gastenboekrkaartr

Stuur een Emailtje bij vragenzoek op de websiteTerug naar het beginvolgende

De Iroquois

taalgflokatiegfpopulatiegfbandsgfcultuurgfgeschiedenisgfreservatengflinksgf

Ik denk dat het nu ongeveer 1 jaar geleden is dat ik begon met het verzamelen van de informatie over de Iroquois. Een klus, een forse klus, vooral omdat de geschiedenis van de Iroquois zo goed beschreven is en zo uitgebreid is. De Iroquois bestaan uit 6 stammen en hoewel ze en gezamenlijke geschiedenis hebben, hebben ze ook ieder hun eigen geschiedenis.

Taal & Namen

De Iroquois spraken het Iroquois een taal die vele stammen in het Noord Oosten spraken en neuw verwant zijn aan elkaar. De Grooste overeenkomsten zijn er tussen de Seneca en Cayuga en tussen de Mohawk en Oneida.

De naam Iroquois is een zeer herkenbare naam, maar zoals in veel gevallen komt de naam van de vijanden van de Iroquois. De Algonkin noemden hen de Iroqu(Irinakhoiw) ofwel “ratelslangen”. Nadat de Fransen hier Ois aan toe voegden werd het Iroquois. De Iroquois noemen zichzelf de “ Haudenosaunee” ofwel “de mensen van de longhousen”. Andere namen zijn: Canton Indianen; Confederatie Indianen; Ehressaronon(huron); De Vijf Naties; Massawomeck(Powhatan); Matchenawtowaig(Ottawa); Mengue(frans); Mingo; Mingwe(Deleware); Nadowa; Nadowaig; Nautowa(Ojiwe”Adders”) en na 1722 “de Zes Naties”.boven begin

Lokatie

Het oorspronkelijke woongebied van de Iroquois lag in de staat New York, tussen de Niagara watervallen en het Adirondack gebergte. Als gevolg van veroveringen en door Migratie, controleerden de Iroquois uiteindelijk het grootste deel van Noord- oost Amerika en Oost Canada. Twee uitzonderingen hierop waren het door de Mingo gecontroleerde gebied van de boven Ohio vallei en het door de Caughnawaga gecontroleerde gebied in de bovenstroom van de St Lawrence rivier. Tijdens de honderd jaar die vooraf gingen aan de Amerikaanse revolutie warden de Iroquois echter weer terug naar hun oude woongebied gedwongen als gevolg van hun oorlog met de door de franse gesteunde Algonkin stammen en de steeds verder oprukkende Engelse kolonisten. Hun beslissing om de kant van de Engelsen te kiezen tijdens de revolutionaire oorlog was uiteindelijk funest voor de Iroquoisboven begin

 

Populatie

Gezien hun invloed op de geschiedenis van Noord- oost Amerika is het verbazingwekkend hoe weinig Iroquois er in 1600 waren, waarschijnlijk minder dan 20.000( de vijf stammen gezamenlijk). Hun geografische ligging in de binnenlanden beschermde hun dorpen tegen de eerste westerse epidemieën, maar uiteindelijk bereikte deze hen wel in 1650. Samen met de constant strijd, leidde dit er uiteindelijk toe dat de totale populatie gehalveerd werd. Echter in tegenstelling tot de andere stammen in het gebied kwamen de Iroquois weer op sterkte doordat zij de door hen veroverde stammen assimileerden, waaronder de Huron, Neutral, Susquehannock, Tionontati en Erie. Rond het jaar 1660 waren er zo’n 25.000 Iroquois. Het assimileren van andere stammen ging echter wel gepaard met problemen, vooral het feit dat de Iroquois uiteindelijk een minderheid vormden binnen hun eigen confederatie.
Toch zorgde hun talent voor diplomatie en politieke eenheid ervoor dat de boel onder controle bleef. Er waren echter andere krachten in gang gezet die hun ondergang zouden betekenen. De assimilatie stopte echter bij de niet Iroquois sprekende stammen en vanaf dat moment nam het aantal Iroquois dan ook weer af. Ondanks de opname van de Tuscarora binnen de confederatie in 1722, waren er nog maar 12.000 Iroquois in 1768. Aan het eind van de revolutionaire oorlog, waren er nog maar 8.000. Vanaf dat moment trad er een langzaam herstel op en in 1940, telde de census zo’n 17.000 Iroquois. Op dit moment leven er circa 70.000 Iroquois in Canada en Amerika.
boven begin

 

(Sub)bands

 

Sub-Nations
Five
Cayuga, Mohawk, Oneida, Onondaga, en Seneca. Na 1722 werden de Tuscarora aan de  League toegevoegd als zesde lid zonder stemrecht

Cayuga
Gweugwehono. Op meerdere manier vertaal als "people of Oiogouen; where the boats were taken out; people at the lening; or people of the mucky len." Ook aan gerefereerd als  "those of the great pipe."
Namen
Ouioerrhonon (Huron)
Dorpen
Chondote, Genasetaigon (ONT), Ganogeh, Gayagaanhe, Gewauga, Goiogouen, Kawauka, Kente (ONT), Kiohero (Thiohero, Tiohero), Neodakheat, Oiogouen (Jesuit mission of St. Joseph), Oneniote, Onnontare (Onotare) (Jesuit mission van  St. Rene), Owego, en Skannayutenate

Mohawk
Kahniankehaka (Ganiengehaka) "people of the flint." Binnen de  League worden zij de "bewakers van de oostelijke deur" genoemd.
Namen
Agnier (French), Agnierrhonon (Huron), Maqua (Abenaki en Nederlands), Mohowaanuck (Narragansett "man eaters")
Dorpen
Canajoharie, Canastigaone, Canienga, Caughnawaga (ONT en NY-2), Churchtononeda, Kanagaro, Kowogoconnughariegugharie, Nowadaga, Onekagoncka, Onoalagona, Oquaga, Osquake, Saratoga, Schaunactada (Schenectady), Schoharie, Teatontaloga (Jesuit mission of Ste. Marie), Tewanondadon, Tionnontoguen, en Unadilla

Oneida
Onayotekaono (Onyotaaka) "people of the stening stone"
Namen
Onoiochronon (Huron)
Dorpen
Awegen, Cahunghage, Canowaroghere, Canowdowsa, Chittenango, Cowassalon, Ganadoga, Hostayuntwa, Oneida (Upper Castle), Opolopong (PA), Oriska, Ossewingo, Ostogeron, Schoherage, Sevege, (Tuscarora), Solocka (PA), Tegasoke, Teseroken, Tetosweken, Tkanetota, en Tolungowon (WI).

Onenaga
Onundagaono "people of the hills; place on the hill; people on the mountain." The "keepers of the fire" en "wampum keepers."
Namen
Onontaerrhonon (Huron)
Dorpen
Ahaouet, Deseroken, Gadoquat, Gannentaha, Gistwiahna, Kanadaseagea (Canenaigua), Kanatakowa, Onondaga, Onondaghara, Onondahgegahgeh, Onontatacet, Otiahanague, Teionontatases, Tgasunto, Touenho, en Tueadasso.

Seneca
Nundawaono "great hill people." Bewakers van de westelijke deur”  
Namen
Senecars, Sonnontoerrhonon (Huron)
Dorpen
Buckaloon (PA), Canadasaga, Caneadea, Catherine's Town, Cattaraugus, Chemung, Cheronderoga, Condawhaw, Connewango (2-PA), Cussewago (PA), Dayoitgao, Deonundagae, Deyodeshot, Deyohnegano (2), Deyonongdadagana, Dyosyowan (PA), Gaenowanang, Gadaho, Gahato, Gahayenuk, Ganagweh, Ganawagus, Ganeasos, Ganedontwan, Ganos, Ganosgagong, Gaonsagaon, Gaousge, Gaskosada, Gathtsegwarohare, Geneseo, Gistaquat, Gwaugweh, Honeoye, Jennesedaga (PA), Joneadih, Kahesarahera, Kanaghsaws, Kannassarago, Kashong (Cashong), Kaskonchiagon, Kaygen, Keinthe (ONT), Little Beard's Town, Middle Town, New Chemung, Newtown, Nondas, Oatka, Old Chemung, Onnahee (Onaghee), Onoghsadago, Onondarka, Owaiski, Skahasegao, Skoiyase, Sonojowauga, Tekisedaneyout, Tioniongarunte, Tonawena, Totiakton, Yorkjough, en Yoroonwago (PA)

Tuscarora
"shirt wearing people." Was van origine geen lid van de League. In 1722 sloten zij zich aan als lid zonder stemrecht nadat ze gedwongen waren om Noord Carolina te verlaten..
Namen
Akotaskaroren (Mohawk), Aniskalall (Cherokee), Ataskalolen (Oneida), Tewohomomy (Keewahomomy) (Saponi)
Dorpen
Shawiangto

Mingo
De naam komt van "Minqua," een Delaware woord verraderlijk, ook gebruikt voor de  Susquehannock en andere  Iroquian-sprekende stammen. De Mingo waren groepen onafhankelijke  Iroquois - mixed Seneca en Cayuga jagers met een groot percentage afstammelingen van de Neutrals, Huron, en Erie die door de  Iroquois waren geadopteerd gedurende de jaren 1650s. Zij vestigden zich in Ohio en west Pennsylvania begin jaren 1700s en vormden gemengde dorpen met de  Delaware en Shawnee die later arriveerden.
Namen
Cowskin Seneca, Neosho Seneca, Ohio Iroquois, en Seneca of Senusky
Dorpen
Logstown (Chininqué) (Delaware-Shawnee-PA), Mingo Town (OH), Pluggy's Town (OH), Sawcunk (Saukunk) (Delaware-Shawnee-PA), Sewickley (Shawnee-Delaware-PA), Scoutash's Town (Shawnee-OH), Seneca Town (OH), Sonnontio (Delaware-Shawnee-OH), Wakatomica (Shawnee-OH), Wasps (OH), White Mingo Town, en Yellow Creek (OH)


Caughnawaga (Praying(Christelijke) Indians of Quebec)
Collectief, de  Iroquois (voor het grootste deel Mohawk maar ook met aanzienlijke aantallen Oneida, Onondaga, en Cayuga) die , nadat ze tot het Christendom waren bekeerd door Franse jezuïeten, zich afscheidde van de  Iroquois League na 1667 en zich langs de  St. Lawrence Rivier bij Montreal vestigden
Sub-Tribes
Bay Quinte, Caughnawaga (Caughnawena, Conewaga, Coghnawagee, Kahnawake, Sault St. Louis for the Mohawks). La Montagne, La Prairie, Oka (Kanesatake, Lac des Deaux Montagnes, Lake of the Two Mountains, Scawendadey, Scenodidi), Oswegatchie (La Presentation mission), Sault au Recollet, St. Francois Xavier des prés, St. Jerome, en St. Regis (Akwesasne)
Pennsylvania Mixed Iroquois-Delaware Dorpen
Chinklacamoose (Seneca), Goshgoshunk (Seneca-3), Hickorytown (Munsee), Jedakne, John's Town (Munsee), Kickenapawling, Kittaning (Attigué) (Caughnawaga), Kushkuski (Kuskuski), Lawunkhannek (Seneca), Loyalhannon, Mahusquechikoken (Munsee-Seneca), Nescopeck (Shawnee), Ostonwackin (Cayuga-Oneida), Shamokin (Shawnee-Tutelo), Shenango (3), Sheshequin (Seneca), Skenenowa, Tioga, Venango (Seneca-Shawnee-Wyenot-Ottawa), Wyalusing (Munsee), en Wyoming (Munsee-Shawnee-Mahican-Nanticoke)


Ohio Mixed Iroquois-Delaware Dorpen
Coshocton (Koshachkink) (Munsee-Delaware-Shawnee-Seneca), New Town (Newtown) (1-NY en 3-OH), en Tullihas (Caughnawaga-Mahican-OH)


Niet gespecificeerde Dorpen
Adjouquay, Anpuaqun, Aratumquat, Chemegaide, Churamuk, Codocararen, Cokanuk, Conaquanosshan, Conihunta, Connosomothdian, Conoytown (Conoy-PA), Coreorgonel (Tutelo), Cowawago, Ganadoga (ONT), Ganagarahhare (PA), Ganeraske (ONT), Ganneious (ONT), Glasswanoge, Indian Point, Janundat (OH), Jonondes, Juniata, Juraken (2-PA), Kahendohon, Kanatiochitiage, Kanesadageh, Kannawalohalla, Karaken, Karhationni, Karhawenradonh, Kayehkwarageh, Manckatawangum (PA), Matchasaung (PA), Mohanet (PA), Newtychanning (PA), Ohrekionni, Onaweron, Onkwe Iyede, Oskanwaserenhon, Otseningo (Delaware), Otskwirakeron, Ousagwentera, Runonvea, Schohorage (PA), Sconassi (PA), Sittawingo (PA), Swahadowri, Taiaiagon (ONT), Tohoguse's Town (PA), Tonihata (ONT), Tuskokogie, Wakerhon, Wauteghe, en Youchamboven begin

Cultuur

Zoals ik al eerder aangaf waren de Iroquois de meest belangrijke Native groep van de Noord- Amerikaanse geschiedenis. Cultureel gezien, waren er echter veel overeenkomsten met hun Iroquois sprekende buren. Zij hadden allen een vrouwelijke opvolg structuur, met andere woorden de vrouwen bezaten alles en bepaalde de erfopvolging. De individuele Iroquois stammen waren verdeeld in drie clans: schildpad, Beer en wolf, allen onder leiding van de Clan moeder. De Seneca hadden net als de Huron acht clans: kraanvogel, Havik, Snip, bever en hert, schildpad, beer en wolf. Nadat ze getrouwd waren trok de man bij de vrouw in haar Longhouse. Deze uitgesproken, longhouses warden door de clans bewoond en konden wel 60 meter lang zijn. Zij waren gebouwd van een frame bedekt met de bast van de iep, het materiaal wat de Iroquois voor vele doeleinden gebruikten. De dorpen waren permanent in die zin, dat ze alleen verplaatst warden uit het oogpunt van verdediging of als de grond uitgeput was( iedere 20 jaar).
De producten van de landbouw vormden de belangrijkste voedingsbron voor de Iroquois. Mais Squash en bonen, warden “Deohako” genoemd of wel levensvruchten. Het belang van deze producten wordt bevestigd door het feit dat de Iroquois, zes landbouw festivals hielden voorafgaande aan de oogst. De vrouwen waren eigenaar van de akkers en bewerkten de grond onder toezicht van de Clan- Moeder. De mannen verlieten normaal gesproken het dorp in de herfst om te gaan jagen en keerden midden in de winter terug. De lente was het vis- Seizoen. Naast het bouwen van de huizen en het opruimen van de akkers, hielden de mannen zich voornamelijk bezig met het voeren van oorlog. De krijgers droegen hun haar in de bekende Scalplok(Mohawk), hoewel er later ook andere haardracht in de mode kwam. Terwijl de mannen hun lichaamshaar zorgvuldig verwijderden, droegen de vrouwen hun haar lang. Tattoo’s waren normaal bij zowel mannen als vrouwen. Marteling en kannibalisme waren enkele van de slechte gewoonten van de Iroquois, maar deze warden gedeeld met vele andere stammen ten oosten van de Mississippi. De “False Face” society was een Iroquois genezingsgroep, die grote houten maskers maakten om de geesten te verdrijven die verantwoordelijk waren voor de ziekten.

Het was echter het politieke systeem wat de Iroquois zo uniek maakten en hierdoor domineerden zij dan ook gedurende de eerste 200 jaar van de koloniale geschiedenis van zowel Canada als Amerika. Vreemd genoeg waren er dus niet zoveel Iroquois en de vijanden die zij in oorlogstijd versloegen waren vaak met twee keer zo velen als de Iroquois. Vaak geeft men als redden, dat de Iroquois in het bezit waren van Hollandse vuurwapens, maar de Iroquois overwonnen als gevolg van hun eenheid, gevoel voor redden en hun superieure politieke organisatie. Omdat de Iroquois federatie al gevormd was voor de eerste Europeanen arriveerden, hadden deze er geen invloed op gehad en het was eerder zo dat deze Europeanen leerden van de Iroquois met hun systeem van balans, controle en zeer goede wetgeving. Vrijwel zeker hebben de Iroquois met hun politieke systeem, invloed gehad op zowel de artikelen van de confederatie als de constitutie.
De Iroquois waren dus boeren en hun leiders warden gekozen door de vrouwen, een beetje vreemd voor de oorlogszuchtige krijgers. Gegrondvest om de vrede te behouden en onderlinge geschillen op te lossen was de Kainerekowa, de grote wet van de vrede waar kort gezegd in stond dat geen enkele Iroquois een andere Iroquois mocht doodden. De organisatiestructuur van de League was vastgelegd in 114 wampum’s en versterkt door een begrafenisritueel, de condolence genoemd. Een gedeelde rouw wanneer één van de Sachems overleed. De raad van de Iroquois, bestond uit 50 mannelijke sachems, die ook wel bekend stonden als Lords oftewel vredes Chiefs. De vertegenwoordiging van iedere stam stond vast: Onondaga14; Cayuga 10; Oneida 9; Mohawk 9 en Seneca 8. Zij warden voorgedragen door de Stam zijn Clan moeder(die ze goed als alle macht hadden). Het sachemschap was normal gesproken een levenstaak, hoewel ze afgezet konden worden bij misdraging of onkunde. Het embleem van hun bestuur was het gewei van een hert gedragen op het hoofd en geleid door een geheel mannelijke raad, heersten de sachems tijdens een periode van vrede. Oorlogschiefs warden gekozen op basis van geboorte, ervaring en kunde, maar zij regeerde alleen in tijden van oorlog. De central autoriteit van de Iroquois league was beperkt, waardoor iedere stam vrij was zijn belangen te behartigen. Tegen het jaar 1660 vonden de Iroquois het echter belangrijk om één front tegen de blanken te vormen en werd de individuele vrijheid van de stammen ingeperkt. In de prakrijk betekende dit dat de Mohawk en Oneida een partij vormden in de raad en de Seneca en Cayuga de andere. De hoofdsachem van de League was altijd een Onondaga en als” de bewakers van het vuur” met 14 sachems in de raad(niet in proportie met het aantal stamleden), vertegenwoordigde zij het compromis. Dit was een belangrijke rol, omdat alle beslissingen in de raad eensgezind moesten worden genomen, een van de zwakke punten van de League. Er was ook een pikorde binnen de raadsleden op basis van de welsprekendheid van de leden. De Mohawk, Onondaga en Seneca warden aangesproken als “oudere broeders” of “oom”, terwijl de Oneida, Cayuga en Tuscarora de “kleine broers” of “neven” werden genoemd.
Op deze manier, gebruikten de Iroquois een combinatie van militaire strategieën en goede diplomatie om hun rijk uit te breidden. Totdat hun eenheid ten val kwam tijdens de Amerikaanse burgeroorlog, bestreden zij de blanken op gelijkwaardige basis. De League was op zichzelf een prestatie, maar had zo zijn keerzijden. Het grootse probleem was dat de Iroquois hun macht niet wilde delen met de door hen veroverde stammen. Het gevolg was dat stammen zichzelf afscheidden en hun heil elders zochten, zoals de Mingo. Het feit dat de Iroquois vele stammen assimileerden, was e rook de redden van dat zij restanten van de door hen verslagen stammen, bleef achtervolgen. Dit omdat ieder vrij deel van een stam kon leidden tot een revolutie van binnenuit. De Iroquois league zag zichzelf als de verhevene en de andere Iroquois, sprekende stammen warden gezien als tweede rang burgers. Stammen die geen Iroquois spraken, warden al helemaal niet geaccepteerd binnen de League en konden ten hoogste lid worden van de “Covenant Chain” in essentie een militaire organisatie waarvan de Deleware en Mahican lid waren en later ook de Algonkin- talige en Sioux- talige stammen.
boven begin

 

Geschiedenis

 

Archeologische vondsten wijzen erop dat de Iroquois al lang in New York leefden voordat de eerste blanken arriveerden. De dorpen van de Iroquois begonnen rond 1350, steeds groter te worden en werden toen ook versterkt in verband met oorlogen. De Onondaga waren vermoedelijk de eerste van de Iroquois stammen die in New York leefden en zijn ontstaan toen twee grote dorpen samen gingen. De oorsprong van de vier andere stammen is niet zeker. Volgens de overlevering van de Iroquois, waren zij eerst 1 stam die in de vallei van de rivier de St Lawrence leefden, onderworpen aan een Algonkin stam, die hen het landbouwen leerden. Om onder het juk van deze Algonkin uit te komen zouden ze naar New York zijn gegaan, alwaar zij in 4 stammen uiteenvielen.
De exacte datum van het stichten van de Iroquois confederatie is ook niet bekend. Sommige beweren dat hij er al was rond 900 na Chr., maar de algemene mening is dat hij rond 1570 is ontstaan. Zeker is het echter dat alle Iroquois confederaties ( neutral, Susquehannock, Huron en Iroquois )zijn ontstaan voordat de eerste blanken arriveerden. De ontstaansreden van de confederaties is ook duidelijk. Hoewel de Algonkin Adirondack nog steeds een gevaar vormden, was het grootste gevaar de Iroquois, zelf, die constant onderlinge oorlogen uitvochten. Het gevaar van zelfvernietiging was aanwezig, totdat zij gered warden door de verschijning van een heilige Huron, bekend onder de naam “peacemaker”. Deganawida ontving een visioen van de schepper, over vrede en samenwerking tussen alle Iroquois stammen. Waarschijnlijk werd hij gehinderd door een taalprobleem, maar uiteindelijk slaagde hij erin het vertrouwen van Hiawatha te winnen, een Onondaga die erin geslaagd was een Mohawk Chief te worden. Met veel moeite slaagden beide erin de andere stammen ervan te overtuigen om hun onderlinge strijd te beëindigen en gezamenlijk een league te vormen. De oorlogen waren hiermee afgelopen en de vrede bracht de Ire en periode van welvaart. Ook bracht het hen politieke eenheid en militaire macht. Helaas echter bleef de grote vrede van Deganawida beperkt tot de Iroquois. Voor alle buitenstanders met wie de Iroquois problemen hadden begon er en periode van oorlog en er slaagde maar weinige stammen in om niet met de Iroquois in aanraking te komen.
De Iroquois, hoefden alleen de onderlinge vrede te bewaren en de individuele leden waren vrij te doen wat ze wilden. Bij de start van de confederatie ontstonden er twee fracties, de Seneca en Cayuga aan de enen kant en de Mohawk en Oneida aan de andere met in het midden de Onondaga. Maar ondanks deze splitsing was er wel sprake van eenheid , een eenheid waar hun vijanden niet tegen op konden. Tijdens een 50 jarige oorlog, die in 1570 begon, verdreven de oostelijke Iroquois, de Algonkin uit het Adirondack gebergte en uit het gebied van de boven st. Lawrence rivier, waarschijnlijk de redden van het vertrek van de Pequot en Mohegan, naar zuid New Engeland rond 1600. Er waren ook conflicten met de machtige Mahican confederatie in het zuiden, over de wampum handel en waarschijnlijk omdat zij Adirondack of Mahican bondgenoten waren warden ook de Pocumtuc in west New Engeland aangevallen door de Mohawk in 1606. Nadat zij een nederzetting bij Quebec hadden gevestigd in 1609, bereikten ook de Fransen de omgeving van Montreal. Wat ze daar aantroffen was een oorlogsgebied, waarin het mogelijk was om dagen langs de St Lawrence rivier te reizen zonder ere en ziel tegen te komen. De Algonkin en Montagnais werden door de Iroquois keer op keer aangevallen en kozen ervoor ver van de rivier weg te blijven.
De Fransen kwamen er echter maar om één redden, en dat was de bonthandel. Hun toekomstige handelspartners(Algonkin) wilde echter hulp bij hun strijd tegen de Mohawk en de Fransen kwamen in de verleiding om in een ander mans oorlog te stappen. Schijnbaar konden de Fransen niet anders, want het zou een belangrijke beslissing blijken te zijn.
In 1609 vergezelde Champlain, een oorlogspartij van Huron, Algonkin en Montagnais bij hun tocht langs de zuidkant van Lake Champlain. Toen ze daar op Mohawk strijders stuitten, brak er strijd los. Er volgde een veldslag van enkele dagen, waarbij de Fransen er, door middel van hun geweren, in slaagden de formatie van de Mohawk te breken. Een aantal Mohawk Chiefs stierven. Een jaar later vergezelde Champlain een andere aanval op een Mohawk fort aan de rivier de Richelieu. Hoewel de Mohawk inmiddels een nieuwe tactiek tegen de vuurwapens hadden verzonnen, slaagden zij er niet in de Fransen tegen te houden en werden zij in 1610 uit het gebied van de St. Lawrence rivier verdreven. De Algonkin en Montagnais namen bezit van het gebied en de bonthandel. Ondertussen gingen de Fransen verder met hun opmars ten westen van de Huron dorpen en maakten zij dezelfde fout door wederom betrokken te raken bij een aanval op de Onondaga in 1615.

iroquois

De Hollanders

Tijdens de jaren die er volgden betaalde de Fransen een flinke prijs voor hun bemoeienis met de onderlinge strijd. Vijandelijkheden van de Iroquois, verhinderde de Fransen om het Ontario meer te gebruiken en dus moesten zij een omweg maken over de Ottawa rivier om de westelijke meren te bereiken. De Iroquois hadden echter behoefte aan geweren en stalen wapens om zichzelf te beschermen en deze waren alleen bereikbaar door diefstal of door middel van de bonthandel, die gecontroleerd werd door hun vijanden. In 1610 arriveerden de Hollanders in de Hudson vallei van New York en dus konden de Ire en deel van hun probleem oplossen. Nog steeds onder druk van de Huron in het noorden, vochten de Iroquois rook een strijd uit met hun Susquehannock rivalen in het zuiden. Omdat de Hollanders vermoedden dat de Fransen hier achter zaten, steunden zij de Mohawk bij hun strijd tegen de Susquehannock. Dit bond de Mohawk aan de Hollanders, maar er waren problemen. De Mahican, die aan de Hudson leefden, blokkeerden de toegang naar de Hollanders en de Mohawk konden alleen over het Mahican gebied reizen als zij wampum betaalden. Hier waren de Mohawk niet blij mee en bij tijd en wijlen brak er strijd uit tussen beide stammen. Aangezien de oorlog tussen beide, de bonthandel beïnvloedde, arrangeerden de Hollanders in 1613 een vrede tussen de stammen. Vier jaar later ontstond er opnieuw strijd tussen de Mohawk en Mahican en moesten de Hollanders hun fort Nassau sluiten totdat er nieuwe vrede werd gesloten in 1618. Ondertussen had de Hollandse vraag naar bont een competitie gecreëerd over het land dat eerst gedeeld werd met diverse stammen in de Hudson vallei. Het oprukken van de Mohawk leidde ertoe dat zij in aanraking kwamen met een aantal noordelijke Munsee Deleware in het jaar 1615. De Mohawk functioneerden inmiddels als tussenpersoon voor alle Iroquois en zij hadden grotere ambities. In 1624 bouwden de Hollanders fort Oranje, dat dichter bij de Mohawk lag. Helaas, echter probeerden de Hollanders ook een deel van de bonthandel in het St. Lawrence gebied van de Fransen aft te pakken, door de Mahican als tussen personen te gebruiken bij hun handel met de Algonkin.
Handel met hun vijanden de Mahican ging te ver voor de Mohawk en in 1624 vielen zij de Mahican opnieuw aan, een strijd die de Hollanders niet konden verhinderen. De strijd duurde vervolgens nog vier jaar, waarbij de Mahican hun bondgenoten de Pocumtuc en Sokoki(westelijke Abenaki) betrokken. In de eerste instantie neigden de Hollanders erna om de Mahican te steunen. Hollandse soldaten uit Fort Oranje vergezelde een Mahican warparty in 1626. Zij liepen echter in een Mohawk val en er kwamen diverse Hollanders om het leven. Hierna besloten de Hollanders neutraal te blijven.
Tegen het jaar 1628, waren de Mohawk erin geslaagd de Mahican te verslaan en dwongen zij hen te vertrekken richting het oosten. De Hollanders accepteerden de overwinning van de Mohawk en benoemden hen tot voornaamste handelspartner en tussenpersoon. Het Iroquois thuisland was van grote strategische waarde, omdat het lag tussen het bont van de Grote Meren en de Hollanders in de Hudson Vallei. Inmiddels waren de Iroquois in staat om de Fransen in het noorden te houden en waren zij klaar om ook de handel aan de St. Lawrence rivier over te nemen.
Dit resulteerde in de Beaver Wars- 70 jaar lang strijd tussen de stammen in het gebied over de controle van de bonthandel. Nu bijna vergeten, waren de Beaver wars één van de meest cruciale periodes in de geschiedenis van Amerika. Nu de Mahican onderworpen waren, zetten de Mohawk de strijd voort richting hun bondgenoten de Sokoki en Pennacook. Dit had kunnen voortduren, ware het niet dat er inmiddels een derde Europese partij in het gebied was gearriveerd: de Engelsen, die in 1620 begonnen met de kolonisatie van New Engeland. Tijdens een oorlog tussen de Engelsen en Fransen in europa, slaagden een aantal huurlingen erin om Quebec op de Fransen te veroveren in 1629. Zonder de steun van de Fransen waren de Algonkin en Montagnais in het gebied erg kwetsbaar. De Mohawk zagen hun kans schoon en sloten een wapenstilstand met de Sokoki en trokken erop uit om de Algonkin dorpen aan de Trois Rivier te vernietigen. Tegen het jaar 1630 stonden de Algonkin en Montagnais om het punt om ten onder te gaan en zochten zij steun. De drie jaar daarna vonden zij deze bij niemand, totdat het verdrag van St. Germaine en Laye, er voor zorgde dat de Fransen, Quebec wederom in bezit namen. Toen de Fransen in het jaar 1632 terug keerden aan de St. Lawrence rivier, waren de Iroquois erin geslaagd hun eerdere verliezen goed te maken en stonden zij op het punt om heersers te worden langs de Boven St. Lawrence en van Ontario. De Iroquois hadden de bevers in hun thuisgebied uitgeroeid en wilde zij blijven handelen met de Europeanen, waarvan zij zeer afhankelijk waren geworden, dan moesten zij op zoek naar nieuwe jachtgebieden. Terwijl erg grote Iroquois warparty’s door zuid Ontario en de Ottawa valley trokken, probeerden de Fransen het machtsverschil in het gebied te herstellen. De Fransen voorzagen hun handelspartners van geweren om mee te “jagen”. Voorheen keken de Europeanen wel uit om hun handelspartners geweren te geven, hoewel ze makkelijker omgingen met de metalen messen. Het belang van de bonthandel was echter groot en deze voorzichtigheid werd ondergeschikt aan dat belang. In de eerste instantie waren de Fransen nog voorzichtig en gaven ze alleen geweren aan de bekeerde indianen en gaven ze maar beperkt munitie. Maar dit was al genoeg voor de Huron, Algonkin en Montagnais om de Iroquois terug te slaan, terwijl de Fransen hun Bonthandel opnieuw vorm gaven. De vuurwapens en stalen wapens vonden echter ook al snel hun weg naar de stammen waarvan de Huron als tussenpersoon fungeerden. Terwijl het aantalbevers in het oostelijke deel van de Grote meren snel afnam, gebruikten de Neutral, Tionontati en Ottawa krijgers hun wapens om gebieden te veroveren op de Algonkin en Sioux stammen in Lower Michigan en de Ohio Vallei. De Beaver Wars verspreidde zich dus naar het westen gedurende de jaren 1630 en 1640.
De Iroquois bleven echter bondgenoten van de Hollanders en om deze redden en vanwege vijandelijkheden in het verleden, ontliepen de Fransen de Iroquois liever.
Gehinderd door de militaire kracht van de Huron, wilden de Mohawk toegang tot de Noordelijke westelijke delen van hun thuisland om op bever te jagen. In ieder geval hadden ze de samenwerking met de Huron nodig om hun handel met de Hollanders in stand te kunnen houden. De Mohawk besloten een beroep op diplomatie te doen en stuurden een verzoek naar de raad van de Huron. De Huron zagen echter in dat ze in het voordeel waren en weigerden de toegang. Nadat de Huron ook nog een Iroquois jachtpartij hadden gedood op hun grondgebied brak er een grote oorlog uit. Hoewel de Huron en hun bondgenoten met twee maal zo velen als de Mohawk waren, trokken de Mohawk toch het gebied in om zo de Huron van de Fransen aft e snijden. Onderweg pakten de Iroquois een aantal franse nederzettingen mee, maar dit was niet hun hoofddoel, want het liefst wilden zij de Fransen neutral houden.
In 1634 werd ere en vrede met de Algonkin gesloten, maar het ging al snel weer mis toen deze Algonkin opnieuw handel wilde gaan drijven met de Hollanders. Twee offensieven los van elkaar drijven de Algonkin echter diep het gebied van de Boven Ottawa vallei in en de Montagnais warden teruggedrongen naar het oosten richting Quebec. Een pokkenepidemie in 1634 vertraagde de Mohawk opmars enigszins, maar de Seneca brachten de Huron een flinke slag toe in het jaar daarna. Tussen 1637 en 1641, betaalden de Huron een verschrikkelijke prijs voor hun contact met de blanken, toen er een serie epidemieën door hun dorpen trokken. Toen het einde hiervan in zicht was, hadden de Huron veel ervaren leiders verloren en bijna de helft van hun populatie, waardoor ze erg verzwakt waren. Terwijl de Fransen hun wapens aan de Huron en Algonkin gaven, deden de Hollanders hetzelfde met de Iroquois. De wapenwedloop die hieruit ontstond viel echter mee, totdat ook de Zweden een kolonie vestigden aan de beneden Deleware rivier in 1638. Om hun verlate start in de bonthandel goed te maken, hadden de Zweden weinig restricties bij het verstrekken van voorwapens aan de Susquehannock. Plotseling geconfronteerd met een goed bewapende vijand in het zuiden, deden de Iroquois een beroep op de Hollanders voor betere wapens. De Hollanders waren echter al kwaad op deze Zweden omdat zij het lef hadden in hun gebied een kolonie te vestigen en de bonthandel over te nemen en dus voorzagen ze de Iroquois van veel wapens en munitie, waardoor zij weer oppermachtig werden. Het eerste slachtoffer van deze herbewapening was echter geen Huron , maar een kleine stam ten westen van New York: de Iroquois sprekende Wenro. In de steek gelaten door hun Neutral en Erie vrienden, warden zij in 1639 door de Iroquois overlopen. Zij bleven zich verzetten tot 1643, maar de overlevenden warden uiteindelijk gedwongen te vluchtten en zij zochten hun heil bij de Huron en neutral.
De Grote verandering kwam echter toen ook de Boston handelaren zich met de Mohawk gingen bemoeien door hen wapens te verkopen, om zo monopolie van de handel met de Hollanders te doorbreken. Deze Hollanders reageerde hierop door de Mohawk zoveel wapens te verkopen als zij wilde hebben. Het leidde tot een escalatie van de strijd en de Iroquois, nu zelfs beter bewapend dan de Fransen waren in het voordeel. Ondanks dat slaagden de Huron er toch in twee grote overwinningen op de Iroquois te behalen in 1640 en 1641. Binnen een jaar slaagden de Iroquois er echter in om de laatste Algonkin en Montagnais uit het gebied van de Boven St. Lawrence te verjagen. De Fransen bouwden zo snel mogelijk forten om zichzelf te beschermen, maar dit bleek niet voldoende te zijn om hun nederzettingen te beschermen tegen de aanvallen van de Iroquois. De stichting van Montreal aan de Mond van de Ottawa verkleinde de afstand tot de Huron, maar zij waren erg kwetsbaar in het gebied omdat de Iroquois grote warparty’s erop uit stuurden om de handel te beperken.
Alsof de Fransen nog niet genoeg problemen hadden, ontstond er ook een oorlog tussen de Montagnais en de Sokoki , omdat deze verhindert werden direct met de Fransen te handelen. Aangezien de Iroquois toch al in oorlog waren met de Montagnais, werden de problemen tussen de Sokoki en hen aan de kant geschoven en vormden zij een alliantie. Ook namen vanaf dat moment de Mahican deel aan de strijd (Mohawk bondgenoten sinds 1628) en in 1645 vielen de drie stammen gezamenlijk de Montagnais dorpen bij Sillery in Quebec aan. De Hollanders hadden tussentijds ook niet stil gezeten en hadden ook de Mahican van vuurwapens voorzien en gezamenlijk met de Mohawk gebruikten zij deze om losgeld af te dwingen bij de Munsee en Wappinger Deleware aan de beneden Hudson rivier. Om aan deze chantage te ontsnappen, vertrokken de Wiechquaeskeck (Wappinger) tijdens de winter van 1642- 43 naar Manhattan eiland om daar de bescherming te zoeken van de Hollandse nederzettingen.
De Hollanders waren echter niet van plan de Wiechquaeskeck daar te laten leven en in februari van 1643 vielen zij de Wiechquaeskeck onverwacht aan en doodden 100 van hen. Als gevolg van deze “Pavonia slachting” ontstond de “Wappinger war” ook wel gouverneur Kieft’s war genoemd. De strijd verspreidde zich en ook de Munsee in New Jersey en Unami (Deleware) en Metoac van West Long Island, begaven zich in de strijd. Uiteindelijk dreigde het uit de hand te lopen en waren de Hollanders genoodzaakt de hulp van hun Mohawk en Mahican bondgenoten in te roepen. Nadat deze twee stammen een officieel verdrag met de Hollanders hadden getekend gingen zij aan het werk.
Tegen de tijd dat er een vredesverdrag werd getekend in fort Oranje in de zomer van 1645, waren er 1600 Wappinger, Munsee en Metoac omgekomen en hadden de Mohawk en Mahican de wampum handel op long Island overgenomen. Het stille verzet van de Munsee bleef echter bestaan tijdens de resterende 20 jaar van Hollandse heerschappij, maar de Mohawk stonden klaar om iedere vorm van verzet de kop in te drukken. Het ging uiteindelijk mis, toen vijf Munsee stammen besloten gezamenlijk de aanval te openen op de Hollandse nederzettingen in de Esopus vallei. De Mohawk vielen vervolgens de Munsee dorpen aan en doodden honderden van hen. Toen de Esopus oorlog afgelopen was, waren de Munsee verslagen en onderworpen aan de Iroquois.

Voor de Fransen was het jaar 1644 een erg grimmig jaar. De Atontrataronnon (Algonkin) werden van de Ottawa rivier weggejaagd en moesten hun toevlucht bij de Huron zoeken.. Daarnaast werden er 3 vloten met kano’s vol met bont, door de Iroquois geroofd. De bonthandel op de St. Lawrence rivier kwam bijna in zijn geheel tot een stop en toen de Iroquois met een vredesvoorstel kwamen, waren de Fransen bereid te luisteren. In 1645 tekende beide partijen een verdrag. Ook de Mohawk waren hier blij mee, zij hadden flink geleden onder de strijd en ook waren er vele van hen gestorven als gevolg van een epidemie. In het verdrag werd afgesproken dat de Fransen de handel konden hervatten en de Iroquois kregen vele gevangenen terug. De belangrijkste aanleiding van de oorlog werd echter niet geregeld. De Mohawk gingen ervan uit dat zij de handel met de Huron weer konden hervatten, maar hier handden de Huron geen oren naar. In plaats daarvan stuurden de Huron 60 ladingen met bont naar Montreal in 1645 en nog eens 80 in 1646. Toen er na 2 jaar onderhandelen nog geen verdrag tussen beide was, brak de hel los.
Terwijl de diplomaten van de Iroquois probeerden de Fransen neutraal te houden, vernietigden de krijgers de dorpen van de Arendaronon- Huron en sloten zij de handelsroute naar Montreal af. Er kwamen dat jaar maar weinig kano’s met bont aan in Montreal. In 1648 vocht een gigantische floot van Huron kano’s zich een weg door de Iroquois blokkade op de Ottawa rivier en bereikte Quebec. Echter tijdens hun afwezigheid, werd het jezuïtische dorp van St. Joseph, door de Iroquois aangevallen en werden de jezuïeten gemarteld en gedood. Als gevolg hiervan raakten de Attigneenongnahac Huron verspreid. De Hollanders roken nu een complete Iroquois overwinning en verstrekte hen 400 Flintlocks en zoveel munitie als ze wilden op krediet. De definitieve slag kwam tijdens twee dagen in maart, 1649. Door middel van gecoördineerde aanvallen, vernietigde de Seneca en Mohawk krijgers de zzhuron missie dorpen bij St. Ignace en St. Louis. Honderden Huron kwamen om of werden gevangen genomen. Het Huron verzet viel plotsklaps uiteen en de overlevenden vluchtten om later gevangen genomen of vermoord te worden. De Iroquois waren echter niet van plan de Huron zo makkelijk weg te laten komen. Als gevolg van de voortdurende strijd en door epidemieën, konden de Iroquois nog maar beroep doen op zo’n 1000 krijgers en de League had besloten dat de gelederen moesten worden aangevuld door assimilatie. De “Grote achtervolging” begon in december toen de Iroquois achter de Attignawantan Huron aan gingen die hun toevlucht hadden gezocht bij de Tionontati. Het belangrijkste dorp van de Tionontati werd overlopen en er slaagde slechts zo’n 1000 Huron en Tionontati krijgers in om te vluchtten naar een tijdelijk schuilplaats op Mackinac eiland bij Sault Ste. Marie. De Iroquois achtervolgde hen en tegen het jaar 1651 moesten de Huron en Tionontati (inmiddels samen de Wyandot) verder naar het westen vluchtten richting Green Bay. Tijdens de lente die daarop volgde, troffen de Nippissing hetzelfde lot ( de overlevenden vluchtten noordelijk naar de Ojibwe) en de laatste groepen Algonkin verlieten het gebied van de bovenstroom van de Ottawa rivier en zochten hun veiligheid in het noorden bij de Cree.
Ondertussen waren Tahontaenrat Huron, naar het zuidwesten getrokken en leefden zij bij de Neutral. De Neutral waren gedurende het gehele conflict tussen de Huron en Iroquois, neutraal gebleven, maar nu de Iroquois zo’n beetje alle Huron hadden verjaagd, begonnen ook zij zich zorgen te maken De Iroquois verzochten de neutral om hun Tahontaenrat buren uit te leveren, maar de neutral weigerden. De Iroquois vielen hen aan in 1650. Het eerste jaar van de strijd hadden de Neutral nog de steun van de Susquehannock, maar dit kwam tot een eind toen de Mohawk en Oneida de aanval op de Susquehannock openden. Het belangrijkste fort van de Neutral, Kinuka, viel in handen van de Seneca dat jaar en de andere Neutrals werden gaven zich of over of werden overlopen door de Iroquois. Vele van de Tahonaenrat gaven zich over en worden door de Seneca geassimileerd, maar anderen vluchtten en zochten hun veiligheid bij de Erie. Zij werden echter niet positief door de Erie ontvangen, maar ze mochten blijven als semi- slaven. De “grote achtervolging” ging echter door en de Iroquois eisten van de Erie dat zij hun slaven opgaven. De verstandhouding tussen de Erie en de Iroquois was al nooit goed geweest en nu ze versterkt waren met enkele honderden krijgers, weigerden de Erie simpelweg. Het conflict duurde nu al zo’n twee jaar en het geweld werd steeds erger. In 1653 vermoorde een groep Erie, een Seneca Sachem. Snel werd er een conferentie gehouden om een oorlog tussen beide stammen af te wenden, maar in het heetst van de discussie vermoorde een Erie, een Onondaga en de Iroquois reageerden door alle 30 vertegenwoordigers te vermoorden. Hierna was er totaal geen sprake meer van een eventuele vrede en de westelijke Iroquois bereidde zich voor op de strijd. Hoewel de Iroquois groot respect hadden voor de Erie krijgers besloten ze toch eerst even snel vrede te sluiten met de Fransen. Toen het Huron rijk in 1649 ten onder ging, stortte de Franse bonthandel ineen. Alle jezuïeten waren vermoord, hun handelspartners verspreid of dood en de stroom bont stopte. De Fransen probeerden nog wel de indianen over te halen om bont naar Montreal te brengen, maar er waren er maar weinig die dit probeerden nu de Iroquois de controle over de Ottawa rivier hadden. De vrede met de Fransen gold niet voor de Mohawk en Oneida, maar de Fransen pakten iedere kans aan om enigszins vrede met de Iroquois te sluiten. Nu de Fransen zich niet met de zaak bemoeiden en de Mohawk en Oneida er voor zorgden dat de Susquehannock op afstand bleven, konden de Seneca, Onondaga en Cayuga op hun gemak de Erie aanpakken. Hun voorzichtigheid bleek terecht. Zonder vuurwapens hield het verzet van de erie 3 jaar stand, tot ze in 1656 verslagen werden. De overlevenden gingen op in de Iroquois.
Op dat moment in de geschiedenis van Amerika was er geen enkele stam in staat om de Iroquois League aan te pakken en zelfs de Europeanen waagden zich er niet aan. De Iroquois waren echter ook niet zo stom om het tegen de Europeanen op te nemen. Ze zagen de voordelen van de handel met hen en konden op die manier in het bezit van vuurwapens blijven. De Iroquois kozen ook liever geen partij bij de conflicten tussen de verschillende blanken en hadden alleen voor ogen om hun rijk zo groot te maken dat ze de gehele bonthandel beheersten. De details over de strijd en aanpak van de Iroquois zijn grotendeels verloren gegaan en alleen door de mondelinge overdracht tussen elkaar weten we het één en ander. De blanken bleven verre van de strijd en konden moeilijk getuigen. Historische opgravingen wijzen er echter op dat de westelijke grote meren en de Ohio vallei voor het eerste contact met de blanken, dichtbevolkt waren. Toen de eerste Franse ontdekkers het gebied in 1660-1670 bezochten, troffen zij echter weinig permanente bewoners aan en veel vluchtelingen.
Ook is het niet bekend, hoeveel strijd de Huron, Erie, Susquehannock, Ottawa en Neutral hebben geleverd om te voorkomen dat de Iroquois de Ohio vallei en het gebied van de grote meren zouden veroveren. Het is echter een feit dat de Iroquois erin slaagde het grootste deel van de originele bewoners het gebied uit jaagden en dat in een periode van 10 jaar.
Tegen het jaar 1667, waren de volgende stammen genoodzaakt vertrokken:

1. De Potawatomi, Fox, Sauk en Mascouten hadden beneden Michigan verlaten en leefden in gemengde dorpen in Wisconsin.
2. De Shawnee, Kickapoo en een deel van de Miami waren uit Ohio en Indiana verjaagd. De Kickapoo en Miami trokken naar Wisconsin, maar de Shawnee verspreidde zich over Tennessee, Illinois, Pennsylvania en Zuid Carolina.
3. Door de Seneca aangevallen in 1655, omdat ze onderdak hadden geboden aan de Huron en Neutral, waren de Illinois gedwongen geweest naar het westelijk deel van de Mississippi te vertrekken. Ze keerden later terug maar gingen niet verder dan de vallei van de Illinois rivier.
4. De Dhegiha Sioux ( Osage, Kansa, Ponca, Omaha en Quapaw) verlieten de Beneden Wabash vallei en trokken naar het westen, richting de Missouri rivier. De Quapaw echter scheidde zich van de rest af en trokken naar het zuiden tot aan de mond van de rivier de Arkansas.
5. De Huron, Tionontati, Wenro, Neutral en Erie werden verslagen en geabsorbeerd door de Iroquois. Zo’n 1000 Huron en Tionontati die erin geslaagd waren om te ontsnappen, trokken naar Wisconsin, daarna richting de Mississippi in Minnesota en uiteindelijk naar de zuid kust van het Superior meer.
6. De Ottawa hadden hun thuisgebieden op de eilanden van lake Huron verlaten en trokken westwaarts naar het Boven Michigan. De Nippissing en zuidelijke bands van de Ojibwe werden uiteindelijk ook gedwongen te vertrekken naar het noorden in de omgeving van St. Sault Marie.
7. Sommige stammen uit de Ohio vallei verdwenen gewoon en zijn alleen bekend van naam: Casa, Cisca, Iskousogom, Moneton, Mospelea, Quabano, Teochanontian, Tomahitan, rn Tramontane. Wie ze waren of wat er met hen gebeurd is, is onbekend.

Terwjl de Westelijke Iroquois de Ohio vallei veroverden, waren de Mohawk en Oneida druk in het oosten. In 1647 had hun oorlog met de Algonkin en Montagnais zich verspreid naar de Abanaki in Maine, die de Montagnais hielpen. Het verbond tussen de Mohawk en de Sokoki eindigde met een conflict over jachtgronden ten oosten van Lake Champlain. De Plotselinge ineenstorting van de Huron hadden iedereen in het gebied gealarmeerd en de Fransen waren naarstig op zoek naar bondgenoten tegen de Iroquois.De Mohawk bleven de nederzettingen van de Fransen aanvallen en de christelijke Huron die vlak bij Quebec leefden. In 1650 stuurden de Fransen een Montagnais Sachem en een Jezuïtische naar Noord New England om een bondgenootschap te bewerkstelligen tussen de Sokoki, Pennacook, Pocumtuc en Mahican tegen de Iroquois. De koloniën in New England werden ook benadert om mee te doen, maar de Engelsen waren niet geïnteresseerd. De Fransen kregen de alliantie die zij wilden en begonnen meteen met het verstrekken van vuurwapens. Op een enkele aanval op de Sokoki na, werden de stammen echter niet getest. De Mohawk hadden het veel te druk met hun strijd in Pennsylvania met de Susquehannock.
De Susquehannock waren altijd al formidabele krijgers geweest. In 1651 werden zij bewapend door Zweedse handelaren van de Deleware rivier. Na vier jaar strijd waarbij er vele slachtoffers aan beide zijden vielen, slaagden de Mohawk en Oneida er alleen in een deel van het bovendeel van de Susquehannock rivier te veroveren. De strijd was in een impasse geraakt, totdat de Hollanders de Zweedse koloniën veroverden en de Susquehannock ineens zonder wapenleverancier kwamen te zitten. Op dat moment wilden zij over een vrede onderhandelen. De Iroquois stemde onmiddellijk met de vrede in, zodat zij zich op hun vijanden in het westen van New England konden richten en de alliantie zou voor het eerst getest worden. Een nieuwe strijd tussen de Mahican en Mohawk kwam de Hollanders echter slacht uit en ze overtuigden de Mahican ervan de alliantie in 1658 te verlaten en vrede met de Mohawk te sluiten. De Mohawk ontdekte echter al snel dat de Mahican een handel tussen de Hollanders en de Sokoki en Montagnais probeerde op te zetten en de Mohawk vielen de Mahican wederom aan. Twee jaar strijd dwongen de Mahican ertoe het grootste deel van de Hudson vallei te verlaten, inclusief hun hoofdstad Shodac, vlakbij Albany. Door zowel de Engelsen als de Fransen voorzien van wapens, bleven de Sokoki, Pennacook, Pocumtuc en Montagnais tegen de Mohawk en Seneca vechten en stonden hun mannetje. De Iroquois en Algonkin warparty’s trokken heen en weer door New England waarbij ze alkaars dorpen aanvielen. Tegen het jaar 1660 had de oorlog zich verspreid naar de Abanaki die de bondgenoten van de Montagnais waren. Na een mislukte aanval op een Iroquois dorp in 1663, ontdekte de Pocumtuc dat zij te weinig krijgers hadden om verder te strijden en verzochten zij de Hollanders te bemiddelen bij een vrede met hun vijanden. Dat werd echter niets en in December trok een grote groep Mohawk en Seneca krijgers erop uit om het belangrijkste Pocumtuc dorp bij Fort Hill aan te vallen. De aanval werd afgeslagen met het verlies van 300 krijgers, maar de Pocumtuc verlieten Fort Hill in de lente en smeekte om vrede. De Mohawk stemde hiermee in, maar iemand(niet de Pocumtuc) vermoordde de Iroquois vertegenwoordigers op weg naar de vredesbesprekingen. De Mohawk hervatten hierop hun aanvallen en dwongen de Pocumtuc het gebied van de midden Connecticut rivier te verlaten.
In de hectiek van dit alles veroverden de Engelsen New York in 1664. De Hollanders veroverde het echter weer in 1673, maar het werd weer aan de Engelsen terug gegeven toen zij het verdrag van Westminster sloten. Hiermee eindigde de bijdrage van de Hollanders aan de geschiedenis in dit gebied. De Britten waren echter wel zo slim om onmiddellijk hun eigen verdrag met de Mohawk te sluiten en ze waren ook zo slim om de achtergebleven Hollandse handelaren zaken te laten doen met de Iroquois. De engelse Boston handelarenbesloten ook nieuwe partij voor de handel te gaan zoeken. Zij zagen er meer in om met de Iroquois te gaan handelen dan met de Algonkin van New England en ze verhuisde naar het westen van Albany. Als gevolg hiervan bleven de Sokoki, Pennacook en Abanaki achter met alleen nog de steun van de Fransen. Nu de Iroquois zich niet meer druk hoefde te maken over een eventuele oorlog tegen de Engelsen, namen ze hun kans waar en verdreven zij de Sokoki en Pennacook uit het bovendeel van de rivier de Connecticut.
De Fransen keken ondertussen afwachtend toe terwijl de Engelsen New York veroverden en een verdrag met de Mohawk sloten. Uit zorg voor het feit dat deze Engelsen wel eens de bonthandel zouden kunnen gaan overnemen en moe van de constante Iroquois bedreiging, nam de Franse koning een besluit. In 1665 namens ze officieel bezit van New France en de koning stuurde het 1200 man sterke Carigan Salieres regiment naar Canada.Deze soldaten hadden nog veel te leren en bij hun eerste aanval op de Iroquois verdwaalden zij in de bossen. Mmar toch slaagden zij erin om in de winter van 1656-66, het thuisland van de Iroquois te bereiken en ze hadden een vernietigend effect op hen. Het regiment vernietigde de Mohawk dorpen Tionnontoguen en Kanagaro. De daarop volgende lente riepen de Mohawk de hulp van hun engelse bondgenoten in. De Gouverneur van New York maakte zich ook zorgen over de Fransen en besloot akkoord te gaan met een verdrag onder de voorwaarde dat de Mohawk eerst vrede sloten met de Sokoki en Mahican. De Mahican waren er klaar voor, maar de Sokoki weigerden. Die zomer, vielen de Mohawk de Pennacook aan, terwijl ondertussen Mohawk dorpen werden aangevallen door de Sokoki en Kennebec.
Het franse leger hervatte zijn aanvallen in de herfst, maar ze liepen in een Mohawk hinderlaag. De aanvallen op de Mohawk hadden echter wel het gewenste effect en in 1667 stemden de Mohawk in met een vrede met de Fransen. Dit zorgde ervoor dat de westelijke Iroquois zich weer konden gaan richten op de nog steeds gevaarlijke Susquehannock en de Mohawk konden zich richtten op het westen van New England. Gedurende het jaar 1668 dreven de Mohawk , de Pennacook dwars door New Hampshire naar de bescherming van de Abanaki in Maine. In het jaar daarna namen een bondgenootschap van New England Algonkin (incl de Sokoki en Mahican) wraak om de Mohawk, maar nadat zij een Mohawk dorp hadden aangevallen liepen zij op de terugweg in een hinderlaag. In 1670 werd er opnieuw een vrede gesloten en leefden het grootste deel van de Sokoki onder de beschermende vleugels van de Fransen langs de rivier de St. Lawrence. De Vrede waarmee de Mahican in 1672 mee in stemde was eigenlijk niet meer dan een overgave aan de Iroquois en hierna namen deze Iroquois alle handelsbetrekkingen met de Europeanen over. In 1677 werden de Mahican het eerste lid van de Convenant Chain. De alliantie tussen de Iroquois en de Engelsen zorgde ervoor dat beide veilig waren voor de Fransen. Ook stelde de steun van de Engelsen, de Iroquois er toe in staat hun convenant Chain uit breidden over de andere stammen, waardoor ze veel meer militaire macht kregen. Voor de Engelsen waren er ook meer voordelen. De alliantie zorgde ervoor dat de stammen van de Chain, niet onder de vlag van de Fransen kwamen, de onderhandelingen met de stammen verliepen makkelijker nu ze alleen nog met de Iroquois te maken hadden en als er problemen waren dan schakelden zij gewoon de league in, die vervolgens als “politie” fungeerden. Toen de Wampanoag, probeerden om het dorp van de Mahican als schuilplaats te gebruiken tijdens de King Phillips Oorlog( 1675-76), riep de Gouverneur van New York, de Mohawk erbij en vroegen hen de Wampanoag terug te verdrijven naar Massachusetts. Later hielpen de Mohawk ook met het verdrijven van de Sokoki en Pennacook naar het noorden, richting Canada, maar dit leidde er ook toe dat ze recht in de armen van de Fransen werden gedreven.

Nadat ze de Erie in 1656 hadden vernietigd, hadden de westelijke Iroquois zich gericht op de Algonkin in de Ohio vallei en grote meren en ze verdreven hen richting het westen van het Michigan meer. De vrede die de Fransen met de westelijke Iroquois hadden gesloten in 1653, had er niet toe geleid dat ze weer toegang tot het bont van de Grote meren kregen en ze bleven onder bedreiging van de Mohawk en Oneida in Quebec en Montreal. Het weinige bont dat hen bereikte was afkomstig van de Ottawa, die de rol van de Huron hadden overgenomen nu deze vernietigd waren. Dit irriteerde de Iroquois echter en ze vielen de Ottawa, op hun eilanden in het Huron meer, aan en verderven hen naar het westen, richting Wisconsin en boven Michigan. De enige Fransen die in deze periode de westelijke grote meren bezochten waren Groseilliers en Radisson, die het westelijke puntje van het Superior meer bereikte in 1658. Zij werden bij terugkomst vervolgens gearresteerd voor handelen zonder vergunning. In 1658 kwam er een einde aan de vrede tussen de Fransen en de westelijke Iroquois, als gevolg van een moord op jezuïtische vertegenwoordiger en het duurde vervolgens tot 1665 voordat Nicolas Perot en Pater Claude- Jean Allouez ( met 6 Fransen en 400 Huron, Ottawa en Ojibwe) hun weg de Ottawa rivier op vochten en Green Bay bereikten.
Wat ze hier aan troffen ging elke voorstelling te boven. Meer dan 30.000 vluchtelingen ( Fox, Sauk, Ottawa, Mascouten, Miami, Kickapoo, Ojibwe en Potawatomi) waren er in geslaagd de daar levende Winnebago en Menominee te verjagen en hadden alle natuurlijke bronnen uitgeput. Het gebied lag te ver noordelijk om er aan landbouw te doen en de stammen hadden het gebied helemaal leeg gejaagd en streden onderling voor de rest van het aanwezige voedsel. Daarnaast was er ook een oorlog uitgebroken met de Dakota, toen Algonkin jagers hun gebied betraden in het westen. Daarnaast hadden ze ook nog steeds last van de Iroquois die bij hun “grote” achtervolging, de Wyandot gevolgd waren tot in Wisconsin.

De rede die uiteindelijk tussen de Fransen en Iroquois getekend werd in 1667 was dus van Groot belang. Het verdrag was niet alleen voor alle vijf de Iroquois stammen, maar betrof ook alle Franse handelspartners en de Algonkin in het westelijke deel van de Grote Meren. De Achtervolging op de Wyandot werd beëindigd en Fransen konden beginnen met het opnieuw opbouwen van de Bonthandel. Franse handelaren en jezuïeten trokken meteen naar het westen op aldaar de orde te herstellen. Ook begonnen de Fransen met het verkennen van de Ohio vallei en legde daar de basis voor hun latere claim op de vallei. De Iroquois vonden echter dat ze de rechten op de claim hadden, omdat zij het gebied veroverd hadden. Marquette en Joliet bereikten in 1673 de rivier de Mississippi en LaSalle claimde Louisiana voor de Fransen in 1682. Belangrijker was het echter dat de Fransen begonnen op te treden als bemiddelaars tussen de stammen en de basis werd gelegd voor een algemeen Algonkin verzet tegen de Iroquois.
Terwijl de Fransen druk bezig waren met het herbouwen van hun imperium. Begonnen de Engelsen zich zorgen te maken over de toenemende macht en uitbreiding van de Fransen. Toen ook de Engelsen begonnen met het versterken van hun leger, was de trend gezet voor de komende 100 jarige strijd tussen de Fransen en Engelsen om heerschappij over Noord Amerika. Ook bij de Iroquois vond er een verandering plaats. In 1677 hadden zij hun eerste verdragen getekend als de “ Vijf Naties” en de leden tekende daarna zelden nog eigen verdragen of vochten eigen oorlogen uit. De Relaties met de Europeanen werden steeds complexer en de League vond het van groot belang dat ze eerst hun onderlinge geschillen oplosten voordat zij als eenheid naar buiten konden treden. De Met de Fransen getekende vrede van 1667, had ook nog een ander voordeel voor de Iroquois. Zij streken neer in het gebied wat vroeger van de Huron was geweest en terwijl iedereen aan het strijden was, had de bever zich in het gebied hersteld en was er weer genoeg bont voorradig.

De oorlog tussen de Susquehannock en de Mohawk en Oneida was nog maar net beëindigd in 1655, toen er een nieuw conflict begon tussen hen en de Seneca, Cayuga en Onondaga. Deze 3 stammen ervoeren de Susquehannock ook als zeer koppig. De Iroquois waren met 3 maal zoveel krijgers en de Susquehannock riepen de hulp van hun Algonkin en Sioux buurstammen in( Shawnee, Deleware, Nanticoke, Conoy, Saponi en Tutelo)en hoewel ze de zweden als handelspartner hadden verloren in 1655, zorgden allianties met de Maryland kolonisten ervoor dat ze genoeg wapens hadden. De Mohawk hadden ondertussen hun handen vol aan de stammen in New England en bleven vrede houden met de Susquehannock. Wel hielpen de Mohawk de Hollanders in 1664 bij het verslaan van de Munsee Deleware, waardoor de Susquehannock 1 bondgenoot minder hadden.
De Susquehannock concentreerde zich in één onneembaar fort, dus gingen de Iroquois achter hun bondgenoten aan en ze vielen de Deleware aan die langs De Deleware rivier leefden in de jaren 1660. Ook de Shawnee werden aangevallen en raakten verspreid. De achtervolging van deze Susquehannock bondgenoten richting Tennessee en Carolina, brachten de Iroquois ook in oorlog met de Cherokee en Catawba. Op het eind waren de Susquehannock gewoon nog met te weinigen. Maar de grootste klap kregen ze toen er in 1661 een epidemie toesloeg in hun druk bevolkte fort. Toen de Iroquois opnieuw met volle kracht aanvielen, hadden de Susquehannock nog maar 300 krijgers. Ze bleven echter vechten en uiteindelijk duurde het nog zo’n 7 jaar voordat de Iroquois ze eindelijk te overgave konden dwingen.
De eerste fase van de “Beaver wars” eindigde met de overgave van de Susquehannock. De Iroquois versloegen in de tien daarop volgende jaren nog de Cony en Nanticoke en namen hen op in de Chain. Maryland sloot in 1682 vrede met de League, maar de aanvallen(die in 1671 begonnen waren) op de Saponi en Tutelo in Virginia en de Catawba in Zuid Carolina bleven doorgaan. De Macht van de Iroquois bereikte zijn hoogtepunt in 1680. Tegen deze tijd hadden ze een groot gebied veroverd en hadden hun krijgers in iedere staat ten oosten van de Mississippi gevochten. Zij staken deze rivier nooit over, maar de Iroquois wisten hun wegen wel naar de Black Hill’s in Zuid Dakota
Na hun oorlog met de Susquehannock, richtten de Iroquois hun aandacht weer richting het westen, maar wat ze daar zagen beviel hen niet. Nu er vrede was, waren de stammen gestopt met vechten en de bonthandel floreerde.

De Vrede was tot nu toe redelijk, maar niet perfect. De Seneca hadden in 1671 een aanval op de Mackinac gedaan en de Dakota streden met de Ojibwe enFox langs de kusten van het Superior meer. Het was echter beter dan de Chaos die hieraan vooraf gegaan was. In 1680 had Robert La Salle, fort Crevecoer geopend aan de Bovenstroom van de rivier de Illinois om met de stammen van de Illinois confederatie te kunnen handelen en duizenden Algonkin hadden zich in de omgeving verzameld. Dit grote aantal potentiële vijanden, baarden de Iroquois zorgen, maar er was een groter probleem met de Illinois die de Ohio vallei, Indiana en Lower Michigan ( land geclaimd door de Iroquois) introkken om aldaar alle bevers te vangen die ze konden vinden. Omdat zij ook de jonge bevers meepakte, was er geen vervanging voor die, die zij doodden. De Iroquois protesteerden tegen deze manier van jagen, wat er toe leidde dat er een Seneca Sachem vermoord werd door de Illinois in een Ottawa dorp. De tweede fase van de “Beaver wars” begon hiermee.
In west New York, begonnen de Seneca met het opbouwen van een gigantisch leger en ze trokken naar het westen om de Illinois een les te leren, zoals ze nog nooit hadden meegemaakt. Onderweg sloten zich Miami krijgers bij hen aan en ze gingen op weg naar het Illinois dorp bij Fort Crevecoeur. Gewaarschuwd voor hun komst verlieten de Fransen het fort en vluchtten naar Wisconsin. De meeste Illinois kozen ook voor hun veiligheid en vluchtten naar de west oever van de Mississippi. De tempora, Espeminkia en Maroa besloten te blijven- een grote fout. Nadat de Seneca klaar waren met hun dodelijke werk, keerden de Fransen terug en wat ze daar aantroffen ging elke verbeelding te boven. De vallei was bezaaid met duizenden lijken en afgebrande dorpen. Een enkele Tamora en Maroa had het overleefd en de Espeminkia, waren compleet uitgeroeid. In 1682 bouwde Henry Tonti fort St. Louis aan de boven Illinois, waarop de Illiois terugkeerden naar het gebied. Ondertussen hadden de Miami, een aantal Shawnee(vijanden van de Iroquois) in het midden opgenomen en toen de Iroquois hierover kwaad werden, besloten de Miami vrede te sluiten met de Illinois en van partij te wisselen.

Tegen het jaar 1684, was de populatie bij het fort toegenomen tot zo’n 20.000. De Iroquois keerde dat jaar op volle kracht terug, maar nu besloten de Algonkin om de strijd aan te gaan. De Iroquois slaagden er niet in het fort te veroveren en waren genoodzaakt zich terug te trekken, het keerpunt in de “Beaver wars”. Gestimuleerd door deze overwinning, begonnen de Fransen een formele alliantie tegen de Iroquois te vormen. Het eerste offensief mislukte echter helemaal en in paniek sloot Joseph la Barre, de franse Gouverneur van Canada, een verdrag met de Iroquois waarin hij afstand deed van bijna heel Illinois. La Barre werd vervangen door Jacque- Rene Denonville, die het verdrag verwierp, nieuwe forten liet bouwen, oude forten liet opknappen en wapens verstrekte aan de Algonkin stammen. De Versterkte alliantie, bestaande uit” Ojibwe, Ottawa, Wyandot, Potawatomi, Missisauga, Fox, Sauk, Miami, Winnebago, Menominee, Kickapoo, Illinois en Mascouten opende de aanval in 1687. De daarop volgende tijd volgde er grote overwinningen van de alliantie, die werden uitgevochten op de meren in grote kanovloten. De Iroquois werden nu in de verdediging gedwongen en trokken zich langzaam terug richting New York. Tegen het jaar 1696 waren de Iroquois genoodzaakt al hun dorpen in zuid Ontario te verlaten en waren zij, op oost Ohio en Noord Pennsylvania na, teruggekeerd naar hun thuisland.

Het laatste deel van de “Beaver wars” viel samen met de “King William’s War” (1688-97), een oorlog tussen de Engelsen en de Fransen. Dit betekende dat er nu niet meer alleen gevochten werd rondom de grote meren. In 1687, hadden de Fransen, Seneca en Onondaga dorpen aangevallen in hun thuisgebieden. In augustus van het jaar 1689 namen zo’n 1200 Iroquois krijgers wraak, door een aanval te doen op Lachine, net iets buiten Montreal, waarbij zo’n 200 kolonisten omkwamen. Het jaar daarna vielen de Fransen en hun bondgenoten het dorp Schenectady aan, waarop de Mohawk weer wraak namen door het Sokoki dorp, bij St. Francis aan te vallen. Tussen 1693 en 1696 lanceerden de Fransen 3 campagnes vanuit Quebec en vielen de Iroquois dorpen aan onder leiding van Louis Frontenac.
De Iroquois stonden nu onder druk vanuit het oosten en westen en tot overmaat van ramp, brak er ook nog een pokken epidemie uit.
Onder druk van dit alles, boden de Iroquois, de Fransen een aparte vrede aan, maar deze weigerden omdat de vrede niet voor de Franse bongenoten gold.
Door het verdrag van Ryswick, waarmee de oorlog tussen de Engelsen en Fransen eindigde, kwamen de Iroquois onder de bescherming van de Engelsen te staan ( iets waarom de Iroquois niet hadden gevraagd). Hun voortdurende strijd met de Iroquois begon de Fransen echter zorgen te baren, vooral omdat ze bang waren wederom met de Engelsen in oorlog te geraken. Om deze reden heroverwogen de Fransen het vredesaanbod van de Iroquois. Toen de Fransen dit echter met hun bondgenoten bespraken, brak er paniek uit. De Algonkin waren bang dat de Fransen het bondgenootschap zouden verbreken en ze hadden goede reden tot wantrouwen, omdat de Iroquois al eerder geprobeerd hadden om de Ottawa en Wyandot uit het bondgenootschap los te weken.
De Algonkin roken echter een algehele overwinning op de Iroquois en wilden de klus afmaken. De strijd ging door tot aan het jaar 1701.
In dat jaar werd er eindelijk een vredesverdrag getekend met de Fransen én hun bongenoten. De Fransen beloofden om te zullen bemiddelen bij alle conflicten die zich in de toekomst nog zouden voordoen tussen de Algonkin en de Iroquois en de League beloofde neutraal te blijven indien er nog een oorlog zou komen tussen de Engelsen en de Fransen. Deze mogelijke oorlog brak dat zelfde jaar nog uit (Queen Anne’s War 1701-1713). In hun haast, vrede met de Iroquois te sluiten, vergaten de Fransen echter een beroep te doen op de Iroquois Claims die zij hadden op de Ohio vallei en aangezien deze Iroquois officieel onder de bescherming van de Engelsen vielen, claimden zij de Ohio vallei wel.
Tijdens de King Williams Oorlog, waren de Iroquois voornamelijk engels bondgenoot geweest, maar dat had alles te maken met het feit dat de Iroquois hun eigen oorlog met de Fransen uitvochten. De gevechten tijden de “Queen Anne’s War” vonden echter voornamelijk in New England en in de Canadese wateren plaats. De Iroquois hielden woord en bleven afzijdig van de strijd en keken rustig toe, wie er als overwinnaar uit te voorschijn zou komen.
Van een totale vrede was echter geen sprake, aangezien de machtige Missisauga hun grondgebied aan het uitbreidden waren langs de kusten van het Huron meer tot in het zuiden van Ontario. Hierbij schroomden zij niet, ook gebied van de Iroquois in te pikken. Nu de Fransen andere zorgen hadden, luisterden zij niet naar de bezwaren van de League hiertegen en de Iroquois troffen voorbereidingen voor een invasie van Canada. Gelukkig eindigde dat jaar de oorlog met het verdrag van Utrecht en konden de Fransen gaan bemiddelen. Het conflict tussen de stammen was echter maar een klein probleempje wat de Fransen hadden.
De Fransen waren destijds als winnaar uit de King Williams oorlog gekomen en waren meteen begonnen met het plukken van de vruchten van deze overwinning. Een massa van bont had de Europese markt overspoeld, waardoor het bont niets meer waard was en het Franse koningshuis besloot ineens “gelovig” te worden. De Franse jezuïeten protesteerden al jaren tegen de bonthandel en het effect daarvan op de stammen in het gebied en nu het bont niets meer waard was, besloot men naar hen te luisteren. Er werd een koninklijk besluit uitgedaan die de jacht op de bever in het gebied van de grote meren verbood. Frontac, de gouverneur van Canada op dat moment, besefte echter wat dit besluit voor de Algonkin stammen zou betekenen en hij stelde de uitvoering ervan zo lang uit dat hij ontslagen werd. Zijn opvolger ging echter meteen aan de slag en sloot alle handelsposten en forten en ook stopten zij met het handelen met de stammen en met het geven van geschenken; hun belangrijkste bron van macht in het gebied. De zo hard bevochten alliantie van de grote meren begon in te stortten. De Iroquois ondertussen, hadden sinds 1701 het één en ander te voortduren gehad, zij waren lamgeslagen, maar zeker niet uitgeschakeld. Zij zagen wat er gebeurde en het dilemma waarmee de Fransen te maken hadden en besloten de Fransen dan maar op een concurrerende manier “kapot” te maken. De Iroquois hadden nog steeds contacten met de Engelse en Hollandse handelsposten en deze verhandelden nog wel bont. De Iroquois handelaren gingen aan het werk….

Ondertussen hadden Fransen bij Fort Ponchartrain (Detroit) een nieuwe Post gebouwd en onmiddellijk stroomden alle Franse bondgenoten naar de omgeving van het Fort. Deze situatie kwam de alliantie echter niet ten goede omdat er onmiddellijk problemen tussen de verschillende stammen ontstonden. De Fransen verloren hun controle over de Alliantie en in 1712 explodeerde de situatie en vielen de Fox, fort Ponchartrain aan. De Fox oorlogen braken uit (1712-1716 en 1728-37) en er ontstond een periode van strijd tussen de stammen van de alliantie onderling. Ongetwijfeld keken de Iroquois met genoegen toe, hoe hun vijanden elkaar onderling bevochten en verzwakten. Ondertussen gingen de Iroquois vrolijk door en zij trokken het land van de Fransen binnen met onder hun arm de kwalitatief betere en goedkopere Engelse ruilgoederen.
In 1717 begonnen de Ottawa met de Iroquois en de Engelsen te handelen en de andere Franse bongenoten volgden. Tegen de tijd dat de Fransen besloten het koninklijk besluit terug te draaien, was het al te laat. In 1727 gaven de Iroquois, de Engelsen toestemming, fort Oswego in hun thuisgebied te bouwen, om zo de afstand naar de Algonkin stammen van de Grote Meren te verkleinen. Tegen het jaar 1728 was al bont die in Albany aankwam voor 80% afkomstig van de Franse bondgenoten.
De Britten accepteerden de neutraliteit van de Iroquois na 1701, maar zagen ook het nut van de Iroquois in, als buffer tussen hen en het Franse Canada. De Iroquois zelf, zagen het belang van hun rol in het gebied echter ook, nu de Franse alliantie op zijn kont lag en wisten dat zij de balans tussen de krachten in handen hadden. Door hier optimaal gebruik van te maken wisten zij hun invloed en onafhankelijkheid te behouden, tot de Fransen in 1763 definitief verslagen werden. De Iroquois bleven zich echter bemoeien met de Franse handel en verzwakte de Franse economie, ondertussen probeerden de Iroquois ook de Convenant Chain te versterken en zij werden hierbij geholpen door de Engelsen, die stammen ervan probeerde te overtuigen, zich aan te sluiten bij de Iroquois. Op verschillende momenten bestond de Convenant Chain uit de volgende stammen: Shawnee, Miami, Deleware, Conestoga (Susquehannock), Naticoke, Saponi, Tutelo, Munsee, Mahican, Conoy, Cherokee, Creek, Choctaw, Catawba en Chickasaw. De Daadwerkelijke macht om voor deze stammen te spreken hadden de Iroquois echter niet. Veel dreiging en druk op de Choctaw, Chickasaw, Creek, Catawba en Cherokee, kon hen er niet van overtuigen de Macht van de Iroquois te erkennen en vaak brak er strijd tussen deze stammen uit, wanneer de Iroquois een poging deden. Het grootste probleem dat de Chain had, was dat de Iroquois meestal hun of de belangen van de Engelsen voorop stelde in plaats van het vertegenwoordigen van de belangen van alle stammen. Een uitzondering hierop is, toen de Iroquois dreigden zich met de Tuscarora oorlog (1712-1713) te gaan bemoeien en de Tuscarora te gaan steunen. De Iroquois slaagden erin de oorlog voor korte tijd te beëindigen maar zij bleven vijandig ten opzichte van de kolonisten van Carolina. In 1714 gaven de Iroquois, de Tuscarora toestemming zich bij hen aan te sluiten in New York en de jaren daarna bleven de Iroquois war- party’s sturen richting de Catawba, die de Engelsen hadden gesteund bij hun strijd tegen de Tuscarora. Tegen het jaar 1722 waren de Tuscarora de 6de stam van de Iroquois league, maar zij hadden geen stemrecht. Vier jaar later begonnen de Iroquois in het geheim een opstand van alle stammen in het gebied te organiseren, gericht tegen zowel de Engelsen als de Fransen. De reactie van de andere stammen was echter negatief en al snel lieten de Iroquois, het idee van een opstand varen.

De invloed van de jezuïeten..

De politieke eenheid van de Iroquois was de bron van hun macht, maar deze eenheid was verre van perfect. Toen de Franse missionarissen, met gevaar voor eigen leven, de dorpen van de Iroquois begonnen te bezoeken, bezweken divisies van deze Iroquois voor het geloof van deze “ zwart mantels”. In 1642 bouwden de jezuïeten de missie van St. Marie bij het Mohawk dorp Teatontaloga, maar tijdens een epidemie 3 jaar later werd de missie vernietigd. Pater Jogues werd gewaarschuwd weg te blijven, maar hij probeerde de missiepost toch weer te herbouwen en hij werd in 1643 vermoord. Ondanks dit, bleven de missionarissen proberen, zieltjes te winnen onder de Mohawk. Het was echter de opname van grote aantalen christelijke Huron, Tionontati en Neutral in de jaren 1650, dat de deur voor de Missionarissen echt opende.
Door de inzet van Pater Le Moine, Notre Dame de Ganentaa werd de eerste missiepost bij de Onondaga in 1654 geopend. Twee jaar later bouwde pater René Ménard de missie post Etienne voor de Cayuga en er werden ook aparte missieposten opgericht voor de Oneida en Seneca in 1656. Het aantal bekeerden, bleef stijgen en er ontstonden al snel conflicten tussen de traditionele- en bekeerde Iroquois. Ondertussen hadden de Fransen een vredesverdrag met de Westelijke Iroquois getekend, maar zij weigerden met hen te handelen en gaven er de voorkeur aan om met de Ottawa te handelen. Toen de spanningen als gevolg van dit gegeven bleven stijgen, probeerden de Fransen om de Jezuïeten te gebruiken als bemiddelaars met de Iroquois. De Iroquois verdachten de jezuïeten echter van partijdigheid en met de moord op een priester in 1658 eindigde de vrede tussen de Iroquois en de Fransen. De meeste missieposten werden verlaten. De strijd weer was opgelaaid, begonnen de Iroquois hun christelijk krijgers te wantrouwen en zij probeerden hen weer te bekeren tot het traditionele geloof van de Iroquois. Vele van hun deden dit ook maar anderen weigerden en moesten de Iroquois dorpen verlaten. Uiteindelijk vestigden zij zich bij de Fransen in de vallei van de St. Lawrence.
De eerste van deze nederzettingen was bij La Prairie onder de rook van Montreal. In 1667 overtuigden de jezuïeten, een aantal christelijke Oneida ervan om bij hen de winter door te brengen. Later sloten zich meer Oneida families en ook enkele Mohawk bij hen aan en al snel volgden er meer christelijke Iroquois. De nieuwe Iroquois nederzetting groeide snel, maar de grond bij La Prairie bleek niet geschikt voor het verbouwen van maïs. In 1673 verhuisden zij hun nederzettingen naar Sault St. Louise en ze noemden hun nieuwe dorp “Caughnawaga”. De bevolking van Caughnawaga was gemixed, maar het grootste deel was Mohawk. Tegen het jaar 1680, leefden er meer Mohawk krijgers in Caughnawaga dan in hun thuisland. Hoewel vele van hen gedwongen waren geweest het thuisland te verlaten, hielden zij zich nog wel aan de “ Grote wet van de Vrede” en ze bleven neutraal bij de oorlogen tussen de Fransen en de Iroquois. Dit veranderde echter met de grote aanval van de Iroquois op het Franse plaatsje Lachine in 1689, waarna de Caughnawaga deel namen aan de oorlog als Franse bondgenoten. Tijdens het vervolg van de oorlog namen de Caughnawaga deel aan Franse wraaktochten op Albany en Schenectady en ze gidsten de fransen zelfs bij hun strijd tegen de Iroquois. De “ grote wet van de Vrede” bleef echter gehandhaafd en de Iroquois en Caughnawaga probeerden iedere veldslag te ontlopen waarbij zij tegenover elkaar zouden komen te staan.
De Caughnawaga betaalden een hoge prijs voor hun steun van de Fransen tijdens de King Willams War en tegen het jaar 1696 hadden zij de helft van hun krijgers verloren. De strijd tussen de Fransen en de Iroquois, sleepte voort tot het jaar 1701 en in dat jaar speelden de Caughnawaga een belangrijke rol bij het opstellen van de voorwaarden van de vrede. Terwijl de Iroquois vanaf nu neutraal zouden blijven tijdens strijd tussen de Engelsen en Fransen, gold dit niet voor de Caughnawaga. Met het uitbreken van de “ Queen Anne’s war” hadden de Caughnawaga een bondgenootschap met de Abanaki gesloten en gezamenlijk trokken zij ten strijden tegen de Engelsen in New England. Het meeste schade brachten zij toe aan Deerfield toen zij het dorp vernietigden in 1704 en Groton in 1710.
Vaak word er gedacht dat de Iroquois engelse bondgenoten waren tijdens de vier grote conflicten tussen de Engelsen en de Fransen. In werkelijkheid, vochten er na 1701 echter meer Iroquois aan Franse zijde dan aan engelse. De League was neutraal( M.u.v. de Mohawk) terwijl de Caughnawaga aan Franse zijde vochten. De Bevolking van het originele Caughnawaga groeide op een gegeven moment zo snel, dat een deel van hen besloot de St. Lawrence over te steken om daar een tweede dorp te stichten, Kanesatake. Tegen het jaar 1720 werd de “Lake of the Two Mountains” missiepost gebouwd op de berg die later bekend zou worden als de moderne Mohawk gemeenschap “ Oka”.
Caughnawaga werd in 1716 iets verplaatst naar haar huidige locatie toen de grond uitgeput raakte op de oude locatie. Het aantal nederzettingen aan de St. Lawrence nam toe, net als het aantal pro- Franse Iroquois.
Naast het overlopen van de christelijke Iroquois naar de Fransen, werd de League ook verzwakt toen een ander deel van hun bevolking naar de Ohio vallei verhuisde. Sinds de grote adoptie tijdens de jaren 1650 waren de originele Iroquois in feite een minderheid in de League. Doordat de vertegenwoordigers in de raad echter gekozen werden uit bepaalde belangrijke originele Iroquois families bleven zij echter de politieke macht in handen houden. Als gevolg hiervan bleven de geadopteerde stammen buiten de macht en waren zij in feite tweede rang burgers. Dit leverde natuurlijk onbevoegdheid op en in plaats van in opstand te komen, besloten vele van hen de League verlaten. Grote groepen jagers, voornamelijk Seneca en Cayuga met een Huron, Susquehannock en Erie achtergrond begonnen naar de Ohio en Pennsylvania te verhuizen tijdens de jaren 1720 en vestigde dorpen buiten het gebied van de Iroquois. Tegen het jaar 1730 was het een groep van belang geworden en werden zij door de Engelsen de “Mingo” genoemd.
De League vaqn Iroquois vonden het niet erg dat de Mingo Migreerde, zolang ze de autoriteit van de Iroquois maar erkende. Eigenlijk waren ze zelfs blij dat de Mingo nu in Ohio woonden, nu konden de Fransen en hun Algonkin bondgenoten het gebied niet claimen. Ook maakte de Iroquois geen bezwaar, toen een groep Wyandot Detroit verlieten en aan de oevers van de Sandusky rivier gingen leven in Noordwest Ohio. Eerder zagen ze de mogelijkheid om een een belangrijk lid van de Alliantie van de Grote Meren, bij de Fransen weg te lokken om lid te worden van de Covenant Chain. Binnen enkele jaren werden er contacten gelegd en spraken vertegenwoordigers van de Wyandot met en in de raad van de Chain. De Wyandot werden door de andere stammen nu beschouwd als de Iroquois vertegenwoordiging in het Ohio gebied. Tegen het jaar 1740 leefde er zo’n 1000 Mingo in west Pennsylvania en oost Ohio. Hoewel ze beschouwd werden als een deel van de Iroquois begonnen zij te handelen en denken als een separate stam.

Tijdens de piekperiode van 25.000 leden in 1660, nam het aantal Iroquois zienderogen af tot 14000 in 1740 (als gevolg van de strijd en epidemieën). De 1500 Tuscarora die in 1722 werden opgenomen compenseerde niet het vertrek van de 1000 Mingo naar Ohio en de 2000 Caughnawaga die naar Canada vertrokken. Zowel de Fransen als de Engelsen zagen het verval, maar op papier bleven de Iroquois een sterke macht door de Covenant Chain.
Zoals al eerder benoemd, misbruikten de Iroquois vaak hun macht ten goede van zichzelf en een duidelijk voorbeeld hiervan had plaats tijdens de “ Walking Purchase” in 1737. Pennsylvania “ontdekte” een oud verdrag, zogenaamd getekend door de Deleware, waardoor zij het recht hadden om een groot deel van het Deleware thuisland op te eisen. Door het plegen van Fraude, vergrootten deze kolonisten hun claim, zodat het nu het gehele grondgebied van de Deleware betrof. Als leden van de Covenant Chain vroegen de Deleware, de Iroquois om hulp.
In plaats van hulp, ontvingen zij echter beledigingen en intimidatie. Woest over het feit dat de Deleware hun land hadden verkocht zonder hun toestemming, namen de Iroquois de steekpenningen van Pennsylvania in ontvangst en steunden zij de Britten. De Deleware bleven protesteren, maar tijdens een ontmoeting in 1742, met de gouverneur van Pennsylvania, legde de Iroquois vertegenwoordiger, Canasatego, de Deleware Sachem Nutimus, het zwijgen op en noemde de Deleware vrouwen en hij beval hen te vertrekken. Als gevolg hiervan verloren alle Deleware en een aantal Shawnee hun land. De Iroquois gaven hen het bevel om naar de Boven Susquehanna in noord centraal Pennsylvania te vertrekken, waar zij een eigen indianen reservaat hadden voor de leden van de Covenant Chain. Dit leek een royaal gebaar van de Iroquois, om het land aan de stammen te geven, maar in principe zorgden zij er zo alleen maar voor dat ze extra krijgers hadden in geval van een oorlog met de Fransen.
De Jachtgroepen van de Shawnee, waren de eersten die naar West Pennsylvania en Ohio trokken. Toen de aldaar levende Mingo geen bezwaar makten tegen hun komst en zelfs hun dorpen met hen deelden, werden de Shawnee permanente inwoners en nodigden zij de Deleware uit om ook bij hen te komen leven. Tussen 1742 en 1749 verlieten vele Deleware het gebied van de Susquehanna en vertrokken naar het westen om samen met de Mingo en Shawnee in gemixte dorpen te gaan wonen. Ook deze keer maakten de Iroquois geen bezwaar, want deze leden van de Covenant Chain versterkte aleen maar de claim van de Iroquois op het gebied van de Ohio. De “ republieken” ofwel gemixte Mingo- Deleware- en Shawnee (Ohio stammen)dorpen die ontstonden, stonden buiten de Franse Alliantie, maar wat de Iroquois en Engelsen in het begin zich niet realiseerden was dat zij ook niet onder de invloed van hen stonden. Tegen het jaar 1750 hadden deze “republieken” 10.000 inwoners met zo’n 2000 krijgers en waren zij een macht geworden om rekening mee te houden.

Ohio was nu een gebied dat door drie partijen werd geclaimd. Door de Iroquois door het recht van verovering in de jaren 1650- en 1660. Door de Fransen omdat zij het ontdekt zouden hebben rond de jaren 1670 en door de Engelsen, omdat de Iroquois onder hun verantwoordelijkheid vielen. Het waren echter de Ohio stammen zeld die de sleutel tot het gebied waren. De Fransen realiseerden zich dit feit en begonnen de sympathie van de stammen te zoeken. De Ohio stammen waren echter niet bereid zich aan welke partij dan ook te binden, de Iroquois, Fransen of Engelsen. De Fransen boekten echter wel een succesje doordat de Metis, Pierre Chartier, enkele Shawnee voor hen wisten te winnen en ook de Cuyahoga Mingo. Dit was echter al genoeg om de Engelsen te alarmeren en zij vroegen de Iroquois, deze Deleware en Mingo terug naar de Susquehanna te sturen. Toen de Iroquois league met dit voorstel akkoord gingen, stonden zij perplex dat hun bevelen werden genegeerd. De stammen bleven waar ze waren en weigerden te vertrekken.

Met het uitbreken van de King George oorlog (1744-48), waren het alleen de Mohawk, die onder de invloed van de Engelse handelaar, Willam Johnson, stonden, die de Engelsen steunden. De League zelf, besloot neutraal te blijven. De Engelsen waren hier wel blij mee, want de Iroquois waren boos op hen en ze konden net zo gemakkelijk naar de Fransen overlopen. Zowel Pennsylvania als Virginia, besloten het verdrag van Lancaster(1744) op te vatten als toestemming van de Iroquois om Ohio te bewonen, terwijl zij in feite alleen toestemming hadden gegeven voor het bouwen van een fort bij de uitlopen van de Ohio Rivier. Beide staten negeerden de protesten van de Iroquois, terwijl zij het gebied introkken. De Claim van Pennsylvania was nog enigszins beschaafd en betrof alleen oost Ohio, maar Virginia claimden het gehele gebied ten westen van de Illinois rivier, inclusief Kentucky en Beneden Michigan.
Net als tijdens de Queen Annes oorlog bleven de gevechten tijdens de King George oorlog beperkt tot New England en de Canadese wateren. De Caughnawaga waren niet alleen loyaal aan de Fransen, maar ook bondgenoten van de Sokoki en Abenaki. Toen de Dummer’s oorlog(1722-26) uit was gebroken tussen de Oostelijke Abenaki en New England, kwam daar achteraan het conflict in New England ofwel de Grey Locks oorlog(1723-1727). Ondanks het leveren van wapens en het bieden van onderdak in Canada, raakten de Fransen nooit direct bij de strijd betrokken. De Caughnawaga vergezelde hun Sokoki bondgenoten echter bij hun rooftochten in west New England. De Britten vroegen de Iroquois om in te grijpen, maar deze weigerden nog langer om de politie te spelen, voornamelijk omdat ze niet met de Caughnawaga in gevecht wilden komen, om zo de grote vrede te verbreken. Ze vroegen de Sokoki echter wel om te stoppen en boden aan te bemiddelen.
20 jaar later hadden de Caughnawaga, die west Vermont als deel van hun thuisland claimden, 250 krijgers en steunden de Fransen tijdens de King George oorlog. In 1744 vormden de Caughnawaga samen met de Sokoki en Abenaki, oorlogs party’s om gezamenlijk, nederzettingen in zuid Vermont en New Hampshire aan te vallen. Het grootste deel van het New England front was inmiddels verlaten en in augustus van het jaar 1746 werd Fort Massachusetts aan de Hoosac rivier veroverd, waardoor bijna alle nederzettingen, ten oosten van de Hudson rivier in New York, werden verlaten. De Mohawk vochten voor de Engelsen, maar toen een van hun tochten eindigde net iets ten zuiden van Montreal, besloten de Caughnawaga en de andere Canadese Iroquois de oorlog aan de Engelse nederzettingen te verklaren. De Oorlog eindigde met het verdrag van Aix-la- Chapelle in 1748.
Tijdens de oorlog werd er bij de grote meren en in de Ohio vallei weinig gevochten. Het waren enkel de pro- Franse Shawnee en Mingo die enkele aanvallen op de Britse handelaren deden. Van de andere kant stuurde de Franse bondgenoten, Ottawa, Menominee, Winnebago, Illinois, Saulteur en Missisauga Ojibwe, Potawatomi en Wyandot, hun krijgers naar het oosten, naar Montreal om Canada te verdedigen tegen de Britten.
Ondanks het gebrek aan strijd, was de oorlog een ramp voor de Fransen in het westen, nadat de Engelsen met een scheepsblokkade, Canada afsloten in 1745. Als gevolg hiervan zaten de Fransen zonder handelsgoederen en de Franse alliantie viel uiteen tegen het jaar 1747. De Franse handelaren zonder goederen werden vermoord en de Engelse handelaren zagen hun kans schoon en maakten gebruik van de situatie. Tegen het einde van de oorlog waren de Engelsen handelaren de Ohio vallei ingetrokken en legden zij kontakten met de Franse bondgenoten de Wyandot en Miami.

Het verliep dus prima voor de Iroquois en de Engelsen en ze konden de Fransen uit Ohio en west Pennsylvania weg houden. Een probleem was echter wel dat de Shawnee en de Deleware weigerden te vertrekken naar de Susquehanna en hier moest iets aan gedaan worden. Tijdens het sluiten van het verdrag van Lancaster tussen de Iroquois, de Shawnee, De Deleware en indirect de Mingo, drong Pennsylvania erop aan om de Ohio stammen opnieuw in de Convenant Chain op te nemen. De Iroquois creëerden een systeem van Half- Koningen- speciale Iroquois vertegenwoordigers(meestal Mingo), één voor de Shawnee en één voor de Deleware, die de Ohio stammen in de Iroquois raad vertegenwoordigden. Hiermee traden de Shawnee en de Deleware toe tot de Convenant Chain en waren ze trouw aan de league.
Toen de Fransen, Pierre- Joseph Céleron stuurden, in 1749, om de Engelse handelaren te verdrijven en de Ohio grens met Loden platen te markeren, werd hij ronduit vijandig ontvangen. Twee jaar later, reisde de Fransman Chabert de Joncaire, door Ohio en eistte dat de Engelse handelaren uit het gebied vertrokken. De Mingo vroegen hem, op basis van welk recht de Fransen het Iroquois gebied wilden claimen….
Natuurlijk waren het niet alleen de Fransen die het Ohio gebied van de Iroquois claimden. Na het verdrag van Lancaster van 1744, schakelde de staat Virginia, de Ohio Compagnie in om nederzettingen rondom Pittsburg te bouwen. De investeerders waren een groot aantal belangrijke families uit Virginia, waaronder de oudere halfbroer van George Washington. Pennsylvania had op dit moment vergelijkbare plannen en in de ogen van de Iroquois waren de Fransen en Engelsen twee dieven die om hun land vochten. Daarnaast verslechterde de situatie nu de Engelsen, na de King George’s oorlog hadden besloten hun giften aan de Iroquois te verminderen.
De Fransen hadden echter het gevoel dat ze de strijd om de Ohio vallei aan het verliezen waren en besloten drastische maatregelen te nemen. In Juni, 1752 leidde de Métis, Charles Langlade, een groep van 250 Ojibwe en Ottawa krijgers, vanuit Mackinac naar een Miami dorp. Het Miami dorp en de Britse handelspost van Pickawillany werden verwoest. Als reactie hierop beëindigden de Franse bongenoten hun handel met de Engelsen en sloten zij zich, na excuses, weer bij de Franse alliantie aan. Hierna begonnen de Fransen onmiddellijk met de bouw van een serie forten in west Pennsylvania, met als doel de Engelsen de toegang tot Ohio te blokkeren. De Mingo, Shawnee en Deleware, waren echter niet zo blij met hun gedwongen tergkeer naar de Fransen en ze vroegen de Iroquois om hulp. In reactie hierop besloten de Iroquois hun Landcessie van 1744 te bevestigen in het verdrag van Logstown(1752). Ook gaven zij de Engelsen toestemming om een blockhouse te bouwen bij Pittsburg, maar voordat deze af was, werd hij aangevallen en platgebrand door Franse Soldaten. In December van het jaar 1753, stuurde de gouverneur van van Virinia, een 21 jaar oude, oud Militia Majoor, George Washington, naar fort Le Boeuf, om van de Fransen te eisen dat zij hun forten in Ohio verlieten en weg zouden gaan. De Franse commandant ontving Washington met alle egard, maar weigerde op het verzoek in te gaan en waarschuwde Washington, niet meer terug te komen. De Maand mei, daarna werd Washington op pad gestuurd met 150 militia. Hun gidsen waren Mingo onder leiding van de half- koningen Tanacharisson en Monacatoocha. Hun opdracht was, het veroveren van fort Duquesne bij de vorken van de Ohio rivier, maar zij kwamen er nooit aan. Onderweg liepen zij 50 Franse soldaten tegen het lijf onder leiding van Joseph Jumonville. Jumonville werd tijdens de strijd gedood en met de Fransen in de achtervolging, trok Washington zich met spoed terug. De Mingo adviseerden hem om naar Virginia terug te gaan, maar Washington weigerde en stopte om fort Necessity te bouwen. Na een conflict besloten de Mingo dat Washington een dwaas was en zij gingen weg. De Fransen omsingelden snel het kleine fort en dwongen Washington tot overgave. Hij werd vrijgelaten nadat hij een bekentenis had getekend, betreffende de moord op een Franse Ambassadeur tijdens een vredesmissie(zonder dat hij wist wat hij tekende). Dit Incident was het begin van de Frans en Indiaanse oorlog( 1755-1763).
Dezelfde maand nog, kwamen de vertegenwoordigers van de Engelsen en Iroquois bij elkaar in Albany om de komende oorlog tegen de Fransen te bespreken. Omdat de Iroquois hard de hulp van de Engelsen nodig hadden bij de verdediging van Ohio, hadden zij het gebied aan hen afgestaan, met uitzondering van Wyoming en de Susquehanna vallei, die zij nodig hadden voor de stammen van de Convenant Chain. Helaas echter, slaagde een handelaar uit Albany er in om enkele Iroquois dronken te voeren en toen zij weer nuchter waren, bleken zij een verdrag te hebben getekend met de Connecticut handelsonderneming. In het verdrag deden de Iroquois afstand van de Wyoming en Susquehanna valleien en stelde zij het open voor kolonisatie. In plaats van dat de bijeenkomst in een sfeer van eenheid tegen de Fransen eindigden, waren nu de Iroquois woest op de Britten, protesteerde Pennsylvania tegen de actie van Connecticut en dreigde de Deleware die nog aan de Susquehanna leefden, iedere blanke die het gebied zou betreden, te vermoorden.

Ondanks hun lange geschiedenis van bondgenootschap met de Fransen, namen de Caughnawaga deel aan de conferentie namens de Sokoki en Abenaki en beloofden zij tijdens het komende conflict neutraal te blijven. Helaas echter konden zij deze belofte niet waar maken, toen bij thuiskomst bleek dat de Fransen ook bezig waren met het opbouwen van alliantie bekend onder de naam:”de zeven naties van Canada” en de Caughnawaga werden overruled ondanks het feit dat zij de basis van de alliantie waren.
Toen de Ohio stammen hoorden wat dat de Iroquois de Ohio vallei hadden afgestaan aan de Engelsen, werden ze pissig. Ze besloten dat de Engelsen vijanden waren en de Iroquois niet langer te vertrouwen waren. Er waren maar enkele Mingo die de Engelsen trouw bleven. Ondanks dit gegeven hadden veel Caughnawaga besloten bij de Mingo te gaan leven was er geen sprake van een plotselinge loyaliteit conflict ten opzichte van deze Fransen. De Mingo bleven echter vijandig ten opzichte van de Fransen, die problemen hadden met het bevoorraden van hun forten en posten en het vinden van bondgenoten in het gebied die hen konden beschermen tegen de Engelsen, die onder leiding van Generaal Braddock een leger aan vormen waren. De politiek van de Mingo, Shawnee en Deleware, was er een van een vijandige neutraliteit richting beide partijen.
Toen Braddock met zijn 2,200 man sterke leger aan de mars richting fort Duquesne begon, waren de Fransen genoodzaakt 600 pro- Franse krijgers uit Canada te halen. Dit bleek echter zeer adequaat te zijn. Braddock weigerde om “wilden” als scouts te gebruiken en in juli van dat jaar, liep hij iets ten zuiden van het fort in een hinderlaag, waarbij meer dan de helft van zijn soldaten en hij zelf, omkwamen.
Het nieuws van de nederlaag sloeg bij de Britse nederzettingen in als een bom en de kolonisten werden bang. De Shawnee en Deleware kozen dan ook een slecht moment om een delegatie naar Pennsylvania te sturen, om te protesteren tegen de verkoop van de Ohio vallei, door de Iroquois. Pennsylvania overmeesterde hen en zij werden opgehangen. De Deleware en Shawnee namen wraak door de vooruitgeschoven Engelse nederzettingen, in Pennsylvania, Maryland en Virginia aan te vallen. De Deleware die nog aan de Susquehanna leefden onder de macht van de Iroquois, bemoeiden zich in de eerste instantie niet met de strijd, maar tegen december van 1755, sloten zij zich bij hun broeders aan, tot ongenoegen van de Iroquois. Deze Susquehanna Deleware sloten vrede in Augustus van 1765, terwijl de rest van de Deleware, Mingo en Shawnee door bleven vechten. Tegen het einde van dat jaar waren er 2500 kolonisten omgekomen.
Opnieuw werd er een vredesraad gehouden met de oostelijke Deleware in Easton, Pennsylvania in Oktober van het jaar 1758. Met het verdrag van Easton, werd er voor al het Deleware land betaald, dat door New Jersey was ingenomen en Pennsylvania deed afstand van hun claim op al het gebied ten westen van het Appalachen gebergte, dat door de Iroquois was afgestaan in 1754. Het nieuws bereikte de Ohio vallei al snel en toen generaal John Forbes het fort Duquesne in November innam, boden de Deleware en Shawnee geen verzet.
Tijdens de Hysterie die volgde op de nederlaag van Braddock in 1755, werd er een Seneca warparty, op weg naar de Catawba in Carolina, afgeslacht door de militia van Virginia.
Nog steeds pissig over de frauduleuze zaken die plaats hadden gehad in Albany(waarbij zij hun land kwijtraakten) besloten vele Seneca, Cayuga en Onondaga zich bij de Fransen aan te sluiten. Voor het eerst in beide twee eeuwen stonden de Iroquois aan beide kanten van de strijd. Alleen de Mohawk en Oneida bleven trouw aan de Engelsen en dit was te danken aan de bonthandelaar van Ierse afkomst, William Johnson. Nadat hij een vrouw van Mohawk afkomst had genomen(Molly Brant), stond Johnson bekend om zijn eerlijkheid. Hij leerde niet alleen de taal van de Mohawk, maar ook maakte hij zich de gebruiken en gewoonten van de Mohawk eigen die te maken hadden met de handel.
De Mohawk waren niet minder kwaad over de Dronken landcessie van Wyoming, dan de andere Iroquois, maar ze vertrouwden Johnson en toen hij hen vroeg de Militia van New York en New England te helpen bij het veroveren van fort Crown Point aan het Champlain meer, in 1755, besloten zij hen te helpen. Terwijl hij 200 krijgers aanvoer, kwam Hendrick bij de strijd om het leven.
De Caughnawaga waren ook bij de strijd aanwezig om de Fransen te helpen, maar toen zij zagen dat de Mohawk met de Engelsen meevochten, trokken zij zich terug en besloten de strijd uit te zitten. De Mohawk verloren dan wel hun Sachem, maar ook zij besloten dat de Engelsen en Fransen het maar samen moesten uitvechten. Die dag werd de grote vrede niet gebroken. De Mohawk vergezelde Johnson ook bij de verovering van Fort Niagara in Juli van 1759. Quebec viel in september van dat jaar en Montreal gaf zich het jaar daarna over. Na deze overwinningen van de Engelsen, was de strijd in Noord Amerika voorbij.
De Britten bezetten vervolgens de overgebleven Franse forten in de Ohio vallei en in het gebied van de grote meren en in plaats van te vertrekken nu de Fransen verslagen waren, bleven de Britten als een bezettingsmacht. Fort Duquesne werd herbouwd als Fort Pitt en werd bevolkt met 200 soldaten. William Johnson werd benoemd tot Britse Indiaans Agent in het noorden en hij wilde het Franse systeem, van handelen en geschenken geven, handhaven. Helaas echter, haatte de Engelse gouverneur van Noord Amerika, John Amherst, de Indianen, vriend of vijand. Tegen het advies van Johnson in, beëindigde hij het geven van kado’s aan verdrags- Chiefs, verhoogde hij de prijzen van goederen en beperkte hij de handel in kruit, wapens en rum. In het jaar 1761, lieten de Seneca een warbelt rondgaan, waarmee ze de oproep deden tot een opstand tegen de Engelsen. Alleen de Shawnee en Deleware reageerden. Johnson kwam achter de opstand toen hij in Detroit samen kwam met de oude Franse bongenoten. Andere Warbelts werden nog rond gestuurd door de Caughnawaga en de Illinois, maar zou de religieuze beweging van Neolin, de Deleware profeet, pas lukken op de eenheid te creëren voor een opstand.

Neolin was de profeet, die de invloed van de blanken wilde verminderen. Hij vond dat de Natives niet afhankelijk moesten zijn van de handelsgoederen van deze blanken en zeker niet van de Whisky. Hij wilde terug naar de oude levensvisie van de Indianen. Pontiac, de Chief van een van de belangrijkste stammen van de oude Franse alliantie, de Ottawa bij Detroit, zag zijn kans schoon en begon in het geheim een opstand tegen de Engelsen te organiseren. Toen het 1763 werd, verraste de Pontiac opstand, de Engelsen compleet. Zes van de negen forten ten westen van de Appalachen werden in mei veroverd. Doordat ze er niet in slaagden de andere drie forten te veroveren, mislukte de opstand echter. De Iroquois, bleven tijdens het conflict neutraal en probeerden zich te herstellen, hoewel de Seneca wel meededen met de opstand en fort Niagara belegerden. Een Britse colonne die het fort probeerde te bereiken, werd in een hinderlaag gelokt, gevolgd door het afslachten van gevangenen en gewonden. Maar Fort Niagara hield stand. De Mingo en Wyandot veroverden fort Venango in het Noordwesten van Pennsylvania, maar de belegering van fort Pitt door de Deleware, Shawnee en Mingo bleef voortduren en de Engelsen verdedigden het fort door de beleggers geschenken te geven, besmet met het pokken virus. Terwijl het beleg van het fort voortduurde, vielen de Mingo, Deleware en Shawnee, ook de grensposten in Pennsylvania aan, waarbij 600 kolonisten stierven. Pontiac zelf, had zich voorgenomen met zijn krijgers, fort Detroit te veroveren, maar dit mislukte toen de inwoners gewaarschuwd werden. Toen deze forten stand hielden en de Engelsen langzaamaan herstelde van de verrassing, begon de opstand ineen te storten. Na een drie dagen durend gevecht bij Bushy Run, lukte het kolonel Henry Bouquet om de belegging van fort Pitt te breken. De opstandelingen begonnen zich terug te trekken en Pontiac moest zijn bezetting van Detroit op geven. Hij trok zich terug naar het westen, naar Indianen, waar hij nog veel steun had onder de Illinois en Kickapoo. Terwijl hij zich opnieuw klaar maakte voor de strijd, vroeg hij de Fransen van Fort Chartes om hulp, maar de commandant weigerde en dwong er bij de Chief op aan om te stoppen met de strijd. In November werd Amherst vervangen door Thomas Gage, die wel naar William Johnson luisterde en Gage herstelde de oude handelsmanieren en verlaagde de prijzen van de goederen. Nog na trillend van alles wat gebeurd was, brachten de Engelsen in 1763 een proclamatie uit, waarin een halt werd toegeroepen aan de kolonisatie ten westen van de Appalachen. De Seneca gaven de bezetting van fort Niagara op en werden gedwongen een vernederende overgave te tekenen. Pontiac tekende in 1765 een vrede maar viel uit de gratie. Hij keerde nooit naar Ohio terug en vertrok in 1766 naar Noord Illinois. Drie jaar later werd hij door een Peoria vermoord toen hij de Cahokia bezocht. William Johnson bleef verantwoordelijk voor de Indiaanse politiek in Noord Amerika en zijn invloed binnen de Raad van de Iroquois was zo groot dat de Mohawk als zijn privé leger beschouwd konden worden. Op zijn bevel hadden de Mohawk in 1763, het Deleware dorp Kanhanghton verwoest, als straf voor hun steun aan de Pontiac opstand. Na de oorlog verlieten zo goed als alle Deleware de vallei van de Susquehanna en vertrokken naar het westen van Ohio. De Blanken namen hun plaats in en de kolonisten uit Connecticut konden eindelijk gebruik maken van het “dronken verdrag” dat door de Iroquois in 1754 in Albany getekend werd en zij trokken de Wyoming vallei binnen. Tussen de militia van Connecticut en Pennsylvania brak strijd uit om de grond in 1768. Onder druk van deze strijd besloten de resterende stammen in van de Covenant Chain, ook de Vallei te verlaten( Naticoke, Saponi, Tutelo, Munsee, Deleware, en sommige Iroquois) en naar het thuisland van de Iroquois in New York te vetrekken. Het werd steeds drukker rondom New York. Nu de Fransen weg waren en de Britten Canada controleerden, werden ook de gebieden van de Caughnawaga overlopen door kolonisten in 1763. Nadat hun dorp bij St, Francois was verwoest door Rogers Rangers in 1759, tijdens de Frans en Indiaanse oorlog, hadden de Sokoki hun onderdak gezocht bij de Caughnawaga in St. Regis.
Tegen het jaar 1763 hadden de blanken kolonisten zowel de gebieden van de Sokoki ingenomen als die van de Caughnawaga, langs de kusten van het Champlain meer. Nu St. Francois inmiddels al weer overbevolkt was, hadden zij geen plek om naar toe te gaan. De Caughnawaga hadden dus goede redenen om te overwegen met de Pontiac opstand mee te doen, maar uiteindelijk besloten zij toch neutraal te blijven en bemiddelde bij de uiteindelijke vrede. Misschien hadden zij toch beter kunnen vechten, William Johnson steunde de Caughnawaga bij hun claims op de boven Champlain vallei, maar hij besloot ook dat de Proclamatie van 1763 niet de claims van de Sokoki op de gebieden in Vermont en New Hampshire betrof. De Proclamatie was verdoemd op het moment dat hij uitgegeven was en het verzet van de kolonisten ertegen was één van de redenen van het ontstaan van de Amerikaanse revolutie. De grenskolonisten negeerden eenvoudig weg de proclamatie en trokken de gebieden binnen voor kolonisatie. De Britten waren niet in staat om hen een halt toe te roepen en probeerden angstvallig een revolutie te voorkomen. Onder de druk van de Amerikanen, die meer land voor kolonisatie wilden, besloten de Britten de Proclamatie te verwerpen en gingen zij opnieuw met de Iroquois onderhandelen over Ohio. Hoewel er ook andere stammen uitgenodigd werden om vertegenwoordigers te sturen, bleef Johnson bij zijn gewoonte alleen met de Iroquois te onderhandelen. Nu de Fransen geen bedreiging meer vormden, had de League zijn belangrijkste wapenfeit verloren en nu ook de blanken steeds verder en sneller oprukten in hun thuisland, zaten de Iroquois te springen om een verdrag om zo henzelf te beschermen. Johnson, die zelf een landbelegger was, had geen moeite om de Iroquois te overtuigen hun land in Ohio af te staan, zodat hun thuislanden beschermd zouden gaan worden door grenzen. Met de tekening van het verdrag van fort Stanwix in 1768, deden de Iroquois afstand van het grootste deel van West Pennsylvania en de gehele Ohio vallei. Dit verdrag was een overeenkomst tussen twee partijen, in beider belang, want de Engelsen waren niet meer in staat om de Amerikanen onder controle te houden en de Iroquois hadden geen invloed meer op de Ohio stammen. Het geheel kostte uiteindelijk 50 jaar oorlog en er kwamen meer dan 30.000 mensen om het leven.
De pogingen van de Iroquois om hun thuisgebieden te beschermen, brachten hen alleen maar ellende. Het verdrag van Fort Stanwix leidde er niet alleen toe dat zij hun geloofwaardigheid onder de Ohio- stammen verloren, ook de Iroquois zelf geloofden niet meer in de beslissingen van de league. De Protesten van de Shawnee werden beatwoord met dreigementen van uitroeiing, als ze niet met het verdrag zouden instemmen. Hierop besloten de Shawnee om andere stammen voor hulp te benaderen en ze richtten zich op de westelijke alliantie, de Illinois, Kickapoo, Wea, Piankashaw, Miami, Potawatomi, Wyandot, Ottawa, Deleware, Mascouten, Ojibwe, Cherokee en Chickasaw.Er werden twee ontmoetingen tussen de stammen geregeld in het Shawnee dorp aan de Scottia rivier in 1770 en 1771, maar Johnson slaagde erin te voorkomen dat er een daadwerkelijke alliantie werd gevormd, door met oorlog tegen de Iroquois te dreigen. Ondertussen trokken er steeds meer Grensbewoners over de bergen het nieuwe gebied in. Tegen het jaar 1774 leefden er 50.000 blanken ten westen van de Appalachen en er zouden er nog meer volgen. De Engelsen sloten hun forten in het gebied en ze trokken hun garnizoenen terug om economische redenen.

Het grootste deel van de nieuwe nederzettingen werden langs de Ohio rivier gebouwd, tussen Pittsburg en Wheeling. Door de acties van Johnson waren de Shawnee, Mingo en Deleware in het gebied, geïsoleerd geraakt en stonden ze allen tegen over de Longknives(Virginia en Pennsylvania Grenswachten) en ze probeerden uit het conflict te blijven, maar de spanning bouwde zich op. De problemen begonnen, toen de Cherokee nieuwe verdragen tekenden, waardoor de weg vrij kwam voor meer kolonisatie in Kentucky. Virginia stuurde verkenningsteams het gebied in en er volgden conflicten met de Shawnee in het gebied. Hierop namen de militia van Virginia het over en ze trokken het verlaten fort Pitt binnen in 1774, zij gebruikten het fort als uitvalsbasis in het geval er oorlog zou komen. Die lente waren er meer incidenten en Michael Cresap, die dacht dat de oorlog al begonnen was, stelde een groep van Militia samen en viel een Shawnee handelsgroep aan bij Wheeling, waarbij een Chief om het leven kwam.
De maanden daarna, slachtte een andere groep Militia, een groep Mingo af bij cello Creek. Onder de slachtoffers bevonden zich de zus, broer en vrouw van de Mingo oorlog- Chief, Logan.
De Shawnee Chief Cornstalk wilde een oorlog voorkomen en hij reisde naar het fort Pitt, om de militairen te vragen de doden te verbergen. Logan ging echter naar het Shawnee- Mingo dorp Wakatomica en rekruteerde er een war- Party. Terwijl Kornstalk in Fort Pitt over een vr5ede onderhandelde, nam Logan op gruwelijke wijze wraak door 13 kolonisten te vermoorden bij de mond van de Muskingum rivier. De “ Lord Dunmore(Cresap’s) oorlog” begon in juni van 1774. Logan beloofde de koloniale officials in juli dat de strijd voorbij was, maar tegen die tijd hadden alle blanken zich in forten teruggetrokken en wachtte op hulp. De Iroquois en Deleware boden aan om in het conflict te bemiddelen, maar Lord Dunmore, de Gouverneur van Virginia, weigerde en hij stelde een leger samen in het westen van Ohio.
Terwijl de Iroquois en Deleware besloten neutraal te blijven stuurden hun Mingo en Shawnee bondgenoten, warbelts naar de Detroit stammen, die hem weigerde. Johnson zorgde er opnieuw voor dat de Miami en mogelijk andere bondgenoten neutraal bleven onder dreiging van een oorlog met de Iroquois. Het leger van Dunmore vernietigde ondertussen het dorp Wakatomica en nog vijf andere dorpen. In Oktober van dat jaar verzamelde het leger zich bij Point Pleasant(west Virinia) voor een tweede invasie. Op dat moment lanceerden de Mingo en Shawnee een verrassing aanval en terwijl de strijd de gehele dag in beslag nam vielen er vele slachtoffers aan beide kanten. Uiteindelijk werden de Shawnee gedwongen zich terug te trekken. Een maand later tekenden zij een verdrag waarin zij afstand deden van al het grondgebied ten zuiden van de Ohio rivier en was het gebied geopend voor kolonisatie.
De Amerikaanse revolutie brak het jaar daarna uit(1775-83) op het moment dat de eerste Kentucky nederzettingen werden opgericht bij Harrodstown en Boonesborough. Tijdens het verdrag van Quebec van 1774 werd afgesproken dat de Ohio- vallei en het gebied van de Grote meren Canadees waren en dit bracht Pennsylvania en Virginia op het punt van een revolutie. Met het uitbreken van de oorlog, besloten de Engelsen niet langer toe te kijken en ze drongen er bij de Mingo en Shawnee op aan om de Amerikaanse kolonisten aan te vallen. Sommige andere stammen bleven neutraal, maar andere stammen luisterde wel naar de Engelsen, waaronder de Detroit stammen, die er van overtuig waren geraak dat de Amerikanen hun land wilde innemen. Uiteindelijk sloten ook de Ojibwe en Potawatomi zich bij de Detroit stammen aan. Ook lukte het de Engelsen om een verbond te sluiten tussen de Shawnee en Cherokee(Chickamauga). In juli van het jaar 1776, vielen de Chickamauga twee forten in de Carolina’s aan, waarmee ze de Amerikanen uitdaagden tot wraak op alle Cherokee. Ondertussen trokken Chickamauga en Shawnee party’s in Kentucky rond waarbij zij de Amerikanen aanvielen.
Tijdens een gepassioneerde speech waarbij hij de Mohawk opriep de aanval tegen de Amerikanen te beginnen, stierf Johnson aan een hartaanval. Zijn taak als Engelse Commissaris van indiaanse zaken werd door zijn zoon, Guy, overgenomen en al zijn gronden gingen naar zijn ander zoon, John. Beide broers waren loyalisten, maar hadden lang niet zoveel invloed onder de Mohawk als hun vader. Zij werden echter geholpen door hun Protégé, Joseph Brant, de Mohawk Chief en broer van de vrouw van William Johnson. Met het uitbreken van de oorlog probeerden zowel de Engelsen als de Amerikanen, de Iroquois voor zich te winnen en de league luisterde respectvol naar de argumenten van beide partijen. Uiteindelijk besloten ze neutraal te blijven, maar ze erkende de Verenigde staten wel in 1776. Ook gaven de Iroquois, de Shawnee het bevel om te stoppen met de aanvallen op de Amerikanen, maar inmiddels luisterden er nog maar weinig stammen naar de League. Als de League inderdaad erin geslaagd was om neutraal te blijven dan was hij waarschijnlijk blijven bestaan, echter mocht het niet zo zijn. De “grote vrede” eindigde in 177 en de League werd twee jaar later vernietigd. Ook de Caughnawaga en de andere leden van de zeven naties van Canada, probeerden neutraal te blijven, maar uiteindelijk vochten ook zij mee in de oorlog aan beide zijden.
William Johnson, had bij leven, Joseph Brant als zijn eigen zoon behandelt en hij had hem ook naar engelse scholen gestuurd. Terwijl hij een steeds belangrijke leider onder de Mohawk werd, was hij ervan overtuig dat zij hun land aan de Amerikanen zouden kwijt raken en hij was dan ook tegen het besluit van de League om neutraal te blijven. Toen hij de rang van Kapitein aanvaarde binnen het Engelse leger, bezocht hij Engeland in 1775 en keerde op tijd terug om nog deel te nemen aan de slag bij Lang Island in 1776. Boos om het feit dat de Amerikanen, John Johnson, de zoon van William hadden gearresteerd omdat hij loyalist was, keerde hij zich tegen het besluit van de League en trok hij met zijn krijgers naar het Noorden om de Amerikanen te verhinderen bij hun poging, canada in te nemen in de winter van 1176- 77. Het waren met name de Oneida en Tuscarora die door de Missionaris Samuel Kirkland, aan Amerikaanse zijde stonden. De Crisis begon echt toen de Engelsen in 1777 probeerden om New England van de andere koloniën af te snijden, door de Hudson vallei te bezetten.
Het plan was om drie Engelse legers bijeen te laten komen in Albany. Generaal William Howe zou naar het noorden vertrekken, vanuit New York city, terwijl Generaal John Burgoyne naar het zuiden marcheerde vanuit Montreal en kolonel Barry St. Leger naar het oosten trok door de Mohawk vallei. En juist dit was een probleem. Omdat het leger over Iroquois grondgebied moest reizen, had het de toestemming van de Cou8ncil nodig. Juist dat jaar was de council verzwakt door het uitbreken van een epidemie en er ontbraken een aantal belangrijke Sachem’s. Hoewel de Oneida nog steeds tegen hem waren, lukte het Brant om de Seneca en Cayuga voor zich te winnen. Niet in staat om het geschil binnen de Council op te lossen, doofden de Onondaga het heilige vuur en schaarden zij zich aan de zijde van de Engelsen. Dit betekende het einde van de grote vrede en voor het eerst vochten de Iroquois aan verschillende zijden.
Gesteund door de Iroquois en andere Native bondgenoten, trok St. Leger door de Mohawk Vallei richting fort Stanwix. Op 6 Augustus 1777 ontmoetten de engelse en Amerikaanse legers elkaar bij de “slag van Oriskany”. De Oneida krijgers vochten aan Amerikaanse zijde en de Mohawk en Seneca stonden tegen over hen. Het leger van St. Leger werd verslagen en doordat hij gefaald had om Fort Stanwix te veroveren moest St. leger zich terug trekken naar Canada. In Oktober dienden de Oneida als gidsen van de Amerikanen tijdens hun overwinning op Generaal Burgoyne bij Saratoga- het keerpunt van de Amerikaanse revolutie. Verder waren zij betrokken bij het leveren van voedsel aan het hongerende leger van Washington in Valley Forge en ze namen in mei 1778 deel aan de slag bij Barren Hill onder het commando van Lafayette.
Ondanks hun tegenslagen bij Saratoga en Oriskany, lanceerden de Engelsen en Iroquois een serie aanvallen op de Grensposten, waardoor de Amerikanen in de verdediging werden gedrukt in New York en Pennsylvania, tijdens de zomer en herfst van 1778.
In juli, vielen de Mohawk van Brant, de Cherry vallei aan de bovenstroom van de Susquehannah in New York aan. Hierop volgde nog een aanval op enkele nederzettingen op het eiland Minisink, waardoor er een aantal boerderijen in vlammen op gingen. De echte schade brachten ze echter toe , toen ze bij hun terugtocht 150 militia in de val lieten lopen, waarvan het er maar 30 overleefden. Tegelijkertijd vielen Mc Donald en zijn tories samen met een aantal indianen, nederzettingen in Northhampton en in de vallei van de Susquehannock aan.
In september sloeg Brant nogmaals toe, ditmaal bij de “German Flats” in de Mohawk vallei. De Amerikanen waren echter gewaarschuwd en vluchten naar de nabij gelegen forten : Dayton en Herkimer. Daar zaten zij opgesloten in de forten te kijken naar hoe hun nederzettingen in vlammen op gingen..
In Noveber besloot Brant om voor een tweedekeer op te gaan met de Tory’s en hij sloot zich aan bij de rangers van Walter Butler. Gezamenlijk vielen zij voor de tweede keer de nederzettingen in de Cherry vallei aan (Cherry Valley Massacre). Ze overvielen de Amerikanen en 30 kolonisten werden gedood en hun huizen verbrand. Hierna volgde een aanval op het nabij gelegen Amerikaanse fort, waarbij 16 soldaten gedood werden. Toen de versterkingen arriveerden trokken de Engelsen en de Mohawk zich terug.
Als gevolg van deze slachting kreeg Brant de bijnaam:”Monster Brant”. Maar dit was onterecht omdat het grootste deel van de slachting door de mannen van Butler was gedaan. Later verklaarde Brant:’ ik heb nog nooit zulke schoften meegemaakt”. Het bleek in de familie te zitten, want de vader van Walter, John Butler, organiseerde dat jaar de grootste massaslachting die ooit plaats had gehad in de vallei van de Wyoming. Brant en zijn Mohawk waren niet aanwezig, maar zonder hun hulp keerde John Butler in fort Niagara terug met 267 scalp. Uiteraard vroeg een dergelijke slachting om wraak van de Amerikanen en in de zomer van 1779 stuurde generaal George Washington drie legers op pad om het Iroquois thuisland te vernietigen. Vanuit het zuiden trok generaal John Sullivan de Susquehanna op met 4.000 soldaten. Generaal James Clinton trok naar het westen door de Mohawk vallei, terwijl Kolonel Daniel Brodhead vanuit fort Pitt de Allegheny rivier op trok. Geleid door Oneida gidsen, verpletterde de Amerikanen de 500 krijgers van Brant en de 200 Toris van John Butler bij de tweede slag van Oriskany en in september veroverden zij de hoofdstad van de League, het Onondaga dorp Kanadaseagea. De Amerikanen waren niet te stoppen en verwoestte alles waaronder zo’n 40 dorpen. Als gevolg hiervan kreeg Washington de Iroquois bijnaam:”Caunotaucarius ofwel dorp verwoester”. De Iroquois zouden deze slag niet meer te boven komen en verbleven tijdens die winter onder de rook van fort Niagara. Brant wist echter nog een grote krijgsmacht op de been te brengen om de Oneida te gaan straffen en in de winter trok hij erop uit en viel de Oneida dorpen aan. Tijdens deze Iroquois burgeroorlog stierven honderden Iroquois en de Oneida sloegen op de Vlucht naar de Amerikanen bij Schenectady De rest van de oorlog verbleven zij daar in armoe, maar ze bleven voor de Amerikanen gidsen..
Het lukte Brant ook nog om een vredesverdrag tussen de Seneca en de Amerikanen te verhinderen en de Iroquois gingen verder met hun aanvallen op de grens in dienst van de Engelsen.
De oorlog in de Ohio vallei, stond eigenlijk los van het conflict ten oosten van de Appalachen en bleef ook voortduren(met een paar onderbrekingen) tot 1795. Kort nadat de oorlog begonnen was begonnen de Engelsen met het uitdelen van wapens en met het uitloven van beloningen voor Scalps van Amerikanen. De Cherokee en Shawnee vielen als eerste aan, maar doordat de Amerikanen hun wraak vervolgens op een iedereen namen, raakten andere stammen ook al snel bij de strijd betrokken.Toen de Iroquois in 1777 ook bij de strijd betrokken raakten, maakten de Mingo al deel uit van de alliantie en zouden zij met hen blijven strijden tot 1794. Veel van de rooftochten op Kentucky in die periode, vonden hun oorsprong in Pluugy’s Town, een Mingo dorp vlak bij het huidige Deleware, Ohio. In september van het jaar 1777 werd fort Henry door 400 Shawnee, Mingo en Wyandot aangevallen en werd de helft van het garnizoen gedood. Toen de Amerikanen in 1778 fort Laurens bouwden in oost- Ohio, werd het door Mingo en Wyandot krijgers omsingel, tot het door de Amerikanen werd verlaten.
Aan het einde van de oorlog, vluchtte Joseph Brant naar Canada met bijna 2,000 volgelingen (voornamelijk Mohawk en Cayuga). Een tweede groep Iroquois sloegen hun kamp op aan de Noord kust van het Ontario meer, iets ten westen van Kingston. Brant sloeg zijn kamp op aan de Grand rivier in zuid Ontario, op een 675.000 hectare groot gebied, gekregen van de Canadese Gouverneur. Later zou hij hiervan 300.000 hectare moeten verkopen om zijn mensen te kunnen voeden.
In het Six- nations reservaat aan de Grand rivier, herstelde Brant het vuur van de League in ere, nadat het sinds 1777 uit was geweest. Tegelijkertijd werd er een tweede raadsvuur in New York hersteld, waardoor er de vraag rees, wie nu de Iroquois vertegenwoordigde in hun claim op de Ohio vallei. Met het veroveren van Illinois in 1778, door Clark waren de grenzen van de verenigde staten uitgebreid tot aan de Mississippi en de Amerikanen hadden geen twijfel over”wie er mee telde” en stuurde een bericht naar New York, dat de Iroquois nu “verslagen en veroverd” waren. Zij dwongen hen opnieuw een verdrag te tekenen waarin zij opnieuw veel van hun thuisgebied moesten afstaan en waarin de claim van de Engelsen op Ohio opnieuw werd bevestigd. Joseph Brant en zijn Canadese Iroquois schitterde van afwezigheid bij het tekenen van het verdrag en de Iroquois League splitste zich in twee fracties.
Na het tekenen van het verdrag van Parijs, vroegen de Engelsen aan de Ohio stammen te stoppen met hun aanvallen op de Amerikaanse kolonisten. In feite vonden zij echter dat de kwestie over Ohio nog niet was afgerond. De Engelsen weigerde dan ook de door hen bezette Amerikaanse forten te verlaten, zolang de Engelsen loyalisten niet gecompenseerd werden voor hun verliezen tijdens de oorlog. Er was natuurlijk geen enkele Amerikaan die dit kon betalen, of ze moesten hun land in Ohio verkopen. De Engelsen zagen het dilemma van de Amerikanen en gaven de stammen bericht hen te zullen steunen bij elk conflict dat ze met de Amerikanen zouden krijgen.
De Ohio stammen hadden intussen van het tweede verdrag van Fort Stanwix gehoord, dat de Iroquois hadden getekend en zij verloren al hun vertrouwen in deze Iroquois die de belangen van de Ohio stammen niet meer verdedigden. Ondertussen nam de macht van de Canadese fractie van de Iroquois toe.
De Amerikanen zagen inmiddels ook in dat de invloed van de New York Iroquois tanende was en ze wilde het verdrag ook door de Ohio stammen laten tekenen. De westerse alliantie werd echter als een Engelse pion gezien(dat was het ook) en dus besloten de Amerikanen alleen met de individuele stammen te onderhandelen. Er werden een aantal verdragen getekend, door onder andere de Deleware Ottawa en Ojibwe, maar deze waren van geen waarde zolang de Westerse alliantie, hen niet erkende. Daarnaast was er ook een conflict over de buitengrens van het Amerikaanse rijk. De leden van de alliantie wilden de Ohio rivier als grens terwijl de grensbewoners de gehele Ohio vallei als grondgebied wilden. De New York Iroquois zagen het conflict ontstaan en riepen de stammen bij elkaar voor overleg in de lente van 1786. Er kwam verscheen echter niemand. Ondertussen verkocht het Amerikaanse congres de landrechten aan een New Jersey Syndicaat en aan de Ohio Compagnie, om er de oorlogsschulden mee te betalen. Vele Amerikanen trokken de Ohio vallei illegaal binnen en de verdragen werden waardeloos.
Er werd nog een laatste poging gedaan om het conflict met de stammen uit Ohio op te lossen in december van 1787. De Amerikaanse gouverneur riep de stammen bijeen in Fort Hamar. De stammen van de westerse alliantie waren echter verdeeld in hun reactie. Brant sloot zich aan bij het overleg met de stammen en eiste dat alle rechten op Ohio van de Amerikanen, onrechtmatig zouden worden verklaard. De Wyandot wilde echter met de Amerikanen gaan onderhandelen en vonden steun bij de Potawatomi, Ottawa, Ojibwe en Deleware en Brant verliet boos de vergadering. De uiteindelijke ontmoeting tussen de Ohio stammen en de Amerikanen zou uiteindelijk in januari 1789 plaats hebben en tijdens het verdrag van Fort Harmar, werd de grens van het Ohio grondgebied vastgesteld bij de Muskingum rivier. Niemand was hierover echter tevreden en de aanvallen op de Amerikanen gingen door.
De Amerikanen waren het nu zat en besloten het conflict met geweld op te lossen. De Westelijke alliantie vroeg de Iroquois van New York om hulp, maar toen deze weigerden verloren zij alles wat er nog over was van invloed op de Ohio stammen. De Oorlog van “Little Turtle” (1790--94) begon met twee grote overwinningen op de Amerikanen bij Harmar en St. Clair. De Amerikanen konden zich echter geen verlies veroorloven en stuurden “mad Anthony” Wayne naar Ohio. Wayne begon op zijn gemak met het trainen van zijn soldaten in tegenstelling tot de ongeorganiseerde militia die in een eerdere fase verslagen waren.
Nu de invloed van de New York Iroquois weg was, nam de invloed van Brant weer toe binnen de westelijke alliantie. De alliantie begon echter te twijfelen nu zij zagen hoe goed Wayne zich op de strijd begon voor te bereidden. In de Herfst van 1793 trok Wayne met zijn leger Noord Ohio binnen. De alliantie schrok en vroeg aan Brant of hij een vrede met de Amerikanen kon bemiddelen . Ondertussen waren de Engelsen in het geheim ook aan het onderhandelen met de Amerikanen.
Brant die hiervan niets wist, drong er bij de Ohio stammen op aan om de strijd aan te gaan en hij vertrouwde hierbij op de steun van de Engelsen. De meerderheid van de Alliantie stemde hiermee in en in augustus van 1794 ontmoetten het legioen van Wayne en de stammen elkaar bij Fallen Timbers. De alliantie verloor de strijd en sloeg op de vlucht. De Engelsen weigerden hen onderdak te geven in hun forten en verstoken van enige hulp gaven de stammen van de alliantie zich over en ondertekende het verdrag van Greenville waarin ze afstand deden van Ohio.
Na 40 jaar oorlog was het conflict over Ohio afgelopen. De 60 hyperopvolgende jaren werd New York overspoeld door landspeculanten en de eerste die hiervan het slachtoffer werden waren de Oneida, die de Amerikanen zo gesteund hadden bij hun revolutie. Beloften werden verbroken en de Oneida leefden in armoede na de oorlog. Om aan voedsel te komen waren de Oneida genoodzaakt 6 miljoen hectare op te geven in ruil voor een reservaat op een andere plek. Om dezelfde redenen deden ook de Onondaga afstand van hun grond in New York in 1788 en de Cayuga een jaar later. Hun land werd opgekocht en zij verhuisde naar reservaten.

Het verdrag van fort Stanwix van 1784, werd door slecht twee Mohawk getekend, de rest bevond zich in Canada bij Brant. Nu deze niet meer in hun thuisgebied leefden werd ook het land van de Mohawk overspoeld door speculanten. Brant verkocht het Mohawk gebied in New York uiteindelijk in 1797. De Onondaga verkochten uiteindelijk zelfs het grootste deel van hun reservaat in 1822 en in datzelfde jaar verkochten ook de Oneida hun reservaat en stemde de helft van hen ermee in om naar Wisconsin te verhuizen. De Christelijke Stockbridge indianen en de Brotherton gingen met hen mee. Ook de Tuscarora stemde in met een verhuizing, maar een deel van hen bleef in New York of vertrok naar Canada.
De laatste klap kwam echter met de Indian Removal Act van 1830. De druk nam toe om ook de laatste Iroquois uit New York te verwijderen en het resultaat was het verdrag van Buffalo Creek. Met het verdrag stemden de overgebleven Iroquois ermee in om naar zuid oost Kansa te verhuizen. In werkelijkheid kwam er echter weinig van het verdrag terecht om dat invloedrijke Quakers de uitvoering ervan blokkeerden. Uiteindelijk verhuisde 210 van de New York Seneca naar Kansas.
De Mingo in Ohio vochten samen met de westelijke alliantie tot aan Fallen Timbers en in 1795 sloten zij vrede met de Amerikanen. In 1805 sloten de Wyandot een verdrag met de Amerikanen waarin zij definitief afstand deden van het oostelijk deel van Noord Ohio, waardoor de Mingo dorpen in dat gebied gedwongen werden naar Noord west Ohio te verhuizen. In 1807 sloten zich deze groep een aantal Cayuga uit New York aan.
Het voortdurende verlies van Indiaans grondgebied in de Ohio vallei gaf voeding aan de beweging van Tecumseh en zijn broer de profeet Tenskwatawa. Sommige van de Mingo sloten zich bij hen aan en vochten met de Engelsen mee tijdens de oorlog van 1812-1815. De meeste Mingo en de New York Iroquois bleven echter neutraal. Aan het einde van de Oorlog verklaarde de Seneca de oorlog aan de Engelsen, nadat deze Grand Island hadden bezet in de Niagara rivier. Dit eiland werd geclaimd door de Seneca. In reactie hierop vielen de Engelsen een Tuscarora dorp een bij Niagara falls, New York.

De tien jaar tussen het verdrag van Fort Stanwix en 1795 waren waarschijnlijk het dieptepunt voor de Iroquois. Vanaf toen herstelde de Iroquois zich langzaam tot aan de huidige tijd. In 1799 had de Seneca”handsome Lake” een visioen dat niet alleen zijn leven veranderde maar ook de geschiedenis van de Iroquois. Na afloop predikte hij de “goede boodschap” en stichtte hij de Longhouse religie een mix van oude Iroquois waarden en normen en christendom. De Longhouse religie draagt een boodschap van tolerantie uit, maar het is vooral een Native religie.boven begin

 

Reservaat

boven begin

Links

boven begin