscheen er een klein naakt kinduit zijn schuilplaats in het kamp en de soldaten vochten onderling om wie hem neer mocht schieten. Nog niet tevreden met hun resultaten op het slachtveld hadden de teruggekeerde troepen hun eigen scalpdans en deze voerde zij en masse op in het plaatselijke theater met daarbij 50 scalpen. …. Zucht…
De deelnemers aan deze gebeurtenissen verdedigden zich met het argument dat de Indianen in het kamp geen gevangenen waren, zij in de voorafgaande maanden vele misdrijven hadden gepleegd en dat ongeacht de status van het kamp, dit een goede les zou zijn voor de andere indianen die men niet kon bereiken.
De Sand Creek affaire, als een les voor de indianen, sloeg de angst in de harten van de Cheyenne, zowel de vreedzame als de vijandelijke, maar in plaats dat het hen weerhield van verdere vijandelijkheden, voedde het hun behoefte aan wraak en de kolonisten in de omgeving betaalden flink voor hetgeen de Cheyenne was aangedaan. Binnen 6 weken, op 7 januari, 1865, werd er door de Cheyenne een succesvolle aanval gedaan op de militaire post bij fort Sedgewick in Colorado e niet veel later werd het stadje zelf platgebrand. Één van de meest brutale daden van de Cheyenne uit wraak, was de aanval op het garnizoen bij de kruising met de Platte rivier. Hierbij kwamen 40 soldaten om en werden 15 soldaten tot de dood gemarteld voor de ogen van hun kameraden. Vervolgens was er een periode van relatieve rust. Het was tijdens deze periode dat een groot aantal Cheyenne, als gevolg van de inspanningen van Jesse H. Leavenworth , deelnamen aan een vredesbijeenkomst op 14 oktober, 1865, aan de Little Arkansas. Volgens het verdrag dat hier gesloten werd kregen de Cheyenne een klein reservaat, gedeeltelijk in Kansas en een gedeelte in Oklahoma. Het reservaat liep van :” de mond van Red Creek of Red Fork, van de Arkansas rivier, dan tot aan Said Creek of Fork tot aan zijn bron, dan naar het westen tot aan een punt aan de Cimerone rivier, tegenover de mond van de Buffalo Creek, dan noordwaarts tot aan de Arkansas rivier, dan naar beneden hetzelfde naar het begin” ( letterlijk vertaald).
Toen dit verdrag voor de Senaat kwam voor ratificatie werd het zo gewijzigd dat het deel waarin het reservaat werd toegezegd, praktisch verdween. Het verzoek aan de president werd gedaan om een reservaat te definiëren, maar het was zo verwoord dat hij het reservaat niet kon vaststellen zoals het was toegezegd in het door de Indianen ondertekende document. In dit verdrag deed de stam afstand van alles wat hen aan gebied was toegezegd, daarmee bevestigende het verdrag wat de 6 Chiefs in 1861 hadden getekend. Hier dan ook het antwoord op de vraag waarom de strijd met hen werd gestimuleerd. Al hun gebied was hen afgenomen door de blanken en door hun afkeer van dit onrecht hadden ze van tijd tot tijd een geldig excuus voor hun vijandelijkheden.
De zesde paragraaf uit het verdrag van 1865 is een mooi stukje satire: “ als dank voor het grote onrecht dat jullie is aangedaan bij Sand Creek, zullen wij u toestaan een aantal gebieden te kiezen, binnen de door ons aangegeven grenzen, die voor de komende vijftig jaar zullen worden vastgesteld”. Wat een schadevergoeding!! Er was geen mannelijke inwoner van de VS. die zojuist uit de gevangenis, het recht had om een vergelijkbaar stuk grond te claimen, met de daarbij horende rechten van verkoop en eigendom. Zoals te begrijpen bracht dit verdrag niet de, zo gewenste, rust tussen de Cheyenne en de blanken. Vijandelijke fracties van de Cheyenne, gesteund door de Arapaho en Sioux, plunderden volop de blanke nederzettingen en bleven zich verzetten tegen het arriveren van blanken in het gebied. De officials van het bureau van indiaanse zaken beweerden echter dat zij alles onder controle hadden. Ondertussen marcheerde generaal Hancock naar een groot vreedzaam Indianenkamp, onder leiding van Chief Roman Nose, aan de Pawnee Fork. De generaal stuurde een boodschapper vooruit met de boodschap dat hij voorbereid was op zowel vrede als oorlog, wat ze ook wilden. Roman Nose en andere Chiefs ontmoetten de Generaal op gepaste afstand van het kamp en vroegen om een vergadering en benadrukten dat de vrouwen, met Sand Creek in hun gedachten, het kamp zouden ontvluchtten zodra de soldaten dichterbij zouden komen. Het verzoek werd echter genegeerd en toen Roman Nose en zijn Chiefs opnieuw het verzoek deden, de soldaten waren nu op 10 mijl afstand van het kamp, om te stoppen en te overleggen, gaf de generaal aan dat hij pas zou stoppen op een mijl van het kamp. Zoals de Chiefs al hadden aangegeven, sloegen de vrouwen op de vlucht toen zij de soldaten aan zagen komen. Nadat het donker was geworden gaf de Generaal de bevelen om het kamp te omsingelen en de resterende Indianen gevangen te nemen. Men kwam er echter al snel achter dat ook de mannen waren gevlucht en het feit dat de bevelen waren gegeven om iedereen gevangen te nemen, bewijzen dat dit een juiste beslissing van de Cheyenne was geweest. Het kamp werd platgebrand en een detachement onder het bevel van Custer werd achter de vluchtende Cheyenne aangestuurd. Custer achtervolgde de Cheyenne enkele dagen, maar uiteindelijk leverde het hem niets op, echter de Cheyenne waren wederom woest en de blanken zouden dit gedurende de rest van het jaar ondervinden. Voor de VS. werd de situatie onhoudbaar, de problemen met de Cheyenne en andere stammen bleven voortduren, koste honderden levens en miljoenen dollars. Daarom werd er door de regering een Vredescommissie opgericht met als doel het probleem van de Indianen te bestuderen. Door deze inspanningen werd het verdrag van Medicine Lodge van 1867 gesloten en wederom kregen de Cheyenne een reservaat toegewezen, maar ze kregen wel minder annuïteiten van de regering. Het jaar daarna raakten de Cheyenne ontevreden omdat de regering wederom zijn afspraken niet nakwam rondom de levering van goederen en geweren aan de Indianen. Na een lange periode van vertraging werden de goederen uiteindelijk geleverd aan een groot deel van de Stam en begonnen de Cheyenne meteen te jagen om hun voedselvoorraad veilig te stellen. Een groep van zo’n twee honderd krijgers, voornamelijk Cheyenne, deden het doen lijken dat zij op oorlogspad naar de Pawnee gingen, maar uiteindelijk begonnen zij met het aanvallen van de kolonisten aan de Saline rivier in Kansas. De eerste aanval werd gepleegd door Ohehemohe, wiens broer, White Antilope was omgekomen bij Sand Creek. Men beweerd dat deze war- party zijn ontstaan vond als gevolg van het niet leveren van de beloofde wapens. Kolonel Wynkoop, hun agent probeerde nog het opstandje te voorkomen door de leider van de groep te straffen, maar voordat hij kon handelen, werden ze van alle kanten belegerd door het leger. Het daarop volgende jaar was er sprake van complete oorlog en deze was het meest desastreus voor zowel de Indianen als de blanken tot dan toe. Kolonel Forsythe en zijn compagnie vrijwilligers, waren op pad om op indianen te jagen, gewoon voor de fun en hij vond de Party aan de Arickaree rivier. De groep Cheyenne stond onder leiding van Chief Roman Nose wiens kamp bij Hancock was platgebrand en dit was de eerste kans voor hem op wraak. Hij ging er helemaal voor desnoods ten koste van zijn eigen leven. De mannen van Forsyth leverden die dag een slag waarbij zij vochten als leeuwen, tegen een geweldige overmacht.
Op 27 november deelde Custer een vernietigende slag uit tijdens “the Battle of the Washita”. Dit was de veldslag die Custer beroemd maakte als indianenvechter en het was het gemak waarmee hij de de indianen versloeg dat maakte dat hij de Sioux zwaar onderschatte toen hij hen tegemoet trad bij “Little Bighorn” in 1876. Generaal Carr vocht in diverse veldslagen met de Cheyenne en meestal won hij deze, waarvan de laatste, een belangrijke plaats vond op 12 juli, 1868, toen hij een Cheyenne kamp verraste en 68 van hen vermoordde. Het begin van het jaar 1874 was slecht voor de Cheyenne, wederom werden hun rechten geschonden door een constante inbreuk op hun rechten en vooral omdat professionele jagers honderden duizenden bizons afschoten op hun land. Deze smeulende ontevredenheid, vond zijn uitweg toen een groep jonge Cheyenne een kudde paarden terug probeerde te halen die van hen waren gestolen en te koop werden aangeboden in een nabij gelegen dorp. De eigenaar van de paarden, Little Robe, was op dat moment in Washington en ontving daar de garantie van de President dat de Cheyenne volledig beschermd zouden worden tegen paarden dieven en Bizon jagers. De indianen vonden dit echter maar een lege belofte en namen het recht in eigen hand, met als gevolg de volgende indiaanse oorlog, een oorlog waarin men zoals gewoonlijk, jong en oud, vriend en vijand doodden. Onder leiding van generaal Miles werd een agressieve campagne gestart die ervoor zorgde dat de opstand binnen twaalf maanden zo goed als beëindigd werd. Eén van de meest opvallende conflicten tijdens dat jaar vond plaats toen de Indianen de bizonjagers bij Adobe Hills in Texas in juni, aanvielen. Deze aanval kwam tot stand als gevolg van een medicijnman die claimde dat hij recentelijk een visioen had gehad, hij beloofde zijn mensen bescherming tegen de kogels van de blanken en een overwinning voor hen bij elk conflict. De bezinjagers bezaten echter een Fieldgun en waren natuurlijk uitstekende scherpschutters. Al snel waren de Indianen overtuigd van de valse beloften van de medicijnman. Zij werden verslagen, terwijl de jagers weinig verliezen leden. De bizonjagers verlieten hun kamp en opnieuw deed zich een situatie voor waaruit het barbarisme van die tijd bleek. De bizonjagers sneden de hoofden van de gevallen indianen af en gebruikte ze om de palen van hun omheining mee te versieren.
Op 3 juli, 1874, vond de aanval op de wagontrein van Hennessey plaats en zijn grove marteling. Op 13 augustus had Miles een schermutseling met de Cheyenne aan de Red Rivier. Op 26 september kwam majoor Mackenzie hen tegen bij Canon Blanca en hij versloeg de Cheyenne na twee dagen van strijd. Op 24 oktober veroverde majoor Schofield een groot kamp van voornamelijk comanche, met weinig verliezen aan beide zijden. Op 8 november versloeg luitenant Baldwin, de Cheyenne aan de noord tak van McClellan Creek. Op 28 december, nam kapitein Keyes een band Cheyenne gevangen aan de Canadian rivier. Tot slot arriveerde er op 6 maart 1875, een grote groep bij het agentschap in Darlington, in het huidige Oklahoma. Deze groep gaf zich over, maar omdat zij de blanken niet meer vertrouweden verstopte zij hun beste wapens op een heuvel in de omgeving. Men verklaarde dat de Indianen die zich overgaven in een erbarmelijke conditie verkeerde, honger leden en praktisch ongekleed waren.
De leiders van de recente vijandelijkheden werden voor straf gevangen gezet in fort Marion, Florida en daarvan waren er 33 Cheyenne van het Darlington agentschap. De rechtszaak was één grote farce, overigens.

Gedurende deze jaren van Cheyenne en Arapaho conflicten speelden de Noordelijke Cheyenne maar tweede viool. Zij hadden zich verbonden aan de Sioux en dan in het bijzonder aan de Oglala van Red Cloud. Het bongenootschap tussen beide stammen was zelfs zo, dat beide stammen gezamenlijk optraden tijdens de Black hills bijeenkomst van 20 september 1875. De roep betreffende goud in de Black Hills was gedaan en de prospectors en mijnwerkers trokken het land van de Sioux binnen zonder rekening te houden met het bestaande verdrag met de Sioux en in 1875 werd er een commissie gestuurd die een deel van de Black Hills moest zien te verkrijgen ten behoeve van de mijnbouw. De indianen stelden zich echter zeer arrogant op en hadden onmogelijke eisen, dus de commissie keerde onverrichter zaken terug. In navolging van deze bijeenkomst namen de Cheyenne, met de Sioux deel aan de vijandelijkheden tegen de blanken die de black Hills binnentrokken. Gedurende het jaar 1875 namen de incidenten met de indianen sterk toe en er werd door de regering zelfs overwogen om een sterk leger naar de Black hills te sturen om de Indianen aan te pakken. Deze overweging werd uiteindelijk omgezet in daden en generaal Crook, die de commandant over het departement rond de Platte Rivier was, kreeg de opdracht om een wintercampagne tegen de vijandige indianen te ondernemen. Het eerst conflict vond plaats op 17 maart, toen generaal J.J. Reynolds, met delen van de 2 de en 3 de infanterie en halfbloed verkenners, een Party tegemoet trad, bestaande uit voornamelijk Cheyenne, maar onder leiding van Crazy Horse(een Oglala), terwijl zij hun kamp hadden opgeslagen aan de Powder rivier in Montana. De aanval vond plaats op klaarlichte dag, het kamp werd onmiddellijk ingenomen en de tenten, materialen en munitie werden meteen vernietigd. Het duurde niet lang of de indianen openden een tegenaanval op de door de kou getergde soldaten. De aanval was zo heftig dat, voor sommigen op onverklaarbare wijze, het bevel gegeven werd om terug te trekken. Dit gebeurde met zoveel haast, dat de doden achterbleven op het slagveld. Dit was het resultaat van de wintercampagne van Crook, een vernietigd kamp en enkele gevangengenomen, waardeloze paarden.
Op 17 juni, 1876 liep het leger van generaal Crook, bestaande uit het2 de en 3 de regiment cavalerie en 4 de en 9 de infanterie en zo’n 250 Crow en Shoshone verkenners, tegen de hoofdmacht van de Cheyenne en Sioux aan. Zij hadden hun kamp opgeslagen in de heuvels ten westen van de Rosebud rivier, in Montana. De strijd was hevig vanaf het begin af aan en volgens de overlevering van zowel de Sioux als de Cheyenne en die van de Crow, zou het leger van Crook compleet verslagen zijn, ware het niet dat de Shoshone en Crow zich zo hevig verzetten dat het leger er vandoor kon gaan. Crook keerde terug naar zijn basiskamp dat hij had achtergelaten bij Goose Creek een kleine zijrivier van de Tongue rivier. Ongeveer synchroon aan de veldslag van Crook, trok Custer met zijn leger de Rosebud omhoog, hij stak de het gebied tussen de Rosebud en de Little Bighorn over en op 25 ste , zeven dagen na de Crook affaire, vond de Custer confrontatie plaats(Battle of the Little Bighorn).

Hoewel veel mensen denken dat dit een conflict met de Sioux betrof, waren er ook heel veel Noordelijke Cheyenne in het kamp aanwezig en blijkbaar beschouwden zij het lot van de Sioux als dat van henzelf.
Op 22 november van dat jaar, trad kolonel Mackenzie met 2000 troepen inclusief zijn indiaanse scouts, de Cheyenne tegemoet die hun kamp hadden opgeslagen bij Crazy Woman Creek in Wyoming. Hij viel bij daglicht en aan de aanval was een complete verrassing. De mannen, vrouwen en kinderen sprongen uit hun bed, praktisch zonder kleding en de soldaten, die in de meerderheid waren, dreven hen het kamp uit. Het weer was zo slecht dat de soldaten al hun kleding aan hadden om niet te bevriezen, dus hoe de indianen zonder kleding gelden moeten hebben is buiten beschrijving. Veel kinderen vroren dood gedurende de dag. Na de eerste aanval op het kamp, ondernamen de indianen een tegenaanval die de hele dag zou duren. De tenten en hun inhoud werden verbrand en de woede van de indianen moet angstaanjagend zijn geweest, toen zij zagen dat hun kamp, kleding en munitie vernietigd was. Dit was grootste nederlaag die de Cheyenne tot dan hadden geleden.
Chief Dull Knife was ronduit pissig over de aanval op zijn kamp en zocht onmiddellijk zijn toevlucht en steun bij zijn kameraad Crazy Horse. Deze wilde hem echter niet opvangen en ook niet steunen bij een wraakactie. Dull Knife was zwaar teleurgesteld en hij besloot zich over tegeven en het leger te steunen bij hun strijd tegen Crazy Horse, die hij nu verachtte. Aan het begin van het jaar 1877, gaf dull Knife en zijn band zich over bij het red Cloud Agentschap.
Gedurende de herfst van 1876 voerde generaal Miles met veel doorzettingskracht een campagne tegen de Teton Sioux onder leiding van Sitting bull en Chief gall en op 8 januari, 1877, ontmoette hij Chief Crazy Horse in het Wolf gebergte in Montana. Het slagveld was uitgekozen door de Chief, maar zijn overmoet kostte hem zijn kop en al snel waren de tenten van zijn kamp vernietigd en werd hij van het slagveld verjaagd. Misschien realiseerde Crazy Horse, na deze ondergang, dat het niet slim was geweest om Dull Knife en zijn grote groep volgelingen af te wijzen. Crazy Horse realiseerde zich dat verder verzet zinloos was en de Grote Sioux Chief met zijn volgelingen en de Cheyenne die bij hem waren gaf zich over. Praktisch de enige band die nog niet overwonnen was, was die onder leiding van Chief Lame Deer, die dacht dat hij en zijn band maar het beste in de wildernis en bergen kon blijven om problemen met het leger te voorkomen. Kolonel Miles zag het echter als zijn roeping ook deze laatste Cheyenne band op te jagen en op 1 mei 1877, verliet hij zijn kampement aan de Tongue rivier zo stiekem mogelijk in de hoop dat hij Lame Deer, die zijn kamp vermoedelijk aan de Little Muddy Creek had opgeslagen, te verrassen. Zijn plan lukte en op de ochtend van 6 mei overviel hij het kamp met weinig verliezen onder zijn troepen. Als gevolg van een ziekelijke fout van één van de soldaten, werd Lame Deer doodgeschoten terwijl hij de hand van Miles schudde. De Slag Bij de Little Muddy was het laatste conflict in de drie jaar durende oorlog tegen de Noordelijke Cheyenne. Het uiteindelijke resultaat van de campagne was dat een grote groep Cheyenne in 1877 naar het Indian Territory werd gebracht. Dit vochtige klimaat was echter vreselijk voor de Indianen uit het noorden en terwijl hun aantallen af namen als gevolg van ziekten en depressie, nam de zucht naar hun thuisgebied toe. Op 9 september 1878 ontsnapten Dull Knife en driehonderd van zijn mensen en trokken naar het noorden. Hun tocht werd er een van bloedvergieten en geweld, maar ondanks de voortdurende aanvallen en hun geringe aantallen, bereikten ze Dakota. De troepen werden echter opnieuw versterkt en aangevuld met Indiaanse scouts en de achtervolging van de Cheyenne ging door in Dakota. Op 23 oktober werden Dull Knife en zijn band gevangen genomen. Alleen little Wolf en een klein groepje slaagde erin te ontsnappen. De gevangen genomen Cheyenne werden naar fort Robinson in Nebraska gebracht en in een oude barak gegooid. Naar de bezwaren van de Cheyenne, om naar het zuiden gebracht te worden, werd echter niet geluisterd en al snel kregen de Cheyenne het bericht dat ze in januari terug gebracht zouden worden. Wild Hog hield nog een zeer inspirerende speech over het feit dat zij liever daar strijdend zouden sterven dan in het zuiden als gevolg van de ziekten, een strijd die een zekere dood zou beteken gezien het feit dat er nog slechts 49 mannen over waren en 99 vrouwen en kinderen. Het gevolg van zijn speech was echter dat de soldaten probeerden de indianen te onderwerpen door hen van de honger te laten sterven of te laten bevriezen. Zij kregen gedurende vijf dagen geen voedsel en brandstof en gedurende drie dagen werd de watervoorraad achter gehouden. Aan het einde van die periode verzochten de officieren wild Hog tot een overleg en men probeerde hem meteen te arresteren. Hij vocht als een wilde, maar uiteindelijk slaagde men erin om hem te boeien. Deze daad van verraad verbitterde de Indianen nog meer, die onmiddellijk de ramen van hun verblijf bedekten en in verborgenheid de vloer opbraken om de planken te gebruiken als barricade. In de nacht van 10 januari schoten de indianen hun wachten dood met stiekem verkregen geweren en braken uit. Het was een laatste hopeloze poging om hun weg naar de vrijheid terug te vinden. Onmiddellijk werd de achtervolging ingezet en de soldaten schoten op iedere indiaan die zij tegen kwamen. Die nacht stierven er 30 Cheyenne. De laatste worsteling van de overgebleven Cheyenne vond plaats op 22 januari toen, hoewel omsingeld door 4 compagnies cavalerie, 19 krijgers met hun vrouwen en kinderen weigerden zich over te geven. In de aanval die daarop volgde werden er 23 Cheyenne gedood en slechts 15 konden ontsnappen om zich bij Little Wolf te voegen. Op 25 maart werden die Chief en de overgebleven Cheyenne gevangen genomen en gevangen gezet. Hun langdurende verzet had er echter mogelijk wel toe geleid dat men overtuigd was geraakt van het feit dat deze indianen beter niet naar het zuiden konden worden gebracht en na een tijdje kregen de Noordelijke Cheyenne een klein reservaat toegewezen aan de Tongue rivier in Montana..boven begin

 

 

Reservaat

banner cheyenne

Northern Cheyenne Tribe
P.O. Box 128
Lame Deer, Montana 59043

Phone: (406) 477-6284
Fax: (406) 477-6210

Email:wallace@cheyennenation.com

saerg

100 Red Moon Crcl
Concho, OK 73022, Verenigde Staten
(405) 262-4794

Links

Cheyenne Culture and History

Facts for Kids: Cheyenne Indians (Cheyennes)

Cheyenne Tribe

 

 

boven begin