gastenboekrkaartr

Stuur een Emailtje bij vragenzoek op de websiteTerug naar het beginvolgende

Gros Ventre

taalgflokatiegfpopulatiegfbandsgfcultuurgfgeschiedenisgfreservatengflinksgf

Het Gros Ventre is een Algonkin taal. Zelf noemen zij hun taal Ahe of Aanmaning (witte klei mensen) en het word nog gesproken door enkele oudere Indianen in Montana. De meeste linguïsten beschouwen het Gros Ventre als een dialect van het Arapaho, toch hebben deze stammen verschillende culturele en politieke identiteiten. Van origine was de uitspraak van het Gros Ventre verschillend tussen mannen en vrouwen; de vrouwen gebruikten de “K” klank terwijl de mannen de “Ty” of “CH” gebruikten. Hoewel men de jonge Gros Ventre de taal opnieuw probeert te leren zijn de klank verschillen tussen mannen en vrouwen niet bewaard gebleven.

De Gros Ventre of Atsina vormden samen met de Arapaho een stam die langs de vallei van de Rode Rivier leefden. Begin 18de eeuw splitste de grote stam zich in tweeën, waaruit de Arapaho en de Gros Ventre ontstonden. De Arapaho trokken naar het zuiden en de Gros Ventre bleven in het gebied van de Saskatchewan. Atsina is het Blackfoot woord voor “goede mensen”, de andere Arapaho, die zich zelf als beter beschouwden noemden hen:” Hitunena” ofwel bedelaars. Andere omschrijvingen van de stam bevatten de woorden “honger”, “waterval” en “Big Bellies”.
Het eerste contact met de Gros Ventre vond plaats rond 1754. Dit was de tijd waarin de stam te maken kreeg met een epidemie van de pokken. Op dat moment leefden ze tussen de noordelijke en zuidelijke stromingen van de rivier de Saskatchewan. Rond 1793 kregen de Gros Ventre te maken met de aanvallen van de Cree en Assiniboin, die goed bewapend waren. In reactie hierop vielen de Gros Ventre de twee handelsposten van de Hudson Bay aan, die deze stammen van vuurwapens voorzagen. In 1862, kwamen de Gros Ventre in aanraking met de ontdekker en natuur onderzoeker, Prins Maximilian. Samen met de natuur schilder, Karl Bodmer, schilderden hij portretten van de Gros Ventre en deden verslag van hun ontmoeting met hen, vlakbij de rivier de Montana.
Na hun afscheiding van de Arapaho, sloten de Gros Ventre een Bondgenootschap met de Blackfeet en het is vanaf die tijd, dat we het meeste weten van de Gros Ventre. Tegelijk met het bondgenootschap met de Blackfeet, adopteerden zij ook de Plains manier van leven en trokken rond met tipi’s en bejaagden de bizon. Samen met de Blackfeet trokken de Gros Ventre rond in het Noord centrale deel van Montana en in het zuiden van Canada.

gros ventre man

In 1855 sloot, Isaac Stevens, de gouverneur van het Washington gebied, een verdrag tussen de VS en de stammen van de Blackfeet, Nez Perce en de Flathead, waarin de vrede tussen hen werd beklonken. De Gros Ventre tekenden het verdrag als onderdeel van de natie van de Blackfeet, wiens gebied, de jachtgronden werden voor alle stammen in de omgeving, inclusief de Assiniboin.
In 1868, stichtten de VS een handelspost bij de mond van de “Peoples Creek” aan de rivier de Milk. De naam van de post was Fort Browning. De handelspost werd daar gebouwd voor de Gros Ventre en Assiniboin, maar omdat het gelegen was in het favoriete jachtgebied van de Sioux, werd het in 1871 verlaten. Nadat het fort verlaten was, bouwde de overheid een nieuwe handelspost. Het werd Fort Belknap genoemd en lag aan de zuidoever van de rivier de Milk. In 1876 werd ook dit fort ontmanteld en de Gros Ventre en Assiniboin, die hier annuïteiten ontvingen, kregen de opdracht om voortaan naar Fort Peck en Wolf Point te gaan. De Assiniboin vonden het geen bezwaar om naar Wolf Point te gaan en vertrokken meteen. De Gros Ventre weigerden echter te vertrekken omdat ze anders in contact zouden komen met de Sioux, met wie zij in staat van oorlog waren. Zij deden nog liever afstand van hun annuïteiten dan naar Fort Peck te vertrekken.
In 1878 werd het agentschap bij fort Belknap heropgericht en de Gros Ventre en overgebleven Assiniboin kregen toestemming om daar hun voorraden op te halen. Hier werd later ook het Fort Belknap reservaat gesticht in 1888. Door een act van het congres van de VS van 1 mei 1888, deden de Blackfeet, Gros Ventre en Assiniboin afstand van 17,000,000 hectare grond en stemden ermee in naar drie kleinere reservaten te vertrekken; het Blackfeet, reservaat, Fort Peck reservaat en het Fort Belknap reservaat (vernoemd naar de minister van oorlog, van die periode).
In 1884 werd er goud ontdekt in de Little Rocky Mountains en onder de druk van het toenemend aantal goudzoekers en mijnondernemingen deden de stammen afstand van een deel van het gebergte in 1885. De jezuïeten arriveerden in 1862 in fort Belknap met als doel de Gros Ventre te bekeren tot het Katholicisme. In 1887 werd er de Missiepost van ST. Paul gesticht aan de voet van de Little Rocky Mountains, bij Hays. Veel van hun traditionele ceremonies verdwenen tijdens de periode die volgde. Hoewel, de twee heilige pijpen, De gevederde pijp en de Platte Pijp blijven een centrale plek hebben binnen het spirituele geloof van de Gros Ventre.

 

gros ventre tipi

De cultuur van de Gros Ventre was vergelijkbaar met die van andere Plains stammen. Zij voerden ceremonieën uit zoals de “Fly Dance”, Crazy Dance” en de “Zonnedans”, hun belangrijkste ceremonie. Tijdens deze ceremonieën, die in de zomermaanden plaats vonden , droegen de mannen grote verentooien, die hun status aangaven.
De vrouwen versierden de huiden, die ze voor hun kleding gebruikten, met de stekels van stekelvarkens. Wanneer een man tijdens een ceremonie overleed dan geloofde men dat hij naar “Bashnobe” ging, het grote zand.
De mannen droegen meestal een shirt bijeengebonden met een koord en versierd met de stekels van het stekelvarken. De vrouwen droegen een jurk, uit een stuk die reikte tot aan de enkels en ellebogen. Zowel de mannen als vrouwen droegen leggings en Moccasins gemaakt van hertenleer. De tipi’s waarin zij leefden werden gemaakt van 20 bizonhuiden, 24 palen, die ieder 10 meter lang waren.
De stam bestond uit circa tien bands die allen geleid werden door een Chief. De status van zo’n band of club, was afhankelijk van de leeftijd of het aantal leden, de oudste groep stond het hoogste in rang. Samen met de andere Chiefs van de bands vormden ze een raad. De hoofd- Chief bemoeide zich met de belangen van de stam, bepaalde de plaats waar men het kamp opsloeg en sloot de verdragen in naam van de stam. Wanneer er een verschil van mening was tussen de raad en de Chief, werden twee jonge mannen op pad gestuurd met twee bundels van stokjes. De een vertegenwoordigde de raad en de ander de Chief. Zij bezochten de tipi’s van de verschillende Sub- Chiefs en vroegen hen welke voorkeur zij hadden. De Sub- Chief nam een stokje van die jongen die zijn mening vertegenwoordigde en de jongen die terugkeerde met het minst aantal stokjes vertegenwoordigde het besluit van de stam.
Wanneer een man tijdens een gezamenlijke bizonjacht, tegen het bevel van een Chief in vooruit reed, werd het zwaar gestraft, omdat hij verantwoordelijk kon zijn voor hongersnood onder de stam.
De Gros Ventre van deze tijd houden zich voornamelijk bezig met akkerbouw en ranching.

Mooney (1928), schatte dat het aantal Gros Ventre in 1780 circa 3000 bedroeg. In 1904 waren er nog 535 Gros Ventre. Bij een telling in 1910 waren er 510 en in 1923 nog 586. De telling in 1930 spreekt van 631 Gros Ventre en in 1937 zijn er 809.