gastenboekrkaartr

Stuur een Emailtje bij vragenzoek op de websiteTerug naar het beginvolgende

taalgflokatiegfpopulatiegfbandsgfcultuurgfgeschiedenisgfreservatengflinksgf

Taal & Namen

De Goshute spraken het Shoshonean De Goshute maken deel uit van een grotere groep Shoshonean ( Numic) sprekende stammen die allen in het westelijke berggebied leefden. Zij verwijzen naar zichzelf als Newe (mensen) en ze gaan ervan uit dat ze een gezamenlijke afkomst hebben. Wanneer de Goshute in het gebied zijn gekomen weet eigenlijk niemand. De Goshute geloven zelf dat ze altijd in het gebied hebben geleefd.

Vanaf hun eerste contact met de blanken worden er verschillende termen gebruikt om naar de Goshute te verwijzen. Zo worden er vele verschillende spellingen gebruikt:Go-shutes, Go-sha-utes, Goship-Utes, Goshoots, Gos-ta-Utes, Gishiss, Goshen Utes, Kucyut, and Goshute.
Het woord Goshute komt voort uit het indiaanse woord Ku’tsip of Gu’tsip, wat zoveel betekend als As, droge aarde of woestijn en mensen. Nu wordt de term Kusiutta zowel door de taalkundigen als door de stam zelf gebruikt.boven begin

 

 

 

Lokatie

De Goshute Indianen leefden in een dunbevolkt en weinig bekend gebied van Utah. Er zijn twee Goshute reservaten. Eén ligt er op de grens van de staten Utah en Nevada en het tweede, kleinere reservaat ligt in de vallei van de “Skull” in de provincie Tooele, ongeveer 90 mijlen ten westen van Salt Lake City.
Zou je het gebied bezoeken, dan zou je, je serieus afvragen hoe mensen erbij komen om in dit gebied te leven. Het is een harde, dorre omgeving.
Voor de Goshute is dit gebied echter hun thuis en ze kijken er met andere ogen naar dan de “ toevallige” bezoeker. Voordat de blanken arriveerden leefden de Goshute er en kende zij het land door en door, ze wisten precies waar de mogelijkheden van het gebied lagen en waar de onmogelijkheden lagen. Ze koesterden hun thuisgronden.
Tijdens hun eerste contacten met de eerste blanken leefden de Goshute in zuidwesten van de woestijnen van het Great Salt Lake. Het is moeilijk om de grenzen van het land van de Goshute precies aan te geven door de grilligheid van het gebied en door de andere stammen die er leefden. Het gebied lag in ieder geval volledig in het Grote Basin.
Dit Basin was overigens niet één groot Basin zoals doet vermoeden, maar bestond eigenlijk uit 90 kleine Bassins die door zo’n 160 gebergten van elkaar waren gescheiden. Deze gebergten lopen allemaal van Noord naar zuid en variëren in grote van 30 mijl tot 100 mijl. Sommige bergen waren tot wel 12.000 voet hoog.
Zij werden van elkaar gescheiden door woestijnvlaktes die soms op zeeniveau lagen terwijl er ook op 5.000 voet hoogte lagen, dit waren gebieden waar de Goshute leefden. Het grote Basin is eenduidig in omstandigheden en heeft een soort van eigen drainage systeem dat niet uitvloeit in de zeeën .Er zijn gemeenschappelijk invloeden die er voor zorgen dat het klimaat in het gehele Basin ongeveer gelijk is. De Siërra Nevada schermt het gebied af tegen de regen en de afstand tot de oceanen is groot. De flora en fauna van het gebied zijn in vergelijking met de rest van de V.S. minimaal te noemen.
Het Goshute gebied wordt aangemerkt als steppe en woestijn gebied en wordt doorbroken door een bergkam. Het gebergte is gemiddeld 7000 voet hoog maar soms ook 12.000 voet. De valleien die er tussen in liggen zijn bedekt met grind, slib, zand en zout. Één gedeelte, de Bonneville zoutvlakten bestaan uit bijna puur zout en is ze goed als onvruchtbaar.
De woestijn van de Grote Zoutvlakten is het gebied wat het minst interessant is om in te leven. Het gedeelte van het Basin waar de Goshute leefde, had bijna geen rivieren en de stroompjes die in de gebergten gevormd werden, verdwenen in het woestijnzand. Zij waren dus afhankelijk van de gebieden hoger in de gebergten, daar kwam wel vegetatie voor en er liep wild rond. Voordat de Goshute voor het eerst met de blanken in contact kwamen leefde zij in kleine groepen, geconcentreerd rond de zuidelijke helft van het Great Salt woestijngebied. Men schat zo dat de bevolkingsdichtheid van het gebied, 1 bewoner per 40 vierkante mijlen was. Een groot deel van de Goshute bevolking, woonde zowel vroeger als nu op de grens van Utah en Nevada bij de Deep Creek Mountains, bij de huidige stad Ibapah. De Deep Creek vallei ligt op zo’n 6000 voet hoogte en wordt van de Grote zoutwoestijn gescheiden door het Deep Creek gebergte. Onmiddellijk ten westen van dit gebergte is een vallei die gevoed wordt door een kreek en bekend staat als de Vijftien- mijl kreek. In de omgeving van Ibapah komt de stroom samen met de “Spring Creek” en vandaar af aan word hij de “Deep Kreek” genoemd. Hij stroomt verder noordwaarts door het Deep Creek gebergte en eindigt in de Great Salt Lake Dessert. Andere belangrijke Goshute locaties waren de Bronnen van Simpson, Skull Vallei en Tooele Vallei , wat ook meteen de Oostelijke grens van het domein vormde. De Skull Vallei en Tooele Vallei zijn typische Grote Basin valleien, met er omheen hoge gebergten.boven begin

 

Populatie

Volgens Powell  waren er in 1873 nog 460 Goshute en 1885 waren dit er 256.

boven begin

 

(Sub)bands

De Volgende vormen de divisions of sub-tribes: Pagayuats, Pierruiats, Torountogoats, Tuwurints, en Unkagarits.

boven begin

 

Cultuur

In de woestijngebieden van de staten Utah en Nevada leven verschillende stammen, zoals de Paiute, Goshute, westelijke Shoshone en de Ute. De pioniers en ontdekkingsreizigers die het gebied bezochten ontmoetten kleine groepen die tot de stammen behoorden. Allen besteedden zij hun tijd aan het verzamelen van voedsel, gebruikten manden en geweven konijnen mantels, waarmee zij erin slaagde te overleven in een gebied waar niemand anders dat zou lukken. Omdat zij in kleine groepen leefden, vormde ze geen bedreiging voor de blanken en werden ze gezien als vreedzaam. Deze indianen die in Sagebrusch Wickiups en grotten leefden werden zonder aanzien des stams “ gravers” genoemd, verwijzend naar hun opgraven van eetbare wortels.
Father Pierre-Jean de Smet ontmoette in de late 1830’s of in de vroege 1840’s een groep indianen die op sprinkhanen jacht waren, of het Goshute of Paiute waren is niet duidelijk maar de jacht zou er hetzelfde hebben uitgezien. Hij schreef:“Zij begonnen met het graven van een gat met een diameter van zo’n 12 voet en het was 5 voet diep. Dan omsingelde zij een gebied van zo’n 4 of 5 hectare( afhankelijk van het aantal personen) en gewapend met takken sloegen zij op de grond. De sprinkhanen schrokken en sloegen op de vlucht. De kring werd steeds kleiner gemaakt tot men bij het gat aan kwam. Meestal leverde een dergelijke jacht, genoeg sprinkhanen op om het gat mee te vullen.”Lange tijd werden de Goshute gezien als één van de minst ontwikkelde stammen van Noord-Amerika. Mede door hun geografische isolement en het feit dat zij zich primair met overleven bezig hielden. De Goshute leefden in kleine groepen dus kon er van een sociaal-politieke structuur geen sprake zijn en ze stonden niet onder invloed van hun omgeving omdat ze zo geïsoleerd leefden. Het is echter eerder zo dat de Goshute wijze van leven, symbolisch is voor de typische manier van overleven in het Grote Basin. Een voorbeeld van hun exploiterende vaardigheden kun je vinden in hun gebruik van eetbare planten. De Goshute kende en gebruikte maar liefs 81 soorten. Van zevenenveertig gebruikten zij de zaden, 12 soorten leverde bessen op, en van 8 soorten at men de wortels en 12 soorten werden gebruikt voor “greens”? De zaden werden verzameld in platte blad- vormige manden door op de planten te slaan en was er teveel dan werd het in de buurt van de oogstplaats opgeslagen. Één van de belangrijkste voedselbronnen in het woestijngebied waren de noten van de Pinyon- pijnboom. Het was niet altijd zo dat er een goede oogst was, maar indien die er wel was dan verzekerde dat de Goshute van een winter zonder honger. Hun winter kampen bevonden zich dan ook meestal in de beurt van een oogstplaats. Als de oogst mislukte dan waren de Goshute meestal gedwongen naar een ander gebied te verhuizen of aan honger te lijden.
Wanneer de wintervoorraden uitgeput raakten dan waren de Goshute genoodzaakt om hun winterkampen te verlaten en op zoek te gaan naar voedsel. Met het begin van de lente konden ze nieuwe planten zoals “greens” eten en in de zomer konden ze opnieuw op zoek naar vruchten. Tegen het einde van de zomer waren de wortels en knollen rijp. In de herfst verzamelde de verschillende bands zich dan bij de gebergten om gezamenlijk de pinda’s te oogsten. De dagelijkse activiteiten van de Goshute, waren op effectieve wijze georganiseerd, met de familie als fundamentele economische eenheid. Het werk werd verdeeld op basis van geslacht. De vrouwen verzamelde de zaden, bereidde het eten en maakten manden en potten, terwijl de mannen op groter wild jaagden, gereedschap maakten, dekens weefden, schuilplaatsen bouwden en de mannen hielpen de vrouwen bij het vangen van knaagdieren, het dragen van de lasten en het verzamelen van grondstoffen. Wanneer er genoeg wild, zoals de Pronghorn antilope, in een gebied aanwezig was, dan kwamen de verschillende bands bij elkaar.
Deze manier van leven, onafhankelijk, maakte het onmogelijk dat er en centrale stammenontwikkeling plaats vond, al voelde de bands wel een verbondenheid. De Goshute hadden geen leiders door erfopvolging. In plaats hiervan kozen de bands een wijze man als leider, maar hij geen politieke macht.
De schaarste in het leefgebied van de Goshute, leidde ook tot een andere schaarste. Zij hadden bijna geen ceremonieën in vergelijking met andere indiaanse stammen. Men kende de Ronde dans wel, maar deze werd puur gebruikt om de zaden tot groeien krijgen, een dans was geen sociale aangelegenheid.
Het familiesysteem van de Goshute was eenvoudig. Afkomst werd geregeld via de kant van de moeder als van de vader. De regels met betrekking tot een huwelijk waren ook eenvoudig, men mocht ieder individu trouwen en eventueel ook een neef. De huwelijken zelf waren informeel en werden meestal geregeld tijdens een festival. Kinderen werden vernoemd naar gebeurtenissen, naar hun geboorteplaats, een andere goede plek of naar een dier.
Iedere volwassenen had een beperkte kennis van geneeskrachtige kruiden, de Sjamanen regelden speciale genezingen en Zweetbaden in de Zweethutten. Het Goshute zweetbad werd gebruikt zonder water. In plaats hiervan werden hete stenen of kolen gebruikt, die met aarde bedekt werden en de persoon moest erop gaan liggen. Een Sjamaan moest geneeskrachtige kennis hebben en hij moest ernstige ziekten kunnen behandelen. Hij verkreeg deze krachten via de “kleine mensen” of de “kleine man”, ook kon hij de krachten via dromen verkrijgen. Deze krachten kon men niet zoeken, zij waren een gift en een persoon kon kiezen deze te behouden.
De sjamaan was ook de basis van hun geloof, hij kon vijanden vervloeken en kwade vervloekingen opheffen. De manier van leven van de Goshute, maakte het dat zij weinig bezittingen hadden. Zij hadden geen paarden en de werktuigen die werden gemaakt waren puur voor het verzamelen en bereidden van voedsel. De materialen moesten licht en duurzaam zijn omdat zij steeds werden meegenomen wanneer men rondtrok. Door deze eisen aan de materialen te stellen, bestond het bezit van een Goshute uit manden, potten, eenvoudige kleding, een maal steen, vuurstenen messen en schrappers en persoonlijke dingen als ornamenten. De persoonlijke kleding bestond uit een schort, een rieten hoed en soms mocassins. Ook hadden ze een wintermantel van geweven konijnenhuiden.
De behuizing van de Goshute was ok simpel. Indien nodig werd er van Sagebrusch een ronde schuilplaats gebouwd, ook wel Wickiup genoemd en meer permanente behuizing was een grotere versie van deze Wickiup. De familie was niet altijd de maximale economische eenheid bij de jacht. Soms, bij het jagen op wild, zoals de Pronghorn, konijn, herten, bergschapen, en onder bepaalde voorwaarden, watervogels, vis en insecten, verhoogde een gezamenlijke jacht de opbrengst. De duur van deze jachten en het aantal personen verschilden. Voor de Goshute en hun buren de westelijke Shoshone was er maar zo weinig wild beschikbaar dat zo’n gezamenlijke jacht niet langer dan 2 tot 6 weken duurde. De groep bestond uit maximaal 2 dozijn families.
De jacht was een aanvulling op het dieet van de Goshute en het wild zorgde ook voor de benodigde huiden en botten om materialen mee te maken. Als men op klein wild als konijnen agenda werd dit meestal met familie gedaan. De mannen jaagden op het grote wild terwijl de vrouwen voedsel verzamelde. Een jager deelde zijn vangst meestal met andere dorpsgenoten, maar over het algemeen kon ieder gezin goed voor zichzelf zorgen.
Het grote wild, zoals herten en Pronghorn werd in koralen bijeen gedreven waar jagers op het wild stonden te wachten. Konijnen werden met netten gevangen. Sommige plantensoorten kon men maar in zo’n korte tijd oogsten, dat verschillende families elkaar op deze plaatsen ontmoetten, ondanks dat ze niet gezamenlijk oogsten. Pijnboompitten waren dus een belangrijke winterkost en hun keuze voor een winterkamp was dan ook vaak afhankelijk van waar deze geoogst konden worden. Grote zwermen sprinkhanen waren ook vaak een reden dat families elkaar tegen kwamen. De meest permanente, vereniging van verschillende families, was tijdens de winter als zij gezamenlijk een kamp opsloegen. Er waren echter wel voorwaarden verbonden aan de locatie van een dergelijk kamp. Er moest de mogelijkheid zijn om er voorraden op te slaan, er moest voldoende(brand)hout aanwezig zijn, water en het moest er niet te koud zijn.
Meestal vond men deze omstandigheden bij de monden van ravijnen of in de riem waar de jeneverbes en pijnboom voor kwamen in de bergen. Vaak werd er echter ook gekozen voor een visrijke rivier in een grote ravijn, waar verschillende families hun kampen dan op sloegen. Tijdens deze winterkampen vond er vaak een belangrijke gebeurtenis plaats. Verhalen vertellers verzamelden zich om de verhalen en mythen der Goshute aan elkaar en anderen te vertellen. Dit mocht alleen tijdens de winter, in feite was het zelfs gevaarlijk dit tijdens de zomer te doen. Haviken en Coyotes vormden belangrijke dieren in de verhalen van de Goshute.
Naast dierlijke mythen vertelde de Goshute ook verhalen over de “baby van het water”, die men kon horen huilen in de nacht, maar die stil werd zo gauw de zon opkwam, of het verhaal van “weinig mens” die de sjamanen hun krachten gaf. Ook werden er in de winter verschillende spellen gedaan, zoals het hoepelspel, handspel en verschillende wedstrijden.boven begin

 

 

Geschiedenis

De natuurlijke omstandigheden en de woeste omgeving, waarin de Goshute leefden, vormden een goede barrière tegen blanke inmenging. Het zou tot in de 19de eeuw duren voordat ze met hen in aanraking kwamen.
In het begin ontmoette ze hen sporadisch, maar ze hadden veel contact met hun buren. De periode van 1827 tot 1846 kun je in 3 stukken knippen:Ontmoeting met de slaven handelaren, met de stropers en met de vroege immigranten. Voor 1827 hadden de Goshute waarschijnlijk nog nooit een blanke gezien, maar wisten wel van hun bestaan. Ze ontvingen informatie en goederen via hun aanverwante buren de Westelijke Shoshone. Het indirecte contact met de blanken was er dan ook via hun indiaanse buren die rond hun geboorteland woonden en leefden. In het oosten en zuiden leefden de Ute, die er regelmatig op uit trokken om slaven te vangen en deze mee naar het zuiden te nemen, om ze te verkopen in New Mexico. Deze slaven- invallen, waren echter pas een voorteken van wat de Goshute tussen 1830 en 1859 zou overkomen.
Met het begin van de jaren 1830 naderde de Britse en Amerikaanse bonthandelaren het gebied van de Rocky Mountains en het is dan ook niet gek dat aan een groep van hen de eerste ontmoeting met de Goshute wordt toegeschreven. Deze groep stond onder leiding van S. Smith.
Smith en zijn mensen brachten de Winter van 1826-27 door in de buurt van de missie van San José, California.
Zij probeerden in de lente van 1827 de Siërra Nevada over te steken bij de Stanisiaus rivier maar werden tegengehouden door de sneeuw. Bij zijn tweede poging werd hij nog maar vergezeld door twee mannen: Robert Evans en Silas Gobel. Verder hadden 7 paarden en 2 muilezels bij hun. Het lukte het groepje om het gebergte over te steken, al verloren ze hierbij wel 2 paarden en een muilezel. Toen deze barrière eenmaal genomen was, zetten de heren hun tocht voort naar Bear Lake om daar een bijeenkomst van stropers bij te wonen. Smith reisde rechtstreeks naar Bear Lake en was daarom de eerste die schriftelijk verslag deed van een tocht recht door het gebied van de Goshute.
Zijn verslag begint op 22 juni 1827, nadat hij zojuist de Utah grens bij het huidige Gandy was overgestoken. Vandaar uit trok hij Noordwaarts langs de Snake en Creek stromen. Dit gebied was Goshute land.
Smith’s beschrijving was levendig en het geeft een mooi beeld van hoe de blanken het land van de Goshute zagen, desolaat en onvruchtbaar. Nadat ze het gebied door waren getrokken, bereikten zij Bear Lake. Hun reis was echter zeer zwaar geweest en ze hadden flink te lijden gehad onder het feit dat er geen wild voorkwam en water schaars was. Op een gegeven moment schreef Smith:”Evans, legde zich neer in de schaduw van een Cedar boom en zei dat hij niet verder kon. Wij konden hem niet meedragen dus verlieten we hem, op zoek naar water”.
Zij vonden een bron en Smith schreef:” Vlak voordat wij bij de bron aankwamen, zagen we twee indianen, die in de richting reisde waar we Evans hadden achtergelaten. Toen we twee schoten hoorden, schrokken we. Ik greep een keteltje water en rende naar de plek, alwaar ik Evans levend aantrof.” Ze brachten Evans snel op de been en het drietal trok verder.De twee indianen die Smith richting Evans zag lopen, waren Goshute en het was het eerste verslag van contact tussen blanken Goshute. Het verslag van Smith beschreef de gruwelijkheid van het landschap zo duidelijk, dat een ieder die het las, het ook doorgaf aan de andere stropers en het gebied ten westen en zuiden van het Great Salt Lake zou nog jaren door hen gemeden worden. De Goshute konden onverstoord verder leven.

Of dit nu daadwerkelijk de eerste ontmoeting tussen de Goshute en de blanken was of dat het enkel het eerste beschreven feit is zullen we nooit weten. Charles Kelly, een schrijver uit Utah, had gehoord van een vergelijkbare ervaring . Kelly citeert Isaac K. in het boek”hidden heros of the Rocky’s”:
“ jaren later, na de reis van Smith, vertelde de Paiute nog steeds over drie blanken die zij gezien hadden en die wankelend, half naakt door de westelijke woestijn trokken. Zij waren half gek van het inademen van het Alkali- stof”.
Waarschijnlijk waren dit Smith en zijn mensen, al komen dergelijke verhalen ook bij de Goshute voor en ongetwijfeld zijn er groepjes mannen voor Smith en na Smith geweest die op een vergelijkbare wijze in de woestijn hebben rondgelopen.
Er zijn geen redenen om aan te nemen dat er niemand voor Smith door het land van de Goshute reisde, maar er zijn geen schriftelijke verslagen van.

De volgende vermelding van de Goshute indianen is die in het dagboek van Osborne Russel. Hij zelf zag nooit een Goshute, maar kreeg zijn informatie van een groep Ute met wie hij samen leefden in het gebied van het Great Salt Lake, hij schreef: “ Tijdens mijn verblijf bij deze indianen(Ute), probeerde ik er achter te komen wat er ten zuiden van het Great Salt Lake lag. Het enige wat ik te weten kwam, was dat er een onvruchtbaar bergachtig gebied lag, dat bewoond werd door een ras van verdorven en vijandige wilden, die hun pijlen vergiftigden en die het onmogelijk maakten het gebied te betreden.”
Hoewel er zeker stropers rondom Goshute gebied bevonden, reisde schijnbaar geen van hen door het thuisland van de Goshute. In dat gebied bevonden zich ook bijna geen bevers, zodat er ook weinig reden was het gebied te betreden. Die stropers die toch het gebied betraden hebben blijkbaar weinig invloed op de aldaar wonende Goshute gehad. De eerste Euro- Amerikanen, die daadwerkelijk invloed op het dagelijks leven van de Goshute hebben gehad waren de Slavenhandelaren uit New Mexico. Het vangen en verkopen van Indiaanse slaven was al lange tijd aan de gang toen de Goshute er voor het eerst last van kregen. De Spanjaarden waren al meteen begonnen met het vangen van Indiaanse slaven toen ze de nieuwe wereld gingen verkennen. De nakomelingen van deze Spanjaarden breidde deze slavernij later uit tot aan de Goshute toe. In 1821 veroverde Mexico zijn onafhankelijkheid van Spanje en werd een onafhankelijke natie. Zij hieven onmiddellijk alle handelsbeperkingen met de Amerikanen op en er ontstond meteen een levendige handel langs de Old Spanisch Trail die van Santa Fe naar Los Angeles liep. Het was deze route die de slavenhandelaren in Utah bracht, alwaar zij al snel in aanraking kwamen met de Goshute en hen tot slavernij dwongen. De route zelf was aangelegd tijdens de Spaanse periode. De Spanjaarden hadden tijdens hun kolonisatie twee lijnen aangelegd, langs waar er nederzettingen gebouwd werden. De eerst liep langs de Noordelijk Rio Grande in New Mexico en de andere liep langs de Pacifische kust, waar missies gebouwd werden. Het was de bedoeling het gebied tussen de routes te verbinden en te koloniseren, zodat er een gigantisch nieuw bewoonbaar gebied zou ontstaan dat de Spanjaarden aan hun imperium konden toevoegen. Dit was het idee achter de Oude Spaanse route, maar het zou tot 1830 duren voordat er regelmatig verkeer tussen Los Angeles en Santa Fé op gang zou komen. Deze oude Spaanse route werd voornamelijk gebruikt voor de handel en deze bleef beperkt tot wat een paard of muilezel kon dragen, omdat wagens nooit de gehele route konden afleggen. Paarden en muilezels waren de belangrijkste handelsgoederen, maar ook kruit, kanonnen, dekens en messen, om maar een paar dingen te noemen, werden verhandeld. Het schadelijkste effect van de oude Spaanse Route was echter de behoefte aan Indiaans vlees. Het kopen en verkopen van indiaanse slaven werd een belangrijke economisch aspect van de route.
De slaven waren voornamelijk gekocht of gevangengenomen in het grote Basin en vervolgens op transport gezet naar het zuiden en westen, naar California en New Mexico. De meisjes en vrouwen kwamen bij rijke gezinnen terecht als bedienden, terwijl de mannen en jongens aan het werk werden gezet op boerderijen en landbouwbedrijven. De vraag naar slaven was groot.
In 1852 probeerde de overheid van Utah een einde te maken aan de slavernij. Er werd een wet aangenomen, waarin werd bepaald dat de slachtoffers moesten worden vrijgelaten.Het grootste deel van de slaven, was afkomstig van de stam der Paiute die leefden in het woestijngebied ten zuiden en westen van het Great Salt Lake. Net als de Goshute werden zij vaak “ gravers” genoemd omdat ook zij wortelen uitgroeven. Het feit dat ze vreedzaam en op eenvoudige wijze leefden, maakte hen tot gemakkelijke slachtoffers voor hun buren de Ute. Naast de Paiute, werden er ook Goshute en westelijke Shoshone gevangen genomen en verkocht als slaven, door de goed georganiseerde Ute.
Een van de bijwerkingen van het heropenen van de Oude Spaanse Route was dat als gevolg van de handel de positie van de Ute verbeterde en hun macht toenam. Diverse Ute bands trokken rond in New Mexico, Colorado en een groot deel van Utah. De Ute leefden al lange tijd op vriendschappelijke voet met de Spanjaarden en ze fungeerde al sinds lange tijd als tussenpersoon bij de slavenhandel. Met het heropenen van de route nam de omvang van hun betrokkenheid alleen maar toe. Tussen 1830 en 1854, bloeide de slavenhandel op en het was in deze periode dat de Goshute het zwaar te verduren hadden.
Het waren zowel de Pahvant Ute, die ten zuiden van de Goshute leefden, als de Timpanogas Ute, die rond het meer van Utah leefden, die verschillende invallen deden, in het land van de Goshute, op zoek naar vrouwen en kinderen om die te verkopen als slaven. Vooral kinderen werden gevangen genomen, omdat ze handelbaarder waren en ze nog getraind konden worden door de slaven- eigenaren. Cijfers zijn er niet, maar men mag aannemen dat de slavernij van grote invloed was op de populatie Goshute, vooral omdat er al niet erg veel waren. De angst om gevangen genomen te worden, leidde ertoe dat de Goshute steeds verder van water hun kampen opsloegen om zo de slavenhandelaren te ontlopen. De derde groep blanken met wie de Goshute in aanraking kwamen waren de vroege immigranten. Zij reisden over het land van de Goshute, op weg naar de Westkust. Het openen van de California en Oregon trails, vroeg in de jaren 1840’s, bracht een grote stroom immigranten op gang die nu de vruchtbare gronden in California en Oregon konden bereiken. Tegen het jaar 1846 trokken er duizenden mensen naar California, maar de meeste passeerde ver ten noorden van de Goshute en een enkeling trotseerde de “verboden woestijn” en reisde ten zuiden van het Great Salt Lake.
John C Freemont was in 1845 door het noordelijk deel van het Goshute land getrokken. In 1846 reisde Lansford W. Hastings naar het oosten van California naar Fort Bridger en hij doopte de route:”Hastings Cutoff”. Hij probeerde de immigranten over te halen deze kortere route te volgen en haalde wat mensen over door hen te wijzen op de onzin om eerst ten noordwesten van Fort Bridger te reizen, om vervolgens voorbij Fort Hall zuidwest- waarts te keren de Humboldt rivier te bereiken en dan naar California door te reizen. Hij geloofde dat er een directere wagenroute geopend kon worden ten zuiden van Great Salt Lake.
“Hastings Cuttoff” zoals de route bekend werd, liep ten zuiden van het Great Salt Lake en dan westwaarts door de woestijn om later de Humboldt rivier in Nevada te kruizen. Deze route doorkruiste niet alleen in van de meest ongastvrije gebieden in Amerika, maar ook het noordelijk deel van Goshute land. De eerste groep die deze route gebruikte was een gezelschap onder leiding van Bryant-Russell, in juli en Augustus van 1846. Het was een kleine groep met lichte bagage en ze reisde met weinig problemen langs de route en bereikte de Humboldt Rivier veilig.
Niet veel later volgde de Firma van Harlan- young die met de eerste wagens over de route reisde. Daar is geen verslag van. Maar wel van de tocht die de groep na hen maakte. Deze groep werd geleid door de Duitser Heinrich Lienhard en het dagboek dat hij in het Duits bijhield geeft inzicht in hoe de oversteek verliep.
Verreweg de meest bekende groep die in de zomer van 1846 de route volgde was de vierde groep”de ill-fated Donner-Reed party. De gevolgen van al dit contact met de blanken, waren verschillend en varieerde per groep. De immigranten en stropers schijnen weinig invloed op de Goshute te hebben gehad, terwijl de invloed van de slavenhandelaren groot was. Over dit effect kan alleen maar gespeculeerd worden omdat er geen harde cijfers bestaan. De slavenhandelaren maakten ook nog eens geen verschil tussen de verschillende stammen, voor hen waren het allemaal “gravers”. Vele van de Indianen die als Paiute genoemd worden kunnen net zo goed Shoshone of Goshute geweest zijn.
Om aan te geven hoe weinig contact er was: zowel in het verslag van Freemont, als in de verslagen van andere vroege reizigers worden de Goshute niet vernoemd. Meer contact met de blanken……Tussen de jaren 1847 en 1874 nam het contact tussen de blanke Amerikanen en Goshute toe. Er veranderde veel voor de Goshute omdat de blanke kolonisten steeds meer land van hen inpikten. In 1847 kwam er een stroom van Mormoonse kolonisten opgang die de Salt Lake vallei gingen bewonen en hun invloed op het leven van de Indianen zou snel toenemen.
Op 2 februari 1848,werd het verdrag van Guadalupe Hidalgo getekend, waardoor er een einde aan de Mexicaanse oorlog kwam. Als onderdeel van het verdrag, kwamen de VS in het bezit van het grootste deel van het huidige zuidwesten inclusief Utah en Nevada het thuisland van de Goshute. Nu stonden de Goshute onder Jurisdictie van de Amerikaans overheid en het eind van de 1850’s, dook hun naam op in de verslagen van de Ambtenaar van Indiaanse zaken.
In de jaren 1850, financierde de overheid, verschillende onderzoeken naar mogelijkheden voor spoorwegen en handelsroutes over het land van de Goshute. Deze onderzoeken leverden veel informatie op over de gebieden waarin de indianen leefden. Er werd ook een door de mormonen gesponsorde Post- route , die van Sacramento naar Salt Lake City liep, opgezet, en deze liep dwars door het land van de Goshute. Begin jaren 1860 ontstonden ook de “pony- express” en een postkoets- route door het land van de Goshute. Op 24 juli 1847 bereikte de migratie van mormonen naar de vallei van Great Salt Lake, zijn hoogte punt. Het arriveren van al deze nieuwe pioniers leidde een nieuw tijdperk in voor alle indianen die in het Grote Basin leefden. Een levenswijze, die al honderden jaren bestond zou al snel grote veranderingen ondergaan.
De pioniers die in het gebied gingen leven, probeerden van het begin af aan de Indianen te verwesteren en ook probeerde zij hen tot de mormoons kerk te bekeren. Zogauw ze in de Salt Lake Vallei waren gearriveerd begonnen ze de omgeving te verkennen en al snel ontstonden er nederzettingen langs de riviertjes en in de veel belovende valleien. Een aantal van deze nederzettingen lag op Goshute land.
Het eerste noemenswaardige contact dat de mormonen met de indianen legden, was met de Utes. De contacten tussen deze mormonen en Ute verslechterde echter steeds meer, tot er in 1853 een oorlog tussen de beide groepen ontstond die bekend is geworden onder de naam”de walker oorlog”, vernoemd naar de Chief van de Ute,Wakara. Deze oorlog vertraagde de kolonisatie van de mormonen enigszins, maar uiteindelijk moesten de Ute het opgeven en claimden de mormonen de overwinning op deze vijandige indianen. Een belangrijk effect van deze oorlog was dat de Ute verspreid raakten. De Ute die in de Utah Lake omgeving leefden, moesten het gebied verlaten en ze settelde in een ander deel van de regio. Sommige van hen trokken naar de woestijn in het westen, het gebied van de Goshute. Sommige Ute- mannen trouwden met Goshute vrouwen en bekleedde belangrijke functies binnen de gemeenschappelijke groepen. Dit had weer als gevolg dat er tijdens de jaren 1860, conflicten ontstonden tussen de Goshute en de blanke kolonisten.
Een groep leden van de LDS kerk, inclusief voorganger Brigham Young, bezochten de Tooele Vallei, onmiddellijk nadat ze in de Salt Lake Vallei gearriveerd waren. De Tooele vallei ligt ongeveer 25 mijlen ten westen van Salt Lake City en omdat er geen grote natuurlijke barrières waren was de vallei makkelijk bereikbaar vanuit Salt Lake City. Op 17 juli 1849 betraden Brigham Young een groepje mensen opnieuw de vallei, op zoek naar een plaats op een gemeenschap op te richtten. In oktober 1848, arriveerde er een groepje bouwvakkers onder leiding van Ezra T. Benson in de vallei om er een Zaag-molen te bouwen. Dit was de eerste definitieve indringing in het gebied van de Goshute. Tijdens de winter van 1849-50 brachten zo’n 12 mormoons gezinnen de winter door in de Tooele omgeving. Om het kolonisatie proces beter te laten verlopen, gaf het bestuur van de mormoons gemeenschap, de opdracht om een weg van Salt Lake City naar de Tooele vallei aan te leggen. De VS Census van Utah, meldde dat er in 1850, 152 niet- Indiaanse mensen inde omgeving van Tooele leefden
Nu de kolonisatie op het gebied van de Goshute was begonnen, ging het in eens snel. Na de Tooele vallei, werden ook de omgeving van Grantsville en Pine canyon verkent en gekoloniseerd. In de zomer van 1851 werd er een fort gebouwd om deze kolonisten te beschermen. In 1852 werd het stadje Erda gesticht, waardoor Brigham Young kon verkondigen dat de de kolonisatie ten westen van de Tooele vallei geslaagd was. Erda werd in de eerste instantie gesticht door Ormus E Bates en werd toen Batesville genoemd.
De bewoners van Grandsville waren echter niet helemaal gerust op de aanwezigheid van de Goshute en in de herfst van 1852 schreven ze Young een brief waarin ze hem om advies vroegen. Ze waren bang omdat de Indianen in de omgeving met meer waren dan zij. De kolonisten wisten dat de indianen hen tot nu toe met rust hadden gelaten maar ze vroegen zich af hoe lang dat nog zou duren….. In de brief vroegen ze Young om nog eens een dozijn gezinnen te sturen om de nederzetting te versterken en hun veiligheid te garanderen. Er werd op het verzoek ingegaan en tegen 1853, toen de er een conferentie van de mormoons kerk was , waren er 159 kolonisten in de omgeving van Grandsville. Twee jaar later waren dat er 251 en was Grandsville op Tooele city na de grootste stad in de vallei.
Tooele bleef alsmaar groeien en werd de belangrijkste stad in de vallei. Tegen het jaar 1853 leefden er 602 leden van de LDS kerk in Tooele city. Door de groei ontstond er nog een nieuwe nederzetting. In 1854 ontstond de gemeenschap van Lake Point. In de eerste instantie werd de nederzetting E.T. city genoemd, naar de Mormoonse leider Ezra Taft Benson, maar later kreeg het zijn huidige naam. In de eerste instantie dacht men dat de nederzetting zeer welvarend kon worden, maar als gevolg van constante landbouw en irrigatie, verschraalde de alkali grond en werd het onmogelijk landbouw voort te zetten. Een ander probleem was het grote zoutmeer. Wanneer het regende dan nam het meer in grote toe en liep het over de gewassen die daardoor kapot gingen. Veel bewoners verhuisde naar Tooele City. Het houden van vee, gebeurde al vanaf het begin van de kolonisatie en de valleien werden gebruikt om het vee te laten grazen. Tegen de winter van 1854-55, overwinterde vee in het noord einde van de Rush Vallei, wat ten zuiden van Tooele ligt. Ook werd er een hut gebouwd ten westen van het Rush Vallei Lake. In 1855 werden er nog meer hutten gebouwd en overwinterde er veehouders. Begin 1865 moesten de veehouders uit de hutten vluchtten door de Indiaanse dreiging, maar in april keerde zij terug. In de eerste instantie werd de nederzetting, Johnson genoemd, later werd het Shambip, toen Clover en uiteindelijk kreeg het zijn huidige naam Rush Valley.
Nu waren er dus nederzettingen in de Rush, Tooele en Skull valleien. In middels leefden er zon 1008 niet Indianen in de omgeving van Tooele.
De laatste grote nederzetting die door de mormonen gesticht werd was Ibapah of Deep Creek in 1860. Met het stichtten van deze nederzetting werd ook het laatste stuk Goshute land gekoloniseerd. De Deep Creek regio loopt van het noorden naar het zuiden en ligt ongeveer 60 mijlen ten zuiden van Wendover in Utah. Geologisch gezien is het Deep Creek gebergte van groot belang, omdat er in de winter sneeuw valt, waardoor er zomers genoeg water in de vallei is. Het zelfde jaar dat de nederzetting gesticht werd begon ook de pony- express en een van zijn stations lag in Ibapah. De pony- express stations zorgde voor werk voor veel van de eerste kolonisten.
De nederzettingen Faust(1860), Vernon(1862), en Center-later Ajax- en Stockton(1864) vulde uiteindelijk de valleien in het oostelijk deel van het Goshute land.
Er waren ook nog andere gebeurtenissen die de Goshute met de blanken in contact zouden brengen. In 1850 verkreeg Utah Territoriale status en Brigham Young werd tot commissaris van Indiaanse zaken benoemd. Vanaf toen vielen de Goshute onder de verantwoording van de federale overheid. In 1853, stuurde de mormonen missionarissen naar de Indianen in hun omgeving, in de hoop hen te kunnen bekeren. Hoewel, deze eerste pogingen niet op de Goshute waren gericht. De mormonen zagen het als hun plicht om de indianen het woord van god te leren. Kolonisten, zoals Howard Egan, gaven de Goshute onderwijs in het landbouwen en na een tijdje lukte het de Goshute ook. De Deep Creek regio is een van de meest vruchtbare gedeelten van het land van de Goshute en het was dan ook hier waar de mormonen een boerderij bouwden om de Goshute te helpen “Amerikaans” te worden. In de zomer van 1854 werd er een privé postroute geopend die door Deep Creek liep naar California. Al snel werden er langs de route stations gebouwd, waarvan sommige bij de belangrijkste waterbronnen in het land van de Goshute. Deze station zorgde er uiteindelijk voor dat de Goshute in de omgeving geen water, zaden,kruiden, vis meer hadden.
Toen de relatie tussen de Mormonen en de federale overheid verslechterde, werd er besloten een leger naar het gebied te sturen, om de opstandige mormonen in het gebied aan te pakken. De Indianen in het gebied waren zeer geïnteresseerd in de aanstaande oorlog tussen de mormonen en de VS. Ze besefte echter niet de uitkomst ervan wel eens grote invloed op hen zou kunnen hebben. Een grote groep indianen verzamelde zich bergen ten oosten van Ogden, omdat daar de strijd tussen de mormoons militie en de federale troepen plaats zou vinden. Daniel Jones verklaarde dat terwijl zij kampeerde bij Echo canyon, wachtende op de federale troepen, er grote groepen Weber en Goshute in de buurt waren. Tijdens de winter van 1857-58 vonden er onderhandelingen plaats en werd er een verdrag gesloten. Het federale leger trok Salt Lake City binnen en er werd een militaire post gebouwd, zo’n 40 mijl naar het zuiden, in de Cedar vallei. De post werd camp Floyd genoemd en lag in het oostelijk deel van het Goshute thuisgebied. De post zou nog een korte maar belangrijke rol gaan spelen bij de contacten tussen de blanken en de indianen . De succesvol verlopen onderhandelingen tijdens de zogenaamde Utah War, kun je zien als een verschuiving van de macht, die zo’n 20 jaar zou duren. De niet mormonen namen de plaats van de mormonen in als het gaat om de invloed op de Goshute. De jaren 1850, brachten vele veranderingen voor de Goshute en aan het einde van deze tien- jarige periode leefden er meer dan 1000 niet-indianen op het Goshute land. Het grote aantal blanken bracht de Goshute in een lastig parket. De indianen waren gewend hun kampen op te slaan langs de riviertjes om zo gebruik te kunnen maken van het water en van het voedsel. Toen er steeds meer blanken het gebied in trokken, bouwde ze steeds meer nederzettingen en zaagmolens en maalmolens. Ook hadden de blanken het idee dat ze het alleenrecht op de bronnen hadden en zo ontnamen ze de indianen veel dingen die ze zo hard nodig hadden om te kunnen overleven. De Indianen namen wraak door de nederzettingen te beroven en het vee van de kolonisten te stelen. De conflicten liepen echter nooit uit op rechtstreekse strijd tussen beide partijen in tegenstelling tot het conflict tussen de Utes en de Mormonen in andere delen van het Utah gebied. Het was eigenlijk meer een uitputtingsslag en deze ging door in de jaren 1860. De rooftochten van de Goshute begonnen eigenlijk meteen zodra de mormonen het natuurlijke evenwicht uit balans brachten. In 1851 werd geschat dat de Goshute voor zo’n $5000 aan vee hadden gestolen van de mormonen in de Tooele omgeving. De mormonen reageerde op een vergelijkbare manier, ze trokken erop uit en vielen de Goshute dorpen aan om de gestolen goederen terug te halen en om de Indianen te ontmoedigen. Jacob Hamblin, een vroege pionier in de Tooele regio,vermeld dat hij en een aantal andere mannen er op uit werden gestuurd om iedere indiaan af te maken die ze tegen zouden komen. Na een mislukte poging om een Goshute dorp aan te vallen, keerde zij echter terug naar Tooele en melde dat beide partijen geen verliezen hadden geleden. één van de incidenten in 1851 draaide om een kleine kudde vee die van ene Charles White gestolen werd. De dieren werden van hem gestolen uit het gebied rond Black Rock aan het zuid einde van het grote zoutmeer. De indianen dreven de dieren langs Grandville de Skull vallei in, waar ze het vee slachtte om het vlees te drogen en het klaar te maken voor eventuele opslag. In de eerste instantie werden de Indianen door 14 mannen achterna gezeten afkomstig uit Salt Lake City en onder leiding van kapitein William Mcbride. De groep indianen was echter te groot om door de manen te worden aangepakt en er werd een boodschapper naar Salt Lake City gestuurd met het verzoek om versterkingen. Een legertje van 40 mannen onder leiding van generaal James Ferguson reageerde. Nadat ze nog eens tien man hadden opgepikt in Tooele, trokken ze naar de Skull vallei waar de indianen waren. Het kamp werd aangevallen en 9 indianen verloren het leven. Geen van de blanken kwam om.
De vijandigheid nam toe, toen ook niet mormonen het Goshute gebied binnen trokken. Aan het einde van het Utah conflict was Brigham vervangen als commissaris van indiaanse zaken door een niet mormoon, Jacob Forney genaamd. In 1858 legde hij het eerste officiële bezoek aan de Goshute vast , hij schreef: “ ik heb een kleine stam bezocht, die zich de Go-Sha_utes noemen, zij leefden zo’n 40 mijlen ten westen van Salt Lake City”Hij was geschrokken van de omstandigheden waarin deze indianen leefden en het gebrek aan materialen. Hij vervolgd:” Ik heb ze wat kleding en provisie gegeven, ze leefden hiervoor van slangen, hagedissen en wortels. Ik heb gepoogd een stuk land voor ze te vinden, maar ik vond niets wat ook geïrrigeerd kon worden. Het jaar erna, kon hij er nog volgende aan toevoegen;Deze band is een mengeling tussen Snake en Ute indianen. Een paar jaar geleden waren de Go-sha-utes nog een aanzienlijke stam. Hun Chief was zo’n 4 jaar geleden overleden en sindsdien waren ze uiteengevallen in kleine groepjes met uitzondering van een groep van 60, die zich hadden verenigd en een band hadden gevormd. Ze hebben een rustige en verstandige Chief die hen leidt. Deze band leeft nu permanent bij de Deep Creek Indian farm. De rest trekt rond in een gebied zo’n 40 tot 200 mijlen ten westen van Salt lake City.De Goshute veroorzaakte problemen door de post- route aan te vallen en vee te stelen. De commissaris van indiaanse zaken wilde daarom dat alle Goshute zich bij de boerderij in Deep Creek vestigden. Om dit te bereiken instrueerde Forney, Robert B Jarvis om naar Deep Creek te reizen en vervolgens naar de Ruby vallei, om de rond zwervende over te halen zich te verzamelen in de Deep Creek vallei. Dit zo moeten lukken omdat de mormonen al sinds lange tijd contact met de Goshute hadden en zo de weg hadden vrijgemaakt. Op weg naar Deep Creek, stopte Jarvis bij Simpson’s Springs, en terwijl hij daar was brachten 14 Goshute hem een bezoek. Hij sprak kort met ze en gaf hen toen cadeautjes. Hij instrueerde deze indianen om aan de rest van hun mensen door te geven dat Jarvis hen wilde ontmoeten, over een paar dagen in de Pleasant vallei.
Jarvis was echter zeer teleurgesteld toen hij in de vallei arriveerde en daar maar zo’n honderd indianen aantrof. Deze vertelden hem dat de rest niet wilde komen omdat ze bang waren te worden gestraft omdat zij vee hadden gestolen van het postbedrijf. Jarvis stuurde boodschappers rond om de rest over te halen toch te komen, maar het mocht niet baatten. Dus begon hij de conferentie zonder hen.
Het eerste punt was de verkiezing van een stammenhoofd en een sub Chief. Nadat dit was geregeld vertelde Jarvis dat hij gestuurd was door de Grote Vader, die wilde dat de indianen als zijn kinderen werden behandelt en hij wilde hen boerderijen geven zodat ze voor zichzelf konden zorgen. Deze Grote vader wilde zijn Goshute kinderen helpen, maar alleen als ze deden wat hij van ze verlangden. Jarvis ging door en vroeg de aanwezige indianen of ze bereid waren te werken net als de blanken om graan te verbouwen waarvan ze brood konden maken. Logischerwijs vonden de Goshute dit een goed voorstel en ze stemde ermee in. Ook vertelde hij hen dat hij had gehoord dat er veel vee was gestolen en dat de postbodes werden aangevallen. Jarvis, beloofde dat de Grote Vader het hen deze keer zou vergeven, maar indien de aanvallen doorgingen zou hij een leger sturen en hen allemaal doodden. De nieuwe Chief verklaarde dat de Goshute, vriendelijke mensen waren en dat ze de blanken niets wilde doen.
Uiteindelijk werd er door de overheid een boerderij in Deep Creek gebouwd en de gewassen werden geplant. Bijna 25 hectare graan en was aardappelen, uien, bieten en meloenen werden verbouwd. Aanvankelijk ging het allemaal goed met deze indiaanse boerderijen in Utah. In 1859 rapporteert Forney:” de boerderijen liggen op een goede locatie en de grond is vruchtbaar. De indianen werken hard en er zijn er meer die willen deelnemen zo gauw ze gevoed worden”.
Helaas voor de Goshute, nam Agent Jarvis, vlak daarna ontslag en al snel werd de boerderij verlaten. Dit was een van de vele voorbeelden die de Goshute frustreerden, de meeste wilde wel aan landbouw doen, maar het constante gewissel van overheidspersoneel vertraagde de definitieve vestiging van de boerderijen. Benjamin Davies, verving Jarvis als Goshute Agent en hij rapporteerde in 1860 dat de indianen alle vertrouwen in de overheid hadden verloren en dat de verbeteringen onzichtbaar waren.
In die tijd waren er ook andere federale officials werkzaam in het Goshute gebied. In 1859 was kapitein J.H. Simpson van het VS corps voor topografisch ingenieurs bezig met verkennen van een directe wagen- route van kamp Floyd naar Genoa in west Nevada Simpson legde veel waardevolle observaties vast over het dagelijks leven van de Goshute. Nadat de Pony- express en de postkoets route waren geopend werden deze constant aangevallen door de Goshute. Soms werden ook koetsiers en station chefs gedood. De postkoets- lijn bleef bestaan tot de Transcontinentale spoorlijn klaar was in 1869. Die spoorlijn liep door noord Utah , maar het spoor liep ten noorden van het Goshute gebied. Voordat deze spoorlijn klaar was, werd het Goshute gebied dus doorkruist door de belangrijkste communicatie lijnen tussen de oosterse VS en de westkust. De postkoets firma bouwde 22 stations op Goshute land en het verlies van bronnen van leven voor de Goshute moge duidelijk zijn. Benjamin Davies geeft een indicatie van de effecten van de stations op de Goshute:“ In sommige van deze bronnen kwamen grote hoeveelheden donker gekleurde vissen voor “the chub” genaamd en zo’n 4 inches lang. De indianen aten de vis in de winter maar de California mail Company heeft zijn stations voor het gemak bij deze bronnen gebouwd. Ze worden nu niet meer door de indianen bezocht.
Davies adviseerde dat de Goshute beschermd moesten worden tegen verdere bezetting van hun gebied, maar er werd niets gedaan met zijn advies. Ook werden er geen nieuwe pogingen gedaan om de Indiaanse boerderij nieuw leven in te blazen. De indianen werden echter vergeten en ze merkten dat de blanken langzamerhand al hun gebied probeerden in te nemen. Één van de reizigers die per postkoets de woestijn overstak was Samual Clemens( later bekend geworden als mark Twain) Zijn beschrijving van de Goshute geeft weer hoe de meeste blanken dachten wanneer ze met de Goshute in aanraking kwamen: “ We kwamen langs een van de meest verwerpelijke mensensoorten die ik ken. Ik bedoel de Goshute, hebben geen dorpen en ze komen nooit bij elkaar in stammen verband, mensen die wiens enige schuilplaats een struik is die de sneeuw enigszins buiten moet houden en toch bewonen ze één van de meest extreme gebieden dat er in ons land is.”Van dergelijke mensen konden de Goshute dus ook weinig hulp verwachten.
De aanleg van de transcontinentale telegraaf lijn had weinig invloed op de Goshute. Soms werden de indianen ingehuurd als ongeschoolde arbeider om materialen te vervoeren of om in de hoge palen te klimmen. Ook zagen de Goshute weinig blanken aan de lijn werken omdat hij weinig onderhoud vergde. Tegen het begin van 1860 waren de verhoudingen tussen de blanken en de indianen in het westelijk deel van het grote Basin erg verslechterd. De postkoetsen werden steeds vaker aangevallen en sommige van de kolonisten werden bedreigd. In mei van dat jaar werd er een detachement federale troepen naar het gebied gestuurd vanuit Kamp Floyd. De commandant van de groep was luitenant Weed en later werd gezegd dat de eenheid nuttig werk had geleverd tegen de Gosh Yuta. De blanken in het gebied waren echter nog niet gerust op de blijvende ontevredenheid van de Indianen. Op 8 mei 1860, vielen de Goshute, het postkantoor in Deep Creek aan en ze stalen een aantal paarden en doodden 1 man. De maand daarna werd het kantoor in Willow Springs, iets ten oosten van Deep Creek aangevallen. Hierbij kwamen geen blanken om, maar wel stierven er 3 indianen bij hun poging het kantoor te overrompelen. In juni werd ook nog het kantoor bij Antelope Springs aangevallen en in de brand gestoken, maar de arbeiders aldaar overleefden het allen. Het leger reageerde op de incidenten door troepen naar het gebied te sturen en de indianen achterna te gaan.. In Augustus, redde luitenant Weed en zeventien bereden soldaten, een man en een jongen in Egan Canyon. Beide werden door de Goshute gevangen gehouden. Toen de soldaten aanvielen werden er 17 indianen gedood. De indianen namen wraak. Express ruiters werden aangevallen en sommige veehouders meldden dat zij in hun kampen werden aangevallen. Ook vielen de indianen een stoet van immigranten aan in de omgeving van Egan Canyon, allen kwamen om. Bij aanvang van de Burgeroorlog in 1861, werd camp Floyd door de Amerikanen verlaten. Het verdedigen van de postkoetsen en stations werd overgelaten aan Mormonen die voor dat doel werden ingehuurd. Er zijn geen rapporten van verdere aanvallen, totdat het leger in mei 1862 terugkeert in de vorm van een detachement California vrijwilligers onder het commando van Kolonel Patrick Edward Connor. Nadat Connor en zijn mannen eerst een groep van bijna 300 Shoshone in zuid Idaho hadden uitgeroeid, besloot hij zijn aandacht op de lastige Goshute te richtten. De postkoets en mail- route waren inmiddels van groot belang in verband met het transport van goud uit California en zilver uit Nevada , bedoeld om de burgeroorlog mee te financieren. Iedere koets werd nu door soldaten begeleid en ook de stations langs de route werden beschermd door soldaten. Een groep, die bij Simpson Creek gelegerd was, besloot op Indianen jacht te gaan. Ze haalde een arbeider over om hen naar een Goshute dorp bij Coyote Springs te leidden. Het kamp dat aangevallen werd, was er één waarvan de Chief een belangrijke maar vriendelijke Pahvant Ute, Peahnamp genaamd, was. Hij was getrouwd met een Goshute vrouw uit Deep Creek. Ten tijde van de aanval was hij niet in het kamp aanwezig. Toen hij terug kwam ontdekte hij dat de soldaten daar waren geweest en dat ze velen van zijn mensen hadden gedood. In reactie op deze zinloze aanval, overviel de Chief een station en vermoorde hij 5 of 6 blanken. Één van de omgekomen mannen was William Rilley, de man die de soldaten naar het kamp had geleid. De indiaanse aanvallen bleven voortduren. Tijdens de winter van 1862-63 vielen ze 3 stations aan en 3 blanken werden gedood. In totaal verloor de Stage Company 17 stations, 150 paarden, en 16 mensen tijdens deze “Goshute war”. De indiaanse commissaris van dat moment, James Doty, gaf te overheid te kennen dat de indianen dit zonder provocatie hadden gedaan en dat er snel troepen moesten komen om de Indianen tot vrede te dwingen. Vele van de aanvallen die gepleegd werden schijnen gebeurd te zijn onder leiding van Pahvant Ute. De Goshute waren verdeeld, sommige van hen sloten zich bij de Ute aan, anderen bleven neutraal, erop vetrouwende dat de overheid en de mormonen hen zouden helpen bij het bouwen van boerderijen. Langzaamaan ontstond er ook verwarring, omdat niet precies duidelijk was welke stammen de aanvallen nu op hun geweten hadden.
De reactie van de overheid op de vijandigheden was het sluiten van een aantal verdragen met de Indianen van Utah en Nevada in 1863. In hun verdrag stonden de Goshute toe dat er een aantal routes over hun land mochten lopen en dat deze met rust gelaten zouden worden. Ook gaven ze toestemming voor de bouw van militaire posten en stations op hun gebied.. Als vergoeding hiervoor zouden de Goshute jaarlijks $1000 ontvangen en dat 20 jaar lang. Ook stemde de Goshute ermee in dat ze hun nomadische bestaan zouden opgeven en naar een reservaat zouden verhuizen. Het verdrag werd op 12 oktober 1863 getekend en in 1864 bevestigd en door president Lincoln op 17 januari 1864 bekend gemaakt. Met het verdrag deden de Goshute echter geen afstand van hun rechten op het gebied, het was eerder een vredesverdrag. Hoewel het verdrag inhield dat de Goshute moesten vertrekken, werd er geen gebied genoemd waarheen. De Goshute bleven dan ook gewoon op hun land leven alsof er niets gebeurd was, alleen namen de vijandigheden naar de blanken af .Voordat het verdrag van 1863 werd bekend gemaakt, had de federale overheid al gepland dat alle Utah Indianen in één groot reservaat zouden worden ondergebracht. Op 5 mei, 1864 stemde Lincoln er mee in het Utah reservaat in te richtten en vele van de Utah indianen gingen erna toe, de Goshute echter nooit.
In het verdrag met de Goshute werden geen afspraken gemaakt over eventuele boerderijen;toch meldde Doty in 1864 dat leden van de stam op boerderijen werkten bij Deep Creek en bij Grandsville. Daaruit concludeerde hij, dat als de overheid zou helpen de Goshute voor zichzelf zouden kunnen zorgen. Hij geloofde dat zij zich wilde settelen, omdat vele van hen gedood waren en ze om vrede smeekten. In 1864, kregen de Goshute de eerste goederen, maar het bleek maar een fractie van het geen ze nodig hadden om te kunnen overleven. De nieuwe commissaris van Indiaanse zaken, O.H. Irish, geloofde dat de Goshute vergoeding tot $5000 zou moeten worden verhoogd Irish vond de Goshute vredelievend maar de Mail Company dacht dat ze nog steeds een gevaar vormden. Als de oogst zou mislukken, dan moesten de Goshute wel overvallen plegen of omkomen van de honger. Irish geloofde dat de overheid de Goshute goederen moest geven om hen te helpen en de post te beschermen. Ook geloofde hij dat de Goshute niet langer in hun thuisland konden overleven. Dit gaf de overheid alleen maar meer reden om alle Utah indianen in een reservaat onder te brengen. In februari van 1865 werd besloten dat iedere indiaanse groep die niet naar het reservaat vertrok, geen overheids steun meer zou ontvangen en dat alle claims van indianen op land in Utah ongeldig werden verklaart en dat het land open stond voor kolonisatie en mijnbouw. De overheid liet Irish weten dat hij alles in het werk moest stellen om de Goshute, punt 6 van het verdrag, waarin stond dat ze naar een reservaat zouden vertrekken, na te laten komen.
Irish ontmoette vervolgens diverse leden van de Utah stammen en hij kwam met hen overheen dat ze alle landclaims in Utah opgaven. Afgesproken werd dat de Indianen nadat ze afstand van het land hadden gedaan, naar het Uinta Basin zouden vertrekken. Dit zou moeten gebeuren binnen een jaar na bevestiging van het verdrag. De overheid besloot de Goshute $25.000 te betalen over een periode van tien jaar, na deze tien jaar zouden de Goshute iedere tien jaar $20000 ontvangen en daarna de komende dertig jaar $15000. De Goshute werd verteld dat het “reservaat” in Deep Creek verkocht zou worden voor 62,5 cents per hectare en dat de opbrengsten aan hen ten goede zouden komen. De Senaat bevestigde het verdrag echter nooit en de Goshute bleven waar ze waren. In 1867 meldde toezichthouder F.H. Head, dat de indianen niet begrepen dat de senaat het verdrag moest goed keuren, en dat zij ontmoedigd waren doordat het verdrag nog niet was uitgevoerd. Tegen het jaar 1869 had de levensstijl en de cultuur van de Goshute een grote verandering ondergaan. Ze trokken niet meer rond door de woestijn zoals ze zo lang hadden gedaan, maar ze jaagden en verzamelden nog steeds. De meeste van hen hadden zich in de valleien van Skull en Deep Creek gevestigd op boerderijen en probeerden te overleven. De federale overheid probeerde deze levensstijl te stimuleren en ze hielpen de Goshute volop. In 1869 hadden de Goshute zo’n 30 hectare grond gecultiveerd in de Deep Creek vallei en de mensen in de Skull vallei hadden de steun gekregen van een Mormoon William Lee genaamd. De Goshute in de omgeving kregen de benodigde landbouw materialen en ze oogsten 1000 bushels aardappelen, bieten en wortels, hun tarwe oogst werd echter door sprinkhanen vernietigd.
Terwijl deze ontwikkeling plaats had, werden er ook nog steeds pogingen ondernomen om de Goshute naar een permanent reservaat te verplaatsen. Maar het grootste probleem was dat de Goshute bang waren voor andere indiaanse stammen en daarom werd er gesuggereerd dat zij een eigen reservaat moesten hebben. In de lente van 1870, merkte toezichthouder Tourtelotte op dat de Goshute in de Skull vallei aanleg voor de landbouw hadden. Ook merkte hij dat de blanken dit proces verstoorde door meer en meer het gebied van de Goshute binnen te trekken. Hij adviseerde de overheid dan ook, minstens een kwart van het land voor de Goshute- landbouw te reserveren. De Commissaris van Indiaanse zaken Ely Parker, herinnerde Tourtelotte er echter aan dat ook deze indianen naar het Uinta Basin moesten verhuizen. Tourtelotte schreef Parker echter een brief waarin hij uitlegde dat de Goshute niet cultureel verwant waren aan de Ute en dat het beter zou zijn hen bij de Shoshone onder te brengen. Begin 1871 werden zowel Tourtelotte als William Lee uit hun functie ontheven. De Goshute waren verward en wisten nu niet meer zeker of ze nog wel overheidssteun zouden ontvangen. Vanwege hun respect voor Lee, vroegen zij hem als hun woordvoerder op te treden. Lee nam de rol op zich en schreef een brief aan de nieuwe indiaanse Agent, kolonel J.J. Critchlow en probeerde hem over te halen de hulp aan de Goshute niet stop te zetten. Lee bekrachtigde zijn verzoek door te melden dat als de Goshute geen middelen van bestaan meer zouden ze terug zouden moeten vallen op oude gewoontes.
Aan het einde van 1871 stuurde de overheid George W. Dodge, met de status van Speciaal Indiaanse Agent, naar Utah om daar de situatie te onderzoeken. Hij plande op 9 januari een ontmoeting met de Goshutes en William Lee stelde hiervoor zijn boerderij beschikbaar. Schijnbaar was Dodge onder de indruk van de Goshute situatie, want hij diende meteen een verzoek in voor $2500 aan hulpgoederen. Ook geloofde Dodge, dat enige manier om te overleven, de verhuizing van de Goshutes betekende. Het was zijn voorstel om ze bij de Shoshone onder te brengen in het Indiaanse Territory in het huidige Oklahoma. Maar hierin waren de Goshute niet geïnteresseerd. In 1873 werden er opnieuw twee speciale Agenten benoemd om de situatie in Utah te onderzoeken. Het waren Powell en Ingalls. In hun eerste rapport vermeldden ze dat er in het gebied zo’n 400 Goshute rond zwierven en dat een aantal van hen aan landbouw deed. Beide heren waren het erover eens dat de blanke inmenging i het gebied grote gevolgen had gehad op de Goshute. In het belang van de Goshute vonden ook zij daarom dat deze verhuisd moesten worden en ze kregen van de overheid de opdracht het proces in gang te zetten. In December van 1873 maakten de heren hun laatste rapport op, waarin melding werd gemaakt van 256 Goshute in Utah en 204 in Nevada.
De Goshute verhuisde echter wederom niet naar een reservaat. In 1875 kwam het verzoek aan Powell om opnieuw informatie te geven en opnieuw rapporteerde hij dat de Goshute moesten worden verplaatst.
Als gevolg van al deze overheid rompslomp bleven de Goshute in hun thuisland. Lee bleef echter brieven voor de Goshute schrijven. Van 1880 tot 1910 veranderde er niet veel voor de Goshute, ze bleven waar ze zaten en er bleven meer blanken komen. Totdat in 1912 de president van de VS, William Howard Taft op 17 januari besloot om 80 hectare grond in de Skull vallei exclusief voor de Goshute te reserveren. Later op 7 september 1917 werd er 17920 hectare aan toegevoegd door president Wilson. Het Deep Creek reservaat werd op 23 maart 1914 gecreëerd, toen 34560 hectare land aan de Goshute werd toegewezen. Daarna werden er nog diverse malen stukken land aan toegevoegd zodat het reservaat toen 112.870 hectare besloeg. Door het creëren van deze reservaten waren de Goshute er eindelijk van verzekerd dat ze in hun thuisgebied konden blijven wonen.

Op dit moment is het Skull Goshute reservaat 17,248 hectare groot het totaal aantal Goshute dat tot de band behoord is 111 personen waarvan er 25 in het reservaat wonen. De meerderheid van de Skull vallei leden zijn werkzaam in de steden Salt Lake City, Grandsville, Stockton ,Tooele en Ibapah.
De Deep Creek Goshute hebben nog zo’n 70,410 hectare grond in Nevada en zo’n 37, 523 hectare in Utah

boven begin

 

Reservaat

boven begin

 

Links

boven begin