gastenboekrkaartr

Stuur een Emailtje bij vragenzoek op de websiteTerug naar het beginvolgende

De Shoshone

taalgflokatiegfpopulatiegfbandsgfcultuurgfgeschiedenisgfreservatengflinksgf

Taal & Namen

boven begin

De Shoshone zijn de meest noordelijke divisie van de Shoshonean taalfamilie.
Het Shoshonean behoort tot de Numic tak van de grotere Uto-Aztekische taalfamilie. Naast de Shoshone spreken ook de Ute en Paiute, Comanche en Bannock de taal.
Een overzicht van de Shoshonean taalfamilie:
Hopi
Plateau Shoshonean
Ute Chemehuevi: Chemehuevi, Kawaiisu, Paiute, Panamint, Ute, en sommige Bannock
Shoshone-Comanche: Comanche, Gosiute, Shoshone
Mono-Paviotso: Mono, Paviotso, maakt deel uit van de Bannock, en de Shoshoneans van Oost Oregon.
Kern River Shoshonean
Southern California Shoshonean
Serrano
Gabrieleño
Luiseño-Kawia: Agua Caliente, Juaneno, Kawia, Luisefio.

Er waren verschillende dialecten, maar over het algemeen konden de verschillende Shoshonean stammen elkaar wel verstaan.
Van origine bewoonde zij een gebied in west Wyoming, centrale en zuidelijke delen van Idaho(met uitzondering van de delen die de Bannock bewoonden), noordoost Nevada, en een strip van Utah, ten westen van Salt Lake.
De omgeving van de Snake rivier kun je zien als hun thuisgebied
De noordelijke bands van de Shoshone werden in 1805 “ontdekt” door de expeditie van Lewis en Clark aan de hoofdwateren van de Missouri rivier. Het gebied wat ze bereisden was inmiddels echter al verplaatst naar de Oostelijke plains . Zij waren daarna toe verdreven door de Atsina en de Siksika die vuurwapens bezaten. Hun leefgebied had zich zo verplaatst naar de Rocky Mountains .
Al bereikten de Shoshone de Colombia rivier ook, zij sloegen aldaar nooit hun kampementen op, wel waren zij er opzoek naar paarden of andere buit.

De Shoshone werden ook wel,Shoshone, Shoshones, Snake people, Grashut mensen, Lehmi, Nimi, Tukudika of Agaidika genoemd.
De herkomst van de naam Shoshone is onduidelijk. Het is geen Shoshone woord en hoewel deze naam door de stam erkent word vindt hij zijn oorsprong echter bij de andere stammen.
De Cheyenne, noemden de Comanche (ook Shoshonean), Shíshínoats-Hitäneo, ofwel “ Slangenmensen”, maar ze hebben een andere naam voor de Shoshone. De naam Slang lijkt echter wel Etymologisch verbonden te zijn met de Shoshone. De naam wordt in diverse variaties en frequent gebruikt, wanneer men het heeft over de Noordelijke Shoshone in het bijzinder die uit Oregon. Nu wordt de naam “Snake” echter alleen nog officieel gebruikt om de Yahuskin en Walpapi uit Oregon mee aan te duiden.
De onderzoeker Hoffman was van mening dat de naam snake voortkwam uit een verkeerd begrepen gebaar voor “ Snake Indian”, gemaakt door met je beide handen met de wijsvinger uitgestoken een slangenbeweging te maken. Hiermee zou echter ook het “waaien van het gras” bedoeld kunnen worden, een logische verklaring omdat de Shoshone vaak ook de “gras-huis mensen” worden genoemd.
De meest oostelijke en noordelijke Shoshone, waren paard en bizon indianen. In karakter en oorlogszucht waren zij geduchtte concurrenten van de andere “plains indians”.
In het westen, in west Idaho en langs de Snake rivier en in het zuiden, in Nevada, woonden minder ontwikkelde Shoshone. Zij waren betrfent hun voedsel afhankelijk van de Visvangst en zij vulde hun dieet aan met de verzamelde noten, zaden envruchten. Ook groeven zij de eetbare wortels van planten uit, waaraan zij de naam “ gravers” te danken hebben. Verder jaagden zij ook op klein wild, zoals konijnen.
Deze Shoshone, werden ook wel Shoshones genoemd, wat “lopers” betekend. Zij waren simpelweg te arm om paarden te bezitten. Deze naam werd overigens gebruikt voor alle Shoshone die geen paarden bezaten.
Geen van de Shoshone waren dus landbouwers en alle Shoshone zijn in te delen bij of de Bizonjagers of bij de Jager-verzamelaars.
In het noorden en oosten leefden de Shoshone in tipis, maar in het “ Sagebrush” gebied, in het westen leefden de Shoshone aldaar vaak in een soort van schuilhut, die gemaakt werd van de struiken in het gebied.
Bonneville trof op zijn reis door het gebied een groep Shoshone aan die in dergelijke hutten leefden. Het was winter en de hutten boden de indianen weinig of geen bescherming tegen de wind en sneeuw, het was dus zeer armoedig.


Lokatie

boven beginArizona, Idaho, Montana, Nevada, en Utah, van het Great Basin tot aan de Plains; en in delen van Colorado en Wyoming.

 

Populatie

In 1845 schatte men het aantal noordelijke en westelijke Shoshone op 4,500, flink achteruit gegaan na diverse Epidemieën en oorlogen

In 1937 telde het bureau voor indiaanse zaken 3,650 Noordelijke Shoshone en 1,201 Westelijke Shoshone. Met de telling in 2000 census, waren er 12,000 Shoshone.boven begin

 

(Sub)bands

Hohandika, Shobarboobeer, Shoho-aigadika, Shoni-vikidika, Tazaai-gadika, Towahna-hiooks, Tukuarika, Tussawehe, Washika, Wihinasht en Yahandika.boven begin

Cultuur

De Shoshone waren niet politiek georganiseerd. De verschillende bands waren als gevolg van de huwelijken tussen die bands , familiaar aan elkaar verbonden.
Zij geloofden in visioenen, dromen en in een schepper. Hun geloofsuitdaging was: Individuele onafhankelijkheid, moed, wijsheid en het tegemoet treden van levensproblemen in moeilijke omstandigheden.
Er werd door de Shoshone gedanst op een wijze, vergelijkbare de meeste Grote Basin- ronde dansen
Doordat de Shoshone hadden geleerd zich te redden in de diverse woestijngebieden, konden zij zich ook goed redden in het gebied van het grote Basin. Zij wisten prima om te gaan met de weinige bronnen van voedsel en met de harde omstandigheden. In feite vonden de Shoshone het zelfs vreemd dat het gebied zo onderbevolkt was en dat de beschikbare voedselbronnen zo minimaal gebruikt werden.
Natuurlijk vergde het verzamelen van het voedsel een goede organisatie, het oogsten koste veel tijd en er moesten grote afstanden voor worden afgelegd. Daarnaast waren de verschillende voedselbronnen ook nog eens in verschillende seizoenen beschikbaar.
De Shoshone leefden in de winter meestal in de beschutte valleien. De winterkampen bestonden over het algemeen uit verschillende bands en families, het was veiliger en men kon in die tijd mooi de familiebanden aanhalen. In de lente en zomer begonnen ze de bergen in te trekken en begon het verzamelen van voedsel. Tijdens de zomer kwamen de verschillende bands ook weer bij elkaar om gezamenlijk op konijnen en ander klein wild te jagen, om op zalm te vissen en om de pinda’s te oogsten. De jacht was erg belangrijk voor de Shoshone. In het begin jaagde men met behulp van strikken, vallen en door speren te gebruiken. Later gebruikte men ook pijl en boog. Het groot wild waar men op jaagde was: Herten, Pronghorn, Bizon en Bighorn. Het kleine wild waar men op jaagden was o.a.: Groundhog, jack-rabbit, woestijnhonden, Rodents en Porcupine. Soms aten zij ook insecten, zoals sprinkhanen. De zalm ving men met behulp van speren.
De jongens en mannen maakten er ook een sport van om op eenden, ganzen en patrijzen te jagen. Daarnaast verzamelde de vrouwen ook nog een eieren, wortels, zaden, noten en plukte zij vruchten. Het verzamelen van voedsel was typisch vrouwen werk.
Eén van de wortelsoorten die de vrouwen verzamelde, was die van de Comasplant. Deze bollen dienden als wintervoorraad. Het was echter wel heel belangrijk dat men de verschillende eetbare planten kon herkennen, want er bestond bijvoorbeeld ook een “ doods Comas” waarvan de bollen dodelijk konden zijn. Al met al was het dieet van de Shoshone dan ook niet zo heel beperkt

Eén van de bands die in het oosten op de Plains leefden, was die van de Lehmi Shoshone, zij leefden op de Plains van het huidige Montana. Zij waren voortreffelijke bizon-jagers en ruiters. Na verloop van tijd verarmde zij echter, doordat hun traditionele vijanden zoals de Blackfeet, Atsina en Hidatsa vuurwapens bezaten en Shoshone niet. In de gevechten dolven zij vaak het onderspit en uiteindelijk leden zij hongersnood en waren zij genoodzaakt de bergen in te vluchtten. Vandaar uit ondernamen zij vele pogingen om nog op de bizon te kunnen jagen, ondanks het risico van aanvallen door één van de vijandelijke stammen.
Zo ook in 1805, toen de Atsina, tijdens een jachtpartij van de Shoshone, vele van de mannen en vrouwen gevangen namen en doodden. Ook vernielde zij de tipi’s van deze Shoshone en stalen zij hun paarden. De Atsina hadden hun vuurwapens via de Canadezen verkregen, met wie zij bonthandel bedreven. De Lehmi handelde echter met de Spanjaarden en deze weigerde hen vuurwapens te leveren. De Lehmi konden zich dus niet goed verdedigen en konden ook minder goed jagen.
Na deze ondergang tegen de Atsina, knipten de mannen en vrouwen van de stam hun haren tot in de nek af als teken van rouw.
boven begin

 

Geschiedenis

 

boven beginZo’n 8000 jaar geleden begonnen de Shoshone met hun terek naar het huidige Idaho. Zij hadden lange tijd in het gebied New Mexico/ Arizona geleefd, voorzien van alle gemakken. Waarschijnlijk waren het klimatologische veranderingen die de Shoshone het gebied uit dreven. Het gebied was inmiddels langzaam verandert in een woestijn, waar het leven zwaar was. De stam der Shoshone splitste zich op in twee groepen. De ene groep trok verder Mexico in en werden het volk van de Azteken. De andere groep trok naar het westen en vestigde zich in de omgeving van het “Lake Mohave woestijngebied” in zuid California. Hier was genoeg wild om in hun voedsel te kunnen voorzien.
Na verloop van tijd lukte het de Shoshone ook niet meer om zich daar te redden en trokken ze weg uit het gebied. De Shoshone splitste zich op in kleine bands en gingen op zoek naar voedsel. Het gebied waar de families en bands rondtrokken is het huidige Nevada en West Utah.
Vanuit die gebieden trokken de Shoshone zuid Idaho binnen en weer later arriveerde zij in Wyoming.

In de 16de eeuw woonden er in Oklahoma een groep Shoshonean sprekende indianen die zich zelf de Comanche noemden. Volgens de expeditie van Lewis en Clark was de bevolkingsdichtheid in het gebied zo’n 1-2 personen, per 100 vierkante mijlen.
Rond 1750 waren de Blackfeet,Bloods, Piegan en Crow in het noorden, en de Sioux, Cheyenne en Arapaho in het oosten, goed bewapend en zij hadden grote kuddes paarden.
Door hun mobiliteit en doordat zij goed bewapend waren begonnen de stammen ten zuiden en westen van hun originele jachtgronden te jagen. Zo verdrongen zij de Shoshone naar het zuidelijke deel van de noordelijke plains en naar het westen van het continentale Divide.
Tegen het jaar 1840 begaven zich nog maar enkele jachtgroepen ten oosten van dit Continentale Divide.
Toen de eerste Mormonen hun nederzettingen in noord Utah stichtten , leefden er in het gebied zo’n 3 grote bands van de Noord westelijke Shoshone.
Chief Little Soldier, stond aan het hoofd van de misnaamde “ Weber-Ute”, een Shoshone band die voornamelijk in de Weber-vallei leefden. De band telde ongeveer 400 leden.
Chief Pocatello leidde een groep ongeveer even groot en zij trokken rond in een gebied dat liep van Grouse Creek in noordwest Utah, oostwaarts langs de kust van het Great Salt-lake tot aan de Bear rivier.
De 3e groep van 450 Shoshone stond onder leiding van Chief Bear Hunter. Zij leefden in de Cache vallei en langs de benedenstroom van de Bear Rivier. Bear Hunter werd gezien als de eigenlijke leider van de Noord-westelijke Shoshone
Tegen het jaar 1840 hadden de Noord-westelijke Shoshone de Plains-cultuur geadopteerd en gebruikte zij paarden om mee rond te trekken en om mee te jagen. Het was met name Chief Pocatello die groepen jagers leidde bij hun jachtpartijen op de bizons in Wyoming. Terwijl hij samen met zijn krijgers in het gebied rondtrok, waar ook de Oregan- Trail doorheen liep, verwierf Pocatello de status van gewetenloos en krijgslustig.
Nu de blanken in steeds grotere getale het gebied van het Grote Basin in trokken ontstonden er problemen. De blanken brachten vele grazers mee en deze aten de zaden en andere planten soorten op die met name de Shoshone zo hard nodig hadden. De Shoshone hadden zich altijd prima kunnen redden maar nu ontstond er hongersnood onder hen. De blanken trokken verder en verder het gebied van de Shoshone binnen en tegen het jaar 1862 arriveerden zij ook in de Cache vallei, het thuisgebied van de band van Bear Hunter. Ook werd in 1862 goud in Montana ontdekt en nam de stroom reizigers door het gebied toe. Tegen het einde van 1862 hadden de krijgers van Bear Hunter er echter genoeg van en begonnen zij zich te verzetten. Zij pleegden rooftochten op de kuddes van de mormonen en vielen reizigers aan.
Op 29-1 1863 werd er aan deze agressie een einde gemaakt. Op de ochtend van die dag vielen Kolonel Patrick Edward Conner en zijn vrijwillige troepen het winterkamp van Chief Bear Hunter , bij Beaver Creek, aan. Het gevecht duurde zo’n 4 uur en er kwamen 23 soldaten om. De schade onder de Shoshone was echter veel groter. Er stierven zo’n 250 Shoshone, waaronder 90 vrouwen en kinderen. Het gevecht heeft de naam” Bear River- massacre” gekregen. Bear Hunter zelf, stierf tijdens de strijd, maar zijn volgelingen tekenden samen met de Chiefs van 9 andere Noordwestelijke Shoshone- bands het verdrag van “ Box Elder” in Brigham city, Utah op 30-07 in 1863. Het gevolg van het verdrag was een vrede in het gebied.
De overheid was echter nog niet helemaal klaar met deze Shoshone en wilde hen het liefst in het Fort Hall reservaat onderbrengen. Op dat moment leefden de Noordwestelijke Shoshone bij Corrinne in Utha en ontvingen zij overheidsgeld als vergoeding voor hun geboortegronden. Uiteindelijk vertrokken ze dan ook naar het Fort Hall reservaat. Hun nakomelingen leven er nog steeds
Locatie:
Tegen de tijd dat de eerste blanken in het gebied van de Shoshone arriveerden, waren er eigenlijk zeven verschillende Shoshone groepen(niet twee dus!).
De Oostelijke Shoshone, onder leiding van Chief Washakie ( Washakie Shoshone), telden 2000 zielen en woonden in het gebied vanaf het Wind Riviergebergte tot aan fort Bridger, waar ook de Oregon trail door heen liep. Hun nakomelingen leven in het huidige Wind- River reservaat.
Twee andere divisies met een vergelijkbare cultuur, waren de Goshute en Westelijke Shoshone. De eerste groep bestond uit ongeveer 900 mensen en leefden in de valleien en bergen, ten westen en zuidwesten van het “ Great Salt Lake”. Hun nakomelingen leven nu in en rond de kleine nederzetting Ibapah in Utah.
De westelijke Shoshone bestonden uit zo’n 8000 indianen en bewoonden het gebied wat nu in noord en west Nevada ligt. De divisie bestond uit 11 verschillende grote bands die een gebied bestreken wat liep vanaf de huidige Utah- Nevada grens tot aan Winnemucca in het westen. Hun nakomelingen leven voornamelijk in het huidige Duck Valley reservaat. De vier overgebleven groepen worden meestal gemakshalve de Noordelijke Shoshone genoemd. Eén van deze groepen, de Fort Hall Shoshone met ongeveer 1000 mensen, leefden samen met een groep van zo’n 800 Noordelijke Paiute, beter bekend als de Bannock. Zij leefden voornamelijk langs de Port-Neuf rivier en langs de Snake rivier.De Bannock die bij hen leefden verlieten hun verwanten de Noordelijke Paiute waarschijnlijk in de 16de eeuw toen zij paarden verkregen. Zij werden bereden krijgers en jagers en trokken rond in het gebied rond Snake rivier basin en in de Wind River Vallei.
Een tweede divisie waren de Lehmi- Shoshone, zo’n 1800 en zij leefden in het gebied wat liep van het “beaverhead- country“, in Zuidwest Montana, westwaarts tot aan het gebied van de Salmon rivier, wat hun thuisgebied was.
In west Idaho leefde een 3e divisie van ongeveer 600 Shoshone, die voornamelijk van de Zalmvangst leefden.
De laatste en vierde divisie, bestaande uit zo’n 1500 Shoshone, ook wel de mond-westelijke Shoshone genoemd, leefden in de valleien van Noord Utah en dan voornamelijk in de Weber- vallei en Cache- vallei en langs de oostelijke en noordelijke kusten van het Great Salt Lake

 

Reservaat

boven begin

Links

boven begin