gastenboekrkaartr

Stuur een Emailtje bij vragenzoek op de websiteTerug naar het beginvolgende

De Metoac

taalgflokatiegfpopulatiegfbandsgfcultuurgfgeschiedenisgfreservatengflinksgf

De Metoac leefden op Long Island ten oosten van de Nassau County Line.
Het aantal Metoac dat er leefden was rond 1600 zo’n 10.000 (de gezamenlijke stammen). Als gevolg van de voortdurende oorlogen en epidemieën de 60 jaar daarna nam het aantal Metoac snel af.
Tegen  het jaar 1659 leefden er nog maar 500 Metoac op Long Island. Rond 1788 waren er nog maar 162 en bij een  telling in 1910 leefden er 167 Shinnecock, 29 Montauk, en 1 Poosepatuck op long Island.
Op dit moment bevinden zich twee reservaten op Long Island, het Shinnecock reservaat met zo’n 400 inwoners en het Poospatock reservaat met zo’n 200 Unkechaug inwoners. Naast de inwoners van deze reservaten leven er ook nog zo'n 1400 Metoac indianen in  de omgeving van Long Island. In de jaren 1930 heeft de staat New- York een poging gedaan om de reservaten te sluiten. De staat- erkenning van de Metoac dateert nog uit de koloniale tijd. Omdat ze nooit een  verdrag met de VS sloten hebben de Metoac geen federale erkenning.

De Metoac leefden verspreid over het 120 mijlen lange eiland en blijkbaar hadden ze geen gemeenschappelijke naam voor zichzelf. Soms werd de naam Jameco gebruikt en soms ook de naam Manhattan (eiland mensen).
Andere stammen noemden hen “Sewanakie” wat “ zout water mensen “ betekende, maar meestal was dit de Algonkin naam  voor de Europeanen met in het bijzonder de Hollanders. Ook  worden de Metoac wel regelmatig  “Montauk” genoemd naar de grootste band  van de Metoac.
De Metoac spraken Algonkin zoals vele stammen in de omgeving. Er waren twee verschillende Dialecten die gesprokken werden. De Montauk en Shinnecock van Oost- Long Island spraken het Y-dialect dat overeen kwam met de taal van de Pequot, Mohegan, Niantic, en Narragansett, terwijl de Meteoc in het centrale deel en westelijk deel het R-dialect spraken gelijk aan dat van de Mattabesic in West Connecticut en de wappinger aan de oost kant van de lower hudson rivier.

De verschillende subnaties waren:
Canarsee, Cochaug, Manhasset, Manhatten, Massapequa, Matinecock, Merrick, Montauk, NesaquakePatchoque, rockaway, Secatoag, Setauket, Shinnecock,  en unkechaug.
In feite zijn de Metoac meer een geografisch gebonden groep stammen, dan dat zij politiek aan elkaar verbonden zijn. De bewoners van Manhattan worden dan ook tot deze groep gerekend, puur omdat zij ook in het gebied leefden. Om taal technische redenen werden de Metoac gerekend tot de Unami Deleware. Ook leek de cultuur van de Metoac erg op die van de stammen die op Long Island leefden en langs de Noord en zuid kusten van New England.
De Metoac waren een landbouwvolk, dat hun dieet aanvulde met de opbrengsten van de jacht en visserij. Hoewel ze in dorpen leefden, veranderden ze wel per seizoen van locatie, volgens een vast patroon. Op deze manier maakten ze optimaal gebruik van de natuurlijke bronnen in het gebied. De dorpen waren over het algemeen klein en niet versterkt, totdat zij onder een constante dreiging kwamen te leven vanaf 1630.
Ondanks dat er soms sprake was van een losse confederatie met de andere stammen in het gebied, ontbrak het de Metoac aan een sterke centrale leider. Voordat zij voor het eerst kennis maakten met de blanken, waren zij zelden betrokken bij de conflicten met andere stammen.
Eigenlijk hadden de Metoac  gewoon de pech dat zij aan de Noordelijke kust van Long Island leefden en dat ook dat de plek was waar de beste Wampum van het Noord- Oosten vandaan kwam.
Iedere zomer oogstten de Metoac de mosselschelpen uit de wateren van Long Island Sound, waarna deze gedurende de winter met veel vakmanschap en moeite werden omgevormd tot de zo gewilde kralen. Aaneengeregen tot kettingen, werden ze “Wampompeag” genoemd, door de Engelsen eenvoudig afgekort tot Wampum.
De Metoac ruilden de Wampum met de andere stammen en dan met name met de Mahican en ze voeren er wel bij. Doorverhandeld door de andere stammen bereikte het Wampum van de Metoac zelfs de Zwarte Heuvels in Zuid Dakota. De Wampum kettingen werden zowel als sierraad gebruikt en als universeel betaalmiddel bij de handel tussen de diverse stammen.
De kettingen werden ook weleens in een bepaalde vorm geregen en vertegenwoordigden op die manier een voorstel of idee, deze riemen werden ook gebruikt bij het bekrachtigen van belangrijke overeenkomsten. Er waren twee verschillende variëteiten: een lichte soort en een donkere soort, wat varieerde van paars tot zwart. De donkere soort was meestal twee maal zo veel waard als de lichte soort. De Schelpen die voor de Wampum gebruikt werden, vond men aan beide zijden van Long Island Sound, dus de Metoac hadden niet het monopoly op de handel. Naast de Metoac waren ook de Narrangansett, Deleware, Mattabesic, Niantic, en Pequot  betrokken bij de vervaardiging en handel in Wampum, maar die door de Metoac gemaakt werd gezien als de beste soort.
Na 1600 veranderde als gevolg van de bonthandel echter het doel en de waarde van Wampum. Geregen in lange kettingen en gemeten in vadems werd het gebruikt als ruilmiddel bij de bonthandel tussen de blanken en indianen. Hierdoor nam de waarde van Wampum toe. De Metoac, eerst vreedzaam, werden nu een volkje vervloekt door hun kwaliteiten en locatie. Ze werden dan ook al snel een gemakkelijke prooi voor de agressievere en grotere stammen in hun omgeving.
Voor 1600 leefden de Metoac dus een relatieve vrede en vrij geïsoleerd op Long Island. De stammen in de omgeving waren weliswaar een beetje jaloers op hun bronnen van Wampum, maar uit het feit dat de dorpen van Metoac niet versterkt waren en er geen centraal leiderschap was, bleek wel dat er geen echte dreiging was.
Iets verder onderaan de handelslijn waren er echter meer problemen. De rol van de confederatie van Mahican als tussenpersonen bij de Long Island Wampum handel was de bron van hun macht over de Iroquois en een belangrijke reden voor de Pre- Contact vijandschap tussen beide stammen. Ook waren er diverse conflicten, om dezelfde redenen, tussen de Susquehannock en Deleware, beide betrokken bij de handel in Wampum. Maar deze conflicten zouden vervagen bij de conflicten die later zouden ontstaan.
De echte ellende begon toen Henry Hudson, in opdracht van de Oost- Indische Compagnie, in 1609 de Deleware baai en de Hudson rivier ging verkennen om zo een verkorte route te vinden naar China. De Mythische route vond hij nooit, maar hij keerde wel naar Europa terug met een waardevolle lading bont . een jaar later arriveerde er een nieuw Hollands schip op de Hudson met als doel bont te verhandelen met de Mahican. Omdat de stammen van Long Island niet de beschikking hadden over grote hoeveelheden bont, werden zij in de eerste instantie genegeerd door de Hollanders. Zij vonden het beter om zich te richtten op de handel met de inlandse stammen zoals de Mahican en Mohawk. Tegen het jaar 1614, waren de Hollanders er in geslaagd een permanente handelspost  ( Fort Nassau) te vestigen, iets ten zuiden van Albany. 3 jaar later werd het fort echter alweer verlaten als gevolg van de steeds terugkerende overstromingen en de oorlog tussen de Mahican en Mohawk. Toen de Hollanders er in 1618 in slaagden, een permanente vrede tussen beide stammen te bemiddelen, herbouwden zij het fort aan de oostzijde van de rivier de Hudson. De handel werd daarna fors uitgebreid en de West- Indische compagnie haalde 30 gezinnen naar het “nieuwe Nederland” in 1624. Deze gezinnen vestigden zich in het thuisgebied van de Mahican. Tegelijkertijd begon men met de bouw van Fort Orange aan de westoever van de rivier de Albany, maar terwijl de bouw begon, brak er opnieuw een hevige oorlog uit tussen de Mahican en Mohawk.
tegen het jaar 1628, slaagden de Iroquois erin om de Mahican te verslaan en ze uit het oostelijke deel van het gebied van de Hudson te verdrijven. Ondertussen vielen de Susquehannock in het zuiden een aantal Deleware dorpen aan, om zo een betere toegang tot de Hollanders te verkrijgen. Rond 1638 slaagden de Susquehannock erin de Deleware te verslaan en ze te onderwerpen.
De Hollanders hadden ondertussen hun handel naar het oosten uitgebreid en langs de oostkust van Long Island legden zij contact met de Pequot, Niantic en Mattabesic.  Ook bouwden zij een fort aan de rivier de Connecticut bij Hartfort.
De handel tussen de indianen en de Europeanen had echter een lange tijd een beperking gehad en dat was dat de valuta van de Europeanen geen waarde voor de indianen had. De oplossing was ruilhandel. Een incident bij een Hollandse handelspost in 1622, veranderde de situatie echter. Vastbesloten de bonthandel in de omgeving te beheersen, vielen de Pequot een groep Mattabesic aan die de handelspost bezochten. De Hollanders bnamen hierop een Sachem van de Pequot in gijzeling. In ruil voor de vrijlating van hun leider boden de Pequot, de Hollanders een lading Wampum aan. Het “losgeld” werd geaccepteerd, maar ed gijzelaar werd toch gedood. De Pequot namen vervolgens wraak door de handelspost plat te branden. 
Beide partijen zagen echter al snel in dat de bonthandel te belangrijk was om deze te laten verstoren oor kleine zaken, als de dood van een Sachem en het plat branden van een handelspost en er werden dan ook snel excuses uitgewisseld en de handel werd hervat. Door het incident waren de Hollanders zich echter wel bewust geworden van de waarde van de Wampum en de mogelijkheden die het bood als betaalmiddel. 
Toen iedereen Wampum als betaalmiddel ging accepteren veranderde het doel ervan al snel. De Pequot en hun buren de Niantic leefden in het oosten van Connecticut. Hier waren weinig bevers, maar beide stammen konden echter wel over Wampum beschikken. De voorraad die zij bezaten was echter niet voldoende om in hun behoefte aan Europese ruilgoederen te voorzien. Hierop kwamen de Pequot met een goede oplossing van hun “probleem”.
Zij sprongen in hun kano’s en staken Long Island Sound over en na een paar schedels ingeslagen te hebben en een aantal dorpen te hebben platgebrand, deelden zij de Metoac mee dat zij een nieuwe partner in hun “Wampumhandel” hadden. De Metoac waren nu een onderworpen volk in dienst van de Pequot.
In reactie op de toegenomen waarde van de Wampum en de toenemende vraag, veranderden de Metoac hun seizoensgebonden levensstijl en richtten zij zich nog puur op de vervaardiging van Wampum. Echt rijk werden ze er echter niet van omdat ieder jaar weer er kanoladingen met Wampum naar de Pequot werden gestuurd als afkoopsom. Tegen het jaar 1630, begonnen ook de Engelsen zich met de bonthandel te bemoeien en ook zij gebruikten Wampum als betaalmiddel. Zij waren de eerste echte concurrenten van de Hollanders.
De inventiviteit van de Engelsen trok de bonthandel echter al snel naar een ander niveau. De Engelsen begonnen zelf met de vervaardiging van “Wampum” en dat leidde ertoe dat er ineens grote hoeveelheden van het betaalmiddel de markt overstroomde. De indianen hadden weliswaar de voorkeur voor hun eigen Wampum… maar toch. In 1637 werd Wampum het officiële betaalmiddel in New England.
In datzelfde jaar werden de Pequot bijna uitgeroeid als gevolg van een oorlog met de kolonisten in Connecticut. Hoewel de Metoac officieel onderdanen van de Pequot waren en bondgenoten, boden zij echter maar weinig ondersteuning bij hun strijd. Nadat de Engelsen het Pequot fort bij Mystic hadden vernietigd, verlieten de Pequot hun dorpen en sloegen op de vlucht. De Engelsen en hun bondgenoten ede Narrangansett en Mohegan zetten de achtervolging in, terwijl groepen Pequot hun heil bij de Metoac zochten. De Metoac hadden echter meteen in de gaten dat er nu een andere wind waaide en zij hadden dan ook weinig medelijden met hun voormalige meesters.
Liever dan de toorn van de Engelsen over zich te krijgen, door de Pequot te helpen, kozen de Montauk ervoor om Fort Saybrook te bezoeken en daar de bescherming van de Engelsen te vragen.
De prijs die zij voor deze vrede met de Engelsen moesten betalen was echter hoog omdat zij nu moesten “assisteren’ bij de vernietiging van de Pequot.
Diverse Pequot op Long Island werden gevangengenomen en geëxecuteerd en hun hoofden werden door de Metoac afgeleverd bij de Engelsen in fort Saybrook.
In 1638 werd het verdrag van Hartford getekend in het verdrag werd overeengekomen dat die Pequot die erin geslaagd waren de genocide te overleven, onderdanen van de Montauk werden en zij mochten zich op Long Island vestigen. Om de Pequot te mogen “behouden” moesten de Montauk echter wel jaarlijks een hoeveelheid Wampum aan de gouverneur van New Haven betalen.
In 1640 arriveerden de eerste kolonisten vanuit :”New England” in South Hampton aan het oosteinde van Long Island. Omdat er maar zo weinig Hollanders in het westen leefden, mocht zich er een tweede groep Engelse kolonisten vestigen, bij Hempstead, op land geclaimd door de Hollanders. De Metoac begonnen dus niet alleen steeds meer land aan de Europeanen te verliezen, maar ze werden ook steeds kwetsbaarder, door de ziekten die deze Europeanen met zich meebrachten.
Hoewel er sprake van enige handel was geweest na 1610, was er geen sprake van Hollandse aanwezigheid onder de Metoac tot 1625, toen Peter Minuit,,Manhattan Island van de indianen kocht voor $25 aan ruilgoederen. Er werd in het zuiden een fort gebouwd( New Amsterdam)en er werd een klein dorp gebouwd voor de boeren die gebracht waren om voor de bevoorrading van het garnizoen te zorgen. Pas in 1636 ontstonden de eerste Hollandse nederzettingen (new Amersfoort) op een plaats die het Flatbush werd genoemd. Later werd de naam van de nederzetting in New Breukelen veranderd (Brooklyn). Er waren echter maar zo weinig kolonisten dat de “Manhattan” gewoon in het Noordelijke  deel van het eiland konden blijven wonen. In dat jaar gaf de West- Indische Compagnie ook hun monopolie in de bonthandel op en mochten individuele kolonisten deel nemen aan de handel. Het gevolg hiervan was dat het aantal kolonisten op “New Netherlands” dramatisch toenam en terwijl hun nederzettingen zich verspreidden over het eiland en steeds meer land in beslag namen, namen ook de onenigheden met de omwonende stammen toe. Volgens de wetten mochten de kolonisten het land van de Indianen bezetten, maar vaak ging dit gepaard met drank en oplichting. Daarnaast lieten de Hollanders hun vee vaak vrij rondlopen en vernietigde het vee de landbouwgewassen van de indianen. Als gevolg hiervan “verdwenen” er veel dieren , waarop de Hollandse boeren schadevergoeding eisten. Dat alles leidde tot de “Pig War” van 1640. Gouverneur Kieft, in 1639 door de W.I.C. gestuurd om de moraal in de kolonie om te keren, reageerde op het verdwijnen van enkele varkens op Staten Island, door 100 gewapende mannen op pad te sturen om de Raritan (Unami Deleware) te straffen. De expeditie vermoordde verschillende raritan, inclusief een Sachem, en de Raritan namen wraak door een boerderij in de as te leggen en vier Hollandse arbeiders te vermoorden. Kieft verklaarde de Raritan de oorlog en bood een ieder 10 Fathoms Wampum voor elk Raritan hoofd dat bij hem in fort Amsterdam gebracht werd. De meeste stammen gingen niet op dit aanbod in, maar omdat er in het verleden al enige vijandelijkheid was geweest tussen de Metoac en Raritan, namen de Metoac de bijl op en brachten zij Kieft 1 hoofd. In het jaar 1642 volgden er meer confrontatie’s: De “Whisky war” met de Hackensack in New Jersey en een bijna oorlog met de Wappinger Wecquaesgeek in het noorden. De spanningen namen nog verder toe, toen het Sachem “Miontonimo”, van de Narrangansett, in het gezelschap van honderd krijgers de dorpen van de Metoac bezocht om krijgers te werven voor zijn strijd tegen de Mohegan in Connecticut.
Kieft interpreteerde de bedoelingen van het Sachem echter verkeerd en dacht dat het om een geheime opstand tegen de Hollanders en de Engelsen ging. Aan de benedenstroom van de rivier de Hudson liep de situatie echter ook bijna uit de hand en dus waren de Hollanders er niet happig op om de Metoac en de andere stammen in de buurt, wapens te verkopen. Dit bezwaar gold echter niet voor de Mohawk en de Mahican die stroomopwaarts aan de Albany leefden. Deze stammen waren de voornaamste leveranciers van bont voor de Hollanders en ze waren in een hevige strijd verwikkeld met de, door de Fransen gesteunde, Huron, Algonkin en Montagnais.  In het begin van de strijd beperkten zowel de Fransen als de Hollanders het aantal wapens dat zij aan de indianen wilden verkopen, maar als gevoplg van de toenemende concurrentie van o.a. de Zweden vanuit de Deleware rivier en de Engelsen vanuit Boston, lieten zij deze beperkingen al snel vallen. De uiteindelijke stap kwam in 1640, toen de Engelsen de Mohawk bij de Hollanders vandaan probeerden te lokken door hen wapens aan te bieden. De Hollanders reageerden hierop door de Mahican en de Mohawk zoveel wapens aan te bieden als zij konden gebruiken. Hoewel beide stammen nu zwaarbewapend waren bleef het voor hen de vraag hoe zij deze wapens ooit moesten afbetalen. De bevers in het gebied waren in aantal fors afgenomen en dus moesten beide stammen op zoek naar nieuwe jachtgebieden. Om hun Noordelijke vijanden aan te kunnen hadden zij echter nog meer wapens nodig. Het feit dat de Hollanders echter ook Wampum als betaalmiddel accepteerden, bood uitkomst. Het was voor de stammen een makkie om de kleine onbewapende stammen van de Metoac, Wappinger  en Munsee Deleware te dwingen tot een Wampum bijdrage. Dus terwijl de Mohawk, de Munsee ten westen van de rivier onder druk zetten, deden de Mahican hetzelfde met de Wappinger aan de oostzijde. Tijdens de winter van 1642- 43 bereikten de krijgers van de Mahican de dorpen van de Wecquaesgeek (Wappinger) en ze eisten een bijdrage. De Wappinger weigerden echter zich zo te laten afpersen en er volgde een gevecht waarbij vele Wappinger slachtoffers vielen en vele vrouwen en kinderen gevangen genomen werden. De rest van de Wappinger sloegen op de vlucht en zochten onderdak bij de Hollanders in het zuiden. Na een kort verblijf bij de Hollanders trokken de Wappinger de Hudson rivier over en zochten onderdak in de Hackensack en Tappan dorpen in New Jersey. Gouverneur Kieft dacht echter dat deze concentratie van indianen een voorbode van een opstand was en hij besloot hen voor te zijn. Kieft gaf de opdracht om de dorpen bij Wecquaesgeek aan te vallen. Tijdens, wat wordt genoemd, de Pavonia slachting, vermoorden de Hollandse soldaten 110 Wascquesgeek en begonnen zij de “Wappinger War”. Gesteund door de Hackensack en de Tappan, namen de andere Wappinger stammen wraak op de afgelegen Hollandse boerderijen en nederzettingen. De Hollanders werden al snel Fort Amsterdam ingedreven en Kieft, die zich voorbreidde op een lange bezetting, stookte het vuur nog meer op door troepen op pad te sturen om maïs bij de Metoac te gaan halen.
Er kwamen drie indianen om en de oorlog verspreidde zich naar de Metoac stammen in het westen van Long Island. Uiteindelijk raakten zo’n 20 stammen bij de oorlog betrokken. Zelfs Kieft moet geschrokken zijn van wat hij had veroorzaakt, maar de situatie bleef oplosbaar. In de lente van 1643 slaagde David de vries erin om 18 sachems over te halen om een ontmoeting met Kieft te hebben.
Ondanks dat de Metoac de Hollanders nog steeds als maïsdieven zagen, ondertekenden zij in april een verdrag waarin overeengekomen werd dat er een wapenstilstand zou komen. Ook stuurden zij vertegenwoordigers naar de Hackensack en Tappan om hen te overreden zich ook aan de wapenstilstand te houden. De Wappinger waren echter nog niet tevreden gesteld en zij hervatten hun gevechten in de herfst van 1643. Om te voorkomen dat de oorlog zich opnieuw zou verspreiden, reisde Kieft naar Fort Orange om aldaar een vriendschapsverdrag met de Mohawk en Mahican te tekenen. Hoewel geen van beide stammen ooit aanstalten had gemaakt om de Hollanders te hulp te schieten, was het feit van de mogelijkheid daarvan genoeg reden voor veel stammen om zich nu buiten de strijd te houden. Nu hij dit geregeld had