gastenboekrkaartr

terugStuur een Emailtje bij vragenzoek op de websiteTerug naar het beginvolgende

Lipan- Apache
(tekst wordt herzien)

aravaipa apachechiracahua apachecoyotero apachefraones apachejicarilla apache

kiowa apachelipan apachemescalero apachepinalenos apache

Algemeen gezien zijn de apache opgedeeld in twee groepen, de Oostelijke- en de westelijke Apache, met de Rio Grande als grens. Twee groepen leven gedeeltelijk of in zijn geheel in Texas: de Lipan Apache en de Mescalero Apache.
De Apaches hadden diverse namen. Omdat de Apache constant rondtrokken is het zeer waarschijnlijk dat met verschillende namen dezelfde groepen bedoelt werden. Sommige van de namen van Apache bands in Texas waren: Limita, Conejero, en Trementina.
Alleen de namen Mescalero en Lipan overleefden het in de 20ste eeuw. De naam Apache komt waarschijnlijk uit het Zuni woord "apachu" en betekend “vijand”.
De Apache zelf noemen zich de Inde of Dine wat “ de mensen” betekend.

Tussen 1000 en 1400 na Chr. arriveerden de Apache waarschijnlijk in het zuidwesten. Nadat ze op de een of andere manier gescheiden waren geraakt van hun noordelijke familieleden trokken zij langs de Rocky Mountains naar het zuiden om zich van daaruit te verspreiden in New Mexico en Arizona. Na verloop van tijd werden de Apache verder naar het zuiden gedreven door de Commanche en andere stammen.

lipan apache

 

Een sociale eenheid van de Lipan en Mescalero Apache bestond uit een uitgebreide familie. Meestal sloegen diverse families gezamenlijk hun kamp op en leefde onder leiding van het meest vooraanstaande lid. Deze Chief trad op als bemiddelaar tussen de families en behartigde de groepsbelangen. Een aantal van deze groepen leefden bij elkaar in de buurt en konden zo, indien nodig, gezamenlijk ten strijde trekken en gezamenlijke ceremonieën uitvoeren. De leider van de samengevoegde groep was de Band Chief.
De Lipan Apache hadden geen grotere formele organisatie als de bands en dit leverde vaak problemen op in het contact met de Spanjaarden en later met de Mexicanen, Texanen, en Amerikanen.
Zo kon het zijn dat de ene band vrede sloot met zijn vijanden en een andere band gewoon nog in oorlog met hen bleef. Van de andere kant was het zo dat als de Apache vrede sloten met een nederzetting dat niet automatisch betekende dat zij ook vrede sloten met de andere Nederzettingen. De Chiefs van de bands waren altijd mannen, maar ook de vrouwen namen een belangrijke plaats in de groep in. Tot aan hun huwelijk, moest de bruidegom bij zijn nieuwe schoonouders in gaan wonen en met hen jagen en mede zorg dragen voor de familie. Wanneer de vrouw voor het huwelijk stierf dan moest de “schoonzoon” bij de familie blijven wonen en zorgden zij voor een nieuwe bruid. De vrouw daarin tegen had weinig verplichtingen ten opzichte van de familie van haar man, maar als hij stierf konden ze een broer of neef aanwijzen als nieuwe partner. De man mocht met meerdere vrouwen trouwen, maar met uitzondering van rijke of grote leiders deden weinige dit. In deze uitzonderlijke gevallen, mochten de mannen met zussen of nichten van hun vrouw trouwen.De Apache waren een nomadisch volk en leefden bijna geheel van de Bizon vangst. Zij kleden zich met de huiden van de Bizons en leefden in tenten gemaakt van gelooide en ingevette huiden, die werden vervoerd met een travois, die achter de honden werd gespannen. Zij waren een van de eerste stammen die na de Pueblo indianen leerden omgaan met paarden. Zij leerde dit van gevluchte of gevangen genomen Pueblo indianen en namen al snel de mogelijkheden van de paarden over. Toen de Spanjaarden, de Pueblo indianen verboden nog met de Apache te handelen en zij dit hen uiteindelijk bijna onmogelijk maakten, keerden de Apache zich tegen hen en gingen om pad om via rooftochten aan paarden te komen.
Het eerste contact tussen de Spanjaarden en de Apache vond plaats toen de ontdekker Vasquez de Coronado en zijn mannen op weg naar Quivira, een band tegen kwamen die zich de “Querechos” noemden. De Spanjaarden en Pueblos leden flink onder de rooftochten van de Apache tussen 1656 en 1675. Deze rooftochten in combinatie met de droogte en het strenge optreden van de Spanjaarden en de Missionarissen, zetten de Pueblo indianen aan tot een opstand, en zij dreven de Spanjaarden uit New Mexico in 1680. Toen de Spanjaarden New Mexico opnieuw veroverden in 1692, hadden de Apache zich inmiddels ontwikkeld tot een krachtige, bereden stam die op rooftocht gingen, waar en wanneer zij maar wilden. Maar deze apache- overheersing was maar een kort leven beschoren. Door hun agressieve manier van leven, veranderden hun buren in vijanden en een nieuwe en potentiële machtige stam, de Comanches, dreven de Apaches, langzaam naar het zuiden.
Tegen 1700 begonnen de Apache naar het zuidwesten te trekken, omdat de Comanches, Wichita en Tejas indianen, beter bewapend door hun handel met de Fransen, hun land binnen begonnen te trekken om niet meer weg te gaan. Ook waren de Apache er nooit helemaal in geslaagd zich aan te passen aan de cultuur van de plains. Zij bleven bezig met het bouwen van Rancherias, waar zij hutten bouwden en landbouw bedreven. Deze poging om hun voedselsituatie te verbeteren, was de belangrijkste reden dat zij door de Comanches verslagen werden. Twee maal per jaar, tijdens het planten en oogsten waren zij verplicht naar de Rancherias terug te keren. Als gevolg daarvan wisten de Comanches precies waar zij hun vijanden konden vinden en konden zij verschrikkelijk rooftochten lanceren.
Met iedere succesvolle rooftocht werden de Comanches sterker en de Apaches zwakker. Terwijl de Apaches vluchtten om een bloedbad te voorkomen, trokken veel groepen naar het westen van Arizona en New Mexico. Anderen, voornamelijk de Lipan en Mescalero vluchtten naar het zuiden van centraal Texas en het noorden van Mexico. Daar kwamen zij opnieuw in botsing met de Spanjaarden die Noordwaarts wilde uitbreiden. De Spanjaarden hadden eerder de Tejas geholpen bij hun rooftochten tegen de Apache. Toen de Spanjaarden San Antonio stichtten in 1718 zagen de Apache dit als een mooie gelegenheid om enkele rooftochten tegen hun Europese vijanden uit te voeren. De Spanjaarden in san Antonio probeerden vrede met de Apaches te sluiten maar hadden weinig succes. Na een aantal botsingen vroeg de Viceroy van San Antonio aan de Gouverneur van Texas, om op een vriendelijke manier vrede met de Apaches af te dwingen. Er rekening mee houdende dat ook de Jiccarilla apache vrede hadden gesloten met de Spanjaarden in New Mexico, hoopte de Gouverneur op een zelfde resultaat met de Lipan en Mescalero. De gouverneur verbood alle verder tochten tegen de Apaches in 1725 en zijn beslissing leek een positieve uitwerking te hebben om dat de rooftochten van de Apaches de volgende 6 jaar sterk afnamen. Tijdens deze rustpauze deed de Gouverneur een algemene inspectie van zijn troepen langs de gehele Spaanse grens en adviseerde, onder andere een inkrimping van het aantal troepen in San Antonio. Zeker onder invloed van de “rust” in de omgeving.
Deze actie riep veel protest bij de kolonisten op omdat zij bang waren voor nieuwe rooftochten van de Apache, zo gauw zij zouden horen van de kleinere macht in San Antonio. De regeling van 1729, voornamelijk gebaseerd op de aanbevelingen van de Gouverneur, verbood vijandelijkheden tegen vriendelijke of onpartijdige stammen, ontmoedigde tochten tegen vijandelijke stammen door vriendelijke stammen en moedigde aan vrede te sluiten met vijandelijke stammen die vrede wilden. Gedurende de 30 en 40 er jaren bleven de Spanjaarden en Apache in strijd met elkaar. In 1743 drong frater Benito Fernandez de Santa Ana er bij de overheid op aan om een missiepost te bouwen in het gebied van de Apache als oplossing van het grootste indianen probleem in de geschiedenis van Texas.
 Op 19 Augustus 1749 verbrandden 4 Apache Chiefs hun wapens en ander oorlogstuig samen met veel van hun volgelingen tijdens een vredesceremonie in San Antonio. Voor het eerst leek het er op dat beide partijen vrede wilden  en de Apaches die in aantal aardig achteruit waren gegaan als gevolg van de vijandelijkheden van de Comanches, wilde zich maar al te graag bekeren tot het christendom in ruil voor bescherming van de Spanjaarden.De Missionarissen van San Antonio, deden verschillende voorstellen voor het opzetten van de missieposten, maar doordat er sprake van veel concurentie onderling was kwam er weinig van terecht.
De eerste officiele missiepost werd niet opgericht bij San Antonio, maar binnen de grenzen van het plaatsje San Juan Batista aan de Rio Grande. Deze missie was echter geen lang leven beschoren, omdat hoofd van de missie, vader Taerros, wegging en de Apache niet tevreden waren met zijn opvolger.
De missiepost werd uiteindelijk platgebrand na een opstand. De Missionarissen gaven de schuld hiervan aan de Apaches, door hun onrust en het feit dat ze geen afstand konden houden van hun eigen gebied. Deze laatste reden, pleitte ervoor een missiepost dichter bij het leefgebied van de Apache op te richten. Het feit dat er goede vooruitzichten voor mijnbouw in het gebied van de apache waren, steunde de gedachte voor een missiepost De neef van vader Terros bood aan de missiepost te financieren en het plan werd snel opgepakt. Toen Terros en zijn groep o.a. bestaande uit Col. Diego Ortiz Parrilla, aan de San Saba rivier arriveerden, waren er echter geen indianen om hen te verwelkomen Toch vond terrerro, ondanks protesten van de Kolonel, dat de bouw van de Missiepost moest beginnen. In juni 1757 arriveerde de eerste indianen op de plaats, en binnen dagen waren er zo’n 3000 apache die hun kamp op hadden geslagen bij de missiepost. De missionarissen waren erg blij met de opkomst, totdat zij merkte dat de indianen de missiepost niet binnen wilde komen. Het bleek dat de Apache zich hier alleeen hadden verzameld als beginpunt van de grote Bizon jacht en een strijdtocht naar hun vijanden, de noordelijke stammen.
Al snel vertrokken de indianen met de belofte dat zich bij de missiepost zouden settelen, zou gauw zij terug waren van hun missie naar de Bizons. Gedurende de herfst en winter van 1757, bezochten kleine groepen de missiepost. Maar nadat zij gebruik hadden gemaakt van de vriendelijkheid van de missionarissen trokken zij weer verder richting het zuiden.
Op 16 maart, 1758 bezocht een groep van 2000 Comanche, Tejas, Didai, Tonkawa en andere indianen de missiepost en vermoorden 8 bewoners, plunderden de voorraden en brandde de post plat.Ondanks de mislukking bij San Saba en het feit dat de Apache blijkbaar niet te vertrouwen waren, bleven de Spanjaarden proberen om de vrede te bewaren. De Apaches daarin tegen deden net genoeg om de Spanjaarden bezig te houden. Zij vergezelde zelfs Col. Ortiz tijdens zijn campagne om de Noordelijke stammen te straffen.
Ondanks dat sommige Lipan vlak voor de veldslag besloten niet mee te doen, vervulde ze schijnbaar toch een belangrijke rol voor Ortiz. De Lipans bleven vragen om een missiepost maar weigerde zich te settelen bij de post in San Saba na de slachting aldaar. Zij verlangden een plek die verder gelegen was van hun vijanden de Comanches en de andere noordelijke stammen.
 In Januari 1762 werd er een nieuwe missiepost voor de Apache gebouwd, genaamd San Lorenzo de la Santa Cruz. Hij bevond zich aan de boven Nueces rivier tussen de Rio Grande en San Saba.
Toen de missie klaar was, bezochten een aantal Apache bands hem, echter er was maar één band van meer dan 300 leden die zich er daadwerkelijk vestigde.
 Echter binnen een maand kwam er een verzoek van een chief of er enkele mijlen stroom afwaarts ook een missiepost gevestigd kon worden. In februari werd daar de Nuestra Senora de la Candelaria mission opgericht.
Het leven bij de missiepost verliep rustig tot in 1764 de Neophtes getroffen werden door een epidemie van de pokken, met als gevolg, dat de Missionarissen niet meer genoeg middelen hadden om de indianen te voeden en zij teveel inzet van hen verlangden. Langzamerhand raakte de Lipans uitgekeken op het leven bij de Missiepost. In 1766 verlieten ze Candelaria en toen de Comanches en andere stammen San Lorenzo begonnen aan te vallen verlieten de Apache de post met hele groepen. Tegen de zomer van 1767, waren alle Lipans vertrokken bij de beide posten.Rond deze tijd was ook de Marques de Rubi klaar met zijn inspectie van de grenzen van de Spaanse gebieden. Hij geloofde dat de Comanches en de Noordelijke stammen, de Spanjaarden alleen maar aanvielen als gevolg van het contact met de Lipan Apache. Rubi was er van overtuigd dat er vrede gesloten kon worden met de stammen uit het noorden en dat met hun hulp de lipans uitgeroeid konden worden of in ieder geval gereduceerd tot niet meer van belang.
Tegen de jaren 1790 waren de Apache redelijke rustig geworden, al voerde ze zo nu en dan nog wel een rooftocht uit. De Spanjaarden sloten vredesverdragen met hen in 1790 en later ook nog in 1793.
Toen de Mexicaanse oorlog voor onafhankelijkheid begon in 1811, moesten de Spanjaarden de prijs betalen voor het feit dat ze nog maar weinig aandacht aan de Indianen hadden besteed. De indianen begonnen weer met roven en dit duurde tot het einde van de Spaanse overheersing in Texas en New Mexico.De Mexicaanse overheid tekende snel twee verdragen met de Lipans. In beide verdragen werd afgesproken dat de overheid de Lipans zou voorzien van maïs en kruit in ruil voor vrede. Toen de Engelstalige Amerikanen, centraal texas begonnen binnen te trekken, ontwikkelde de Apaches een vriendschap met hen. Beide partijen hoopten dat ze elkaar zouden helpen als ze aangevallen zouden worden door vijandelijke stammen in de buurt. De Lipans gingen vaak op rooftocht in Mexico en verkochten hun paarden dan aan de Anglo’s. De Mexicaanse overheid leek het beter een oogje dicht te knijpen, omdat ze het belang van de Lipans inzagen bij hun strijd tegen de formidabele Comanches.

Toen Texas zijn onafhankelijkheid kreeg bleven de blanken en de apaches hartelijk met elkaar omgaan. De samenwerking werd verbroken in 1842 en 250 van de ongeveer 400 Lipans verlieten Texas om zich bij hun broeders de Mescalero’s te vestigen in Mexico, met wie zij samen tientallen jaren rooftochten hielden langs de grenzen alleen al in 1856 tot 1857 melde Uvalde County, de diefstal van $ 30.000 aan vee en de dood van 18 mensen. De Mexicaanse overheid wilde niet optreden omdat een aantal van de grenssteden aardig meeprofiteerden van de plunderingen van de Apaches. Uiteindelijk leidde kolonel Ronals S Mackenzie een groep van 400 soldaten, Mexico binnen en vernietigde de Lipan dorpen. Zo goed als alle Lipans werden gevangen genomen en zij werden gedeporteerd naar het Mescalero reservaat in de Sacramento Bergen van New Mexico, dat al in 1855 toegewezen was aan de Mescalero, maar pas in 1873 gecreerd werd.
In 1905 trok ook de rest van de in Mexico overgebleven indianen naar het reservaat. In 1970 leefden er in het reservaat 1660 indianen, waaronder Mescaleros, Chiricahuas, Lipans, Kiowas en een aantal Comanches..