gastenboekrkaartr

Stuur een Emailtje bij vragenzoek op de websiteTerug naar het beginvolgende

De Algonkin

Locatie

De vallei van de rivier de Ottawa, die de grens vormt tussen het huidige Ontario en Quebec.

Populatie:

Bij hun eerste ontmoeting met de Fransen in 1603, hadden de verschillende Algonkin bands, gezamenlijk een populatie van circa 6.000. De Britten schatten hun aantal in 1768 op 1500. Op dit moment leven er circa 8.000 Algonkin in canada, verdeeld over 10 verschillende bands; negen in Quebec en één in Ontario.

Namen

Zowel Algonkin als Algonquin zijn de correcte spellingen voor de naam van de stam, maar het Algonquin refereert aan de taal die men sprak of aan de gehele taalfamilie. Behalve de verschillende namen voor hun bands, lijkt het erop dat de Algonkin geen naam voor zichzelf als gehele stam hadden. De meest logische verklaring voor de naam is dat hij uit het Maliseet komt en “dansers” betekend. De eerste groep Algonkin die de Fransen tegen kwamen waren de Kichesipirini die, omdat hun dorp op een eiland in de Ottawa rivier lag, de “La Nation de I’Ilse” genoemd werden. In het begin werd de naam Algonkin alleen voor een enkele band, de Weskarini, gebruikt, maar later werd de naam gebruikt voor alle Algonkin bands, die langs de Ottawa rivier leefden.
De Iroquois noemen hen meestal de Adirondack, een naam die letterlijk” zij eten bomen” betekend, maar zij gebruikten de naam ook voor andere Algonkin sprekende stammen die ten zuiden van de rivier de St. Lawrence leefden.

Taal

Het Algonkin als taal of de Algonkin als stam zijn beroemd geworden omdat ze de grootste Native taalgroep van Noord Amerika vormden. Anderzijds levert de naam ook verwarring op, omdat de meeste mensen zich niet realiseren dat de Algonkin ook als stam bestonden en dat niet alle Algonkin tot dezelfde stam behoorden. Het Algonkin is eigenlijk een familie van aan elkaar gerelateerde talen, maar het heeft vele dialecten, die niet allen op elkaar lijken. De Algonkin sprekende indianen domineerden het grootste deel van het Noord- Oostelijke deel van Noord Amerika met uitzondering van de Iroquois sprekende stammen in New York, Noord Pennsylvania en Zuid Ontario. Het bereik van de taal liep van de Hudson Bay zuidwaarts langs de Atlantische kust tot Noord Carolina en westwaarts tot aan de rivier de Mississippi. Op de Plains leefden de Algonkin sprekende Cheyenne, Arapaho, Gros Ventre, Blackfoot, Cree en Ojibwe en sommigen beweren zelfs dat de Wiyot en Yurok in Noord California een verre vorm van Algonkin spreken.. Het dialect dat de stam der Algonkin spreken is nauw verwant aan dat van de Ojibwe, Ottawa en Potawatomi, dat maakt5 de Algonkin de meest oostelijke stam die de taal van deze groep spreekt.

Bands en sub naties

Algonkin bands in 1630:
Iroquet - Bekend bij de Huron als de Atonontrataronon of Ononchataronon, zij leefden langs de Ontario's Zuid Nation Rivier.
Kichesipirini "people of the great river" - De grootste en belangrijkste groep Algonkin. Ook wel bekend als: Algoumequins de l'Isle, Allumette, Big River People, Gens d l'Isle, Honkeronon (Huron), Island Algonkin, Island Indians, Island Nation, Kichesippiriniwek, Nation de l'Isle, Nation of the Isle, en Savages de l'Isle. Hun belangrijkste dorp lag op Morrison's (Allumette) Island.
Kinounchepirini (Keinouche, Kinonche, Pickerel, Pike) - Soms genoemd als Algonkin band, maar na 1650 worden ze geassocieerd met de Ottawa.
Matouweskarini (Madawaska, Madwaska, Matouchkarine, Matouashita, Mataouchkarini, Matouechkariniwek, Matouescarini). Leefden aan de Madawaska Rivier in bovendeel van de Ottawa Vallei.
Nibachis - Muskrat meer bij het huidige in Ontario. Otaguottaouemin (Kotakoutouemi, Outaoukotwemiwek). Upper Ottawa River boven Allumette Island.
Otaguottaouemin - (Kotakoutouemi, Outaoukotwemiwek)
Quenongebin
Sagaiguninini - (Saghiganirini)
Saginitaouigama - (Sagachiganiriniwek)
Weskarini - (Algonkin Proper, La Petite Nation, Little Nation, Ouaouechkairini, Ouassouarini, Ouescharini, Ouionontateronon (Huron), Petite Nation) - aan de noord oever van de Ottawa Rivier langs de Lievre en deRouge rivieren in Quebec.

Latere bands of namen geassocieerd met de Algonkin: Abitibi (Abitibiwinni), Barriere, Bonnechere, Dumoine, Kipawa, Lac des Quinze, Mainwawaki (Mainwaki), Mitchitamou, Ouachegami, Outchatarounounga, Outimagami, Outurbi, Tadoussac, Temagami, Timiskaming (Temiskaming, Timiscimi).

Huidige bands van de Algonkin:

Quebec:
Barriere Lake (Lac Rapide, Rapid Lake), Dominion Abitibi(Abitibiwinni, Pikogan), Eagle Village (Kebaowek, Kipawa), Kitcisakik (Grand Lake Victoria), Kitigan Zibi (Maniwaki, River Desert), Lac-Simon, Timiscamigue (Timiskaming, Notre Dame du Nord, Ville Marie), Winneway (Long Point), en de Wolf Lake (Hunter's Point).

Ontario:
Golden Lake (Pikwakanagan).

Cultuur:

De Algonkin leefden te ver naar het noorden om aan landbouw te doen en daarom leefden ze in kleine bands die rondtrokken en voedsel verzamelden en jaagden. De Algonkin leefden buiten het gebied waar de wilde rijst groeide een voedselbron die erg belangrijk was voor de andere stammen die in het gebied van de noordelijke meren leefden. Hoewel er een aantal zuidelijk bands waren die rond 1608 begonnen met het verbouwen van maïs, leefden de meeste bands toch voornamelijk van de jacht en als gevolg daarvan waren de Algonkin uitstekende jagers en stropers. De Algonkin maakten ook veel gebruik van de berkenbast kano’s op daar grote afstanden mee af te leggen, ten behoeve van de handel. De locatie waar zij leefden werd later erg belangrijk omdat de belangrijke route tussen de Fransen aan de St. Lawrence rivier en de andere stammen van de westerse grote meren er door heen liep. Gedurende de zomer verzamelden de verschillende Algonkin bands zich om te vissen en te socialiseren, maar zo gauw de winter op komst was gingen ze weer uiteen in kleine bands of families. Het klimaat was er zwaar en de hongersnood lag altijd op de loer en het was mede daarom dat de Algonkin er om bekend stonden dat ze hun gewonden, zieken en kreupelen vermoorden.
Naast hun taal, deelden de Algonkin een gezamenlijke geloofsovertuiging en verhalen over hun creatie, hun god en minder belangrijke spirits die de elementen controleerden. Ook hadden zij een figuur, een held, die hen de vaardigheden leerde om te overleven. Daarnaast deelden ze ook het geloof in leven na de dood. In tegenstelling tot het christendom geloofden de Algonkin niet in iets als een hel of eeuwige verdoemenis. De dromen waren erg belangrijk voor de Algonkin en het was een van de belangrijkste taken van een sjamaan om ze goed te interpreteren. Daarnaast waren de taken van de sjamanen, het genezen van de zieken, communicatie met de geesten en het begeleiden van het leven van de mannen.
De Algonkin waren overigens erg bang voor hekserij en gebruikten zelden hun voornamen om te voorkomen dat vijanden er misbruik van zouden maken met behulp van hekserij.
De Algonkin waren patrilineair en daar hoorde bij dat het alleen recht op het gebruik van een stuk jachtgrond, over ging van vader op zoon. Dit was in tegenstelling tot de Iroquois die matrilineair leefden en ook afhankelijk waren van de landbouw en in grote gefortificeerde dorpen leefden. Het grootste verschil met de Iroquois was echter dat zij een centraal politiek systeem hadden, in tegenstelling tot de Algonkin. Ondanks dat alles waren de Algonkin zeer goede krijgers die optimaal gebruik maakten van hun vervoermiddelen en kennis van het woud, waardoor ze de Iroquois overheersten, tot zij de confederatie van Iroquois oprichtten.

Geschiedenis:

De Algonkin beweren dat hun voorouders naar het gebied van de St. Lawrence vallei verhuisden vanuit het oosten, een traditie die ze delen met de Ojibwe, Ottawa en Potawatomi. Dit moet gebeurd zijn rond 1400, maar toen Jacques Cartier zijn eerste reis naar de St. Lawrence rivier maakte trof hij daar alleen Iroquois sprekende stammen aan(1534). Het is onduidelijk of deze mensen Iroquois waren of Huron, maar tegen de tijd dat de Fransen hun eerste permanente nederzettingen in het gebied vestigden, zeventig jaar later, waren deze zogenaamde “Laurentian Iroquois” verdwenen. Dit was waarschijnlijk het gevolg van een Algonkin- Iroquois oorlog die tussentijds had plaats gevonden. De Algonkin beweren echter dat ze vreedzaam naast de Iroquois bij Hochelaga leefden en zelfs enkele van hen in de stam hebben opgenomen. De versie van de Iroquois is echter anders en spreken van de Algonkin die hen dwongen “een bijdrage” te leveren en die de ernstig verdeelde Iroquois overheersten. Deze situatie veranderde echter met het ontstaan van de Iroquois League en na vijftig jaar oorlog waren de Iroquois erin geslaagd om de Adirondack en hun bondgenoten uit de Adirondack bergen en boven vallei van de Hudson te verdrijven.

Zo was de situatie toen Samuel de Champlain zijn eerste permanente nederzetting aan de rivier de St. Lawrence vestigde bij Tadoussac in 1603. Ten het einde van de maand mei werd hij bij de Montagnais uitgenodigd om een feest bij te wonen ter gelegenheid van een geslaagde rooftocht op de Iroquois. Op zijn best gekleed arriveerde hij in dorp en werd voorgesteld aan de bondgenoten van de Montagnais de Etchemin en Algonkin.. Hij vernam van hen dat er een constante strijd woedde tussen de drie bongenoten en de Iroquois sinds 1570. Ondanks het feit dat Champlain zich op oorlogsgebied begaf was hij zo onder de indruk van het bont dat de Algonkin hadden dat hij besloot de St. Lawrence op te varen tot aan de Lachine watervallen. Kort daarna vertrok Champlain naar Frankrijk, maar bij zijn terugkomst in 1608 verplaatste hij zijn handelspost direct stroomopwaarts bij Quebec zodat de Algonkin hun afstand naar de post konden verkleinen. Daar ontdekte hij echter al snel dat de overwinningen van de Algonkin op de Iroquois niet gewoon waren en dat het de Mohawk waren die het deel van de boven St. Lawrence domineerden. De Algonkin meden daarom de St. Lawrence om niet slaags te raken met die Mohawk.
Champlain was er echter op gebrand om verdragen met de Algonkin en Montagnais te sluiten over de bonthandel, om zo zijn concurrenten voor te blijven
De Algonkin, Montagnais en hun Huron bondgenoten zagen het echter niet zitten om constant de rivier op te varen, tenminste niet zonder de steun van de Fransen bij hun strijd tegen de Mohawk.
In de maand juni van het jaar 1609, leidde Champlain een expeditie ten westen van Quebec, toen hij een groep van 300 Algonkin en Montagnais, onder leiding van het Sachem Iroquet en 100 Huron onder leiding van hun Oorlogchief Ochateguin, tegenkwam en hij nam zijn kans waar om zijn handelspartners te bewijzen dat hij hen steunden. Zonder dat hij het besefte, betrok hij de Fransen echter in een stammenoorlog, die zijn weerga niet zou kennen. In juli vergezelden de Fransen een groep van Montagnais, Algonkin en Huron bij de mond van de rivier de Richelieu, om met hen het thuisgebied van de Mohawk binnen te trekken. Het enthousiasme van de aanwezige krijgers, betreffende de strijd, bekoelde echter al snel nadat zij hun handel met de Fransen hadden gedreven en zij gingen er in grote getale van door.
Champlain was er echter opgebrand om door te bijten. De spanningen namen toe naarmate het gecombineerde leger naar het zuiden trok en toen de boot van de Fransen in ondiep water stopte, stemde Champlain ermee in dat negen van zijn mannen terug keerden terwijl hij en twee vrijwilligers overstapten in de kano’s. Tegen de tijd dat ze het Champlain meer in Noord New York bereikten( dat hij prompt zijn eigen naam gaf), bestong het legertje nog maar uit 60 krijgers en drie fransen in 24 kano’s. Aan het zuideinde van het meer, ontmoetten ze Mohawk krijgers, maar het was inmiddels laat in de avond en na enige onderhandelingen besloten beide partijen de volgende dag pas te strijden als het licht beter was. De volgende morgen waren de Mohawk klaar voor de strijd, maar toen deze aanvielen werden hun gelederen uiteengedreven door de Franse vuurwapens en werden twee Chiefs gedood. Geconfronteerd met deze nieuwe vreemde wapens keerden de Mohawk om en sloegen op de vlucht.
De Algonkin waren dolgelukkig met hun overwinning en de Fransen kregen hun verdragen en bonthandel die zij wilden. Het jaar daarna nam Champlain deel aan een tweede aanval op een Mohawk fort aan de rivier de Richelieu. Tijdens deze beginjaren werden er echter geen vuurwapens aan de indianen gegeven, maar de stalen wapens die de Algonkin verkregen door hun handel met de fransen, deden hun werk en met behulp hiervan verdreven ze de Mohawk een stuk naar het zuiden van de rivier de St. Lawrence in het jaar 1610. Deze voorsprong van de Algonkin zou echter maar tijdelijk zijn… Al snel vonden de Iroquois hun eigen bron voor het verkrijgen van stalen wapens door te handelen met de Hollanders langs het beneden deel van de rivier de Hudson.
Het bond uit het gebied van de grote meren stroomde binnen in Quebec, tijdens de jaren die volgden en de Algonkin, geleid door hun Oorlogchiefs Pieskaret domineerden de vallei van de rivier de St. Lawrence. De Iroquois bleven echter een dreiging vormen en door hun vriendschap met de Algonkin hadden de Fransen een gevaarlijke tegenstander tegenover zich…
Het duurde niet lang voordat de focus van de Fransen, met betrekking tot de bonthandel, verder naar het westen kwam te liggen. Ze hadden al gehoord van de Huron, door hun bondgenootschap met de Algonkin, en in 1611 bezocht Etienne Brule de Huron dorpen. Hij overwinterde bij hen aan het zuid einde van het Huron meer. De eerste indruk van Champerlain, betreffende Huron was niet best, maar toen Brule terugkwam met verhalen over bond van ongekende kwaliteit, stelde hij al snel zijn verhalen bij. Champlain deed zijn eerste verkenning van de rivier de Ottawa in mai, 1613 en bereikte het versterkte dorp van de Kichesipirini op Morrison Island. In tegenstelling tot de andere Algonkin stammen veranderde de Kichesipirini niet van locatie met de seizoenen. Zij hadden een strategisch punt verkozen aan de handelsroute tussen de Grote Meren en de rivier de St. Lawrence en hadden welvaart opgebouwd door tol te vragen aan de Indiaanse handelaren die door hun gebied reisden. Met trots lieten zij ook hun maïsvelden zien, kennis die zij waarschijnlijk hadden verkregen vlak voor de Fransen in het gebied Arriveerden.
Zij verwelkomden de Fransen hartelijk, maar waar er niet blij mee dat de Fransen verder wilden reizen. De kwaliteit en de hoeveelheid bond van de Huron kon echter niet genegeerd worden en in 1614 tekenden de Fransen en de Huron een verdrag waarin de handel en hun bondgenootschap geregeld werd. Het jaar daarna, reisde Champlain, vergezeld door vier missionarissen , voor de tweede maal over de Ottawa rivier en negeerde de protesten van de Kichesipirini terwijl hij naar de Huron dorpen ging. Terwijl hij daar was participeerde hij in een Algonkin- Huron aanval op Oneida en Onondaga dorpen en bevestigde het Iroquois idee, dat de Fransen hun vijanden waren.
Na 1614 verschoof de focus van de Franse bonthandel van de Algonkin naar de Huron. Zij bleven wel met de Algonkin handelen, maar deze waren tegen ietwat geïrriteerd door hun degradatie tot tweedehands handelspartner. De Kichesipirini bleven echter profiteren van het feit dat ze tol vroegen van zowel de Franse als de Indiaanse handelaren. Het effect op de indianen was echter groter omdat het in het bezit hebben van vuurwapens er wel voor zorgde dat je niet teveel hoefde te betalen.
Intussen vochten in het zuiden, in New York, de Mohawk en de Mahican met elkaar, omdat de Mahicans locatie aan de Hudson rivier er voor zorgde dat de Mohawk geen toegang tot de Hollanders hadden. Omdat oorlog echter erg slecht voor de handel was, regelde de Hollanders snel een vrede tussen beide partijen, maar in 1624 ontdekten de Mohawk echter dat de Mahican als tussenpersoon fungeerden bij het sluiten van een vrede tussen de Hollanders en de Algonkin en Montagnais.

De Iroquois hadden het verlies van hun St. Lawrence vallei niet gezien als iets permanents en nu zij in constante strijd verkeerde met de Mohawk zochten ze toenadering tot de Algonkin en Montagnais. De strijd tussen de stammen bleef echter bestaan, met uitzondering van een korte vrede, gesloten bij Trois Rivieres in 1622. Dan was er nog de mogelijkheid dat de Mahican zich zouden aansluiten bij hun vijanden uit het noorden, en dat was iets wat de Mohawk zeker niet konden laten gebeuren. In 1642, brak er een oorlog uit tussen de Mahican en de Mohawk die de Hollanders niet konden tegenhouden en na vier jaar strijd waren de Mahican verslagen en waren gedwongen te verhuizen naar een gebied ten oosten van de rivier de Hudson. De Hollanders konden niet anders dan zich bij deze uitkomst neerleggen en zo namen de Mohawk de handelspositie met de Hollanders over. Helaas, echter waren de bevers in het thuisgebied van de Iroquois inmiddels zo’n beetje uitgestorven en dus moesten de Iroquois op zoek naar nieuwe jachtgronden om hun handel met de Hollanders in stand te houden. Het gebrek aan bevervellen bij de Iroquois was dan ook de aanleiding dat de Hollanders in 1624 hun toenadering zochten tot de Algonkin en Montagnais.
Voor de Iroquois was de meest logische plek om op zoek te gaan naar nieuwe bevers, gelegen in het noorden, maar aangezien de Huron en Algonkin daar een stevig blok vormden was dit geen makkelijke situatie. Eerst probeerden de Iroquois het met onderhandelingen, maar toen dat niet lukte konden ze niet anders dan geweld gebruiken. Het begon allemaal met een aanval van de Iroquois op een Algonkin dorp bij Sillery , iets buiten Quebec, in 1629. Deze aanval wordt gezien als het startsein voor de Beaver- wars (1630- 1700).
Tegen het jaar 1630, hadden zowel de Montagnais als de Algonkin hulp van de Fransen nodig bij hun strijd tegen de Mohawk, maar deze hulp was niet voorhanden. Op dat moment woedde er net een oorlog in europa tussen de Engelsen en Fransen en Sir David Kirk, zag zijn kans schoon en nam Quebec in op de Fransen. Canada bleef vervolgens in engelse handen tot 1632.
Deze drie jaar waren een ramp voor de Franse bondgenoten. Omdat hun handel met de Hollanders door de situatie niet werd verstoord, slaagden de Mohawk erin om de gebieden die zij in 1609-10 hadden verloren aan de Algonkin, terug te veroveren. Toen de fransen in 1632, terugkeerden in Quebec, probeerden zij de oude situatie te herstellen door de Algonkin van vuurwapens te voorzien. Maar het waren met name de christelijke bekeerlingen die de wapens kregen en dit leidde niet tot een overwicht van de Algonkin, die in grote getale de missionarissen hadden ontweken. Het waren alleen de Huron en Montagnais geweest op wie zij zich vervolgens hadden gericht.

Het feit dat de Kichesipirini een vast dorp, maakte hen wat gevoeliger voor de Missionarissen en de jezuïeten schroomden niet om vuurwapens in te zetten als handelsmiddel om de indianen te bekeren. Tessouat, de sachem van de Kichesipirini , zag echter dat deze nieuwe religie zijn stam verdeelde en hij verzette zich tegen de jezuïeten, zelfs tot op het punt dat hij dreigde om Algonkin bekeerlingen te vermoorden. Als gevolg hiervan haalde de Sachem zich de woede van de jezuïeten op zijn hals en waren een deel van zijn mensen gedwongen het dorp te verlaten. Tussen 1630 en 1640 verlieten vele van de Kichesipirini en Weskarani bekeerlingen de vallei van de Ottawa. Eerst vestigden zij zich bij Trois Rivieres en toen bij Sillery omdat daar een missiepost gebouwd werd in 1637. Het gevolg hiervan was dat de belangrijkste Algonkin verdediging langs de handelsroute, door de vallei van de Ottawa ernstig verzwakt werd en de gevolgen hiervan werden al snel duidelijk. De Hollanders hadden gereageerd op de Franse bewapening van hun bondgenoten en nu kwamen via de Mohawk ook vuurwapens terecht bij de rest van de Iroquois en de gehele bonthandel liep uit op een wapenwedloop. Na zeven jaren van toenemend geweld werd er in 1634 een vrede gesloten, waardoor beide partijen op adem konden komen. Helaas besloten de Algonkin deze pauze te gebruiken om met de Hollanders te gaan handelen een echte no-go wat betreft de Iroquois en de oorlog werd hervat.
Verzwakt door het vertrek van hun christelijke stamgenoten, konden de Algonkin zich niet staande houden ten opzichte van de Iroquois. De aanvallen gedurende 1636 en 1637 verdreven de Algonkin verder naar het noorden, in het gebied van de boven vallei van de Ottawa rivier en ze dwongen de Montagnais oostwaarts richting Quebec. Allen een pokkenepidemie in die periode vertraagde de gevechten. De strijd escaleerde pas echt in 1640, toen engelse handelaren, aan de rivier de Connecticut, de Mohawk probeerde weg te lokken door middel van vuurwapens. De Hollanders reageerden op deze bedreiging, door de Mohawk zoveel moderne vuurwapens te geven als zij konden gebruiken. Het effect van deze betere vuurwapens in de handen van de Iroquois was onmiddellijk te merken. De Weskarini langs het beneden deel van de rivier de Ottawa werden gedwongen hun dorpen te verlaten gedurende 1640. Sommige van hen vertrokken noordwaarts naar het fort van de Kichesipirini en bleven zich verzetten tegen de invasie van de Mohawk. Anderen trokken naar het oosten en sloten zich aan bij de christelijke indianen bij Trois Revieres en Sillery. Tegen het begin van de lente in 1642, waren de Mohawk en Oneida klaar met verdrijven van de laatste Algonkin uit de vallei van het bovendeel van de St. Lawrence en het beneden deel van de vallei van de Ottawa rivier. In het westen concentreerden de Seneca, Cayuga en Onondaga zich op hun strijd met de Huron.

Om de reisafstand naar de handelsposten te verkleinen, voor de Algonkin en Montagnais, vestigde de Fransen een nieuwe handelspost bij Montreal, op een groot eiland bij de mond van de rivier de Ottawa , in 1642. Dit verergerde de situatie, echter alleen maar en de Iroquois vielen de fransen aan terwijl zij fort Richelieu aan het bouwen waren. Vervolgens lieten ze het fort gewoon links liggen en vielen ze de Algonkin en Huron kano vloten aan die hun bond naar Montreal brachten. Gedurende al die jaren hadden de Iroquois niet het lef gehad om het fort van de Kichesipirini aan te vallen. Maar in 1642 troffen ze het fort in de winter met een verrassingsaanval, terwijl de meeste krijgers afwezig waren en liepen de Kichesipirini rake klappen op. Het jaar daarna trokken de Iroquois hun wurggreep aan. Om hun grip op het westen te behouden, besloten de fransen om soldaten naar de Huron missiepost bij Saint Marie te sturen en vroegen ze alle niet christelijke Algonkin, terug te keren naar de vallei van de Ottawa rivier. De meeste van hen besloten echter niet te gaan omdat de Iroquois , langs de benedenstroom leefden. Ondertussen had Sachem Tessouat zijn verzet tegen het christendom opgegeven en liet zich in maart 1643 dopen.

Tijdens het jaar 1644 stonden de Weskarini nog steeds onder druk, bij hun strijd om de benedenstroom van de Ottawa rivier, van de Iroquois en gedurende dat jaar trokken vele van hen zich terug uit de strijd en sloten zich aan bij de Huron in het westen. De Huron hadden het flink te verduren gehad onder een aantal epidemieën en hun aantal was flink afgenomen. Daarnaast waren ze volop verwikkeld in een strijd met de westerse Iroquois (Onondaga, Cayuga en Seneca), dus de Weskarini, die de Huron de Atonontrataronon noemden, vormden een welkome aanvulling op hun populatie. Met het vertrek van de Weskarini, konden de Iroquois nu op volle sterkte opereren langs de rivier en ze overmeesterden 3 grote kano vloten van de Huron, op weg naar Montreal. Als gevolg hiervan kwam de Franse bonthandel geheel op zijn gat te liggen en de opvolger van Champlain, Charles Huault kon niet anders als vrede zoeken. Hij gaf het bevel om een aantal Mohawk gevangenen vrij te laten en zond hen terug naar hun mensen, met de boodschap dat hij met hen wilde praten. De Iroquois hadden inmiddels ook flink geleden onder de strijd en stonden open voor een gesprek, maar ze wisten ook dat de Fransen in nood zaten en waren dus bereid tot harde onderhandelingen
In juli arriveerde er en delegatie Mohawk in trois Rivieres. Zij kwamen om te informeren wat de voorwaarden voor een vrede zouden zijn en wilde een privé ontmoeting met de Fransen. Charles Haualt had als twee adviseurs de jezuïeten, Barthelemy Vimont en Paul Le Jeune en al snel werd duidelijk dat de Mohawk wel vrede wilden met de Fransen, maar niet met hun indiaanse bondgenoten. Ook hadden de Mohawk niet de bevoegdheid om voor de andere stammen van de league van Iroquois te spreken, dus zou een verdrag, de stammen in het westen niet beschermen. Eerder dat jaar nog, had een gezamenlijke oorlogsparty van Mohawk, Mahican en Sokoki krijgers de belangrijkste missiepost van de Montagnais en Algonkin, bij Sillery, aangevallen. Viment en le jeune veroordeelde die actie en met deze nieuwe bondgenoten waren de Mohawk er op uit om alle missieposten aan de beneden Sty. Lawrence te vernietigen. Op het advies van deze jezuïeten besloot Monymagmy, toch een verdrag te sluiten. Het verdrag hield in dat de Fransen door mocht gaan met hun bonthandel, maar er was een geheim verdrag waarin de Fransen beloofden zich niet te zullen bemoeien met conflicten tussen de Iroquois en de franse bondgenoten. Daarnaast beloofden de Mohawk dat ze de missieposten en dorpen daarbij gelegen met rust zouden laten.
Ondertussen was Tessouat dus christen geworden, maar het is onwaarschijnlijk dat hij bereid was zijn niet- christelijke stamgenoten aan de Iroquois over te leveren. Dus toen de Tessouat en de andere Franse bondgenoten de papieren versie van het verdrag september van dat jaar kwamen tekenen in Trois Rivieres, vergaten de drie fransmannen gemakshalve hen te informeren over de “geheime” voorwaarden in het verdrag. Maar ook de jezuïtische volgelingen van Vimont en Le jeune werden niet geïnformeerd, omdat deze waarschijnlijk niet akkoord zouden gaan met een dergelijk verdrag. Een jaar later toen de jezuïeten wel geïnformeerd werden was het echter te laat.
Ondertussen maakten de jezuïeten gebruik van de vrede met de Mohawk en ze stuurden pater Issac Jogues en twee andere Fransen op pad om een missiepost bij de Mohawk te bouwen. Beschuldigd van hekserij werden zij echter vermoord in oktober van 1646.

Ondanks dit incident hielden de Mohawk zich echter aan hun afspraken, maar de Seneca voelden zich niet gebonden door het verdrag en één van hun oorlogsparty’s, langs de beneden Ottawa rivier, slaagde er bijna in om Tessouat te vermoorden. Toch was er een soort van pauze in alle strijd en het Huron en Algonkin bont stroomde oostwaarts naar Quebec. Ondertussen ondernamen de Iroquois nieuwe pogingen om toestemming van de Huron te krijgen, om ten noorden van de St. Lawrence te jagen. Deze bleven echter weigeren en na twee jaar van onderhandelingen besloten de Iroquois over te gaan tot een totale oorlog, met de verzekering dat de Fransen neutraal zouden blijven. Terwijl hun Sokoki( westerse Abanaki) en Mahican achter de Montagnais aan gingen, besloten de Mohawk om het verschil tussen de christelijke en niet Christelijke Algonkin te negeren. Op 6 maart, 1647, viel een grote Mohawk warparty, de Kichesipirini bij Trois Rivieres aan en roeide hen bijna uit. Nu de Algonkin bands aan de beneden Ottawa rivier waren verdwenen, kon zelfs een in allerijl bijeengeroepen bondgenootschap van de Micmac, Montagnais en Nipissing , de Mohawk nog stoppen . Alleen hun oorlog met de Huron, bracht enige verlichting voor de stammen in het oosten, maar die strijd eindigde in 1649 nadat de Iroquois, de Huron, overrompelde en kompleet uitroeide. Terwijl de Franse en indiaanse vluchtelingen de vallei van de Ottawa binnenstroomden om veiligheid te zoeken bij Montreal, bleef Tessouat echter tol vragen en hij hing een jezuïet aan zijn voeten op toen deze weigerde te betalen. De Mohawk vonden echter dat het wel genoeg was geweest met het vragen van tol en ze overliepen in 1650, de overgebleven Algonkin in de boven vallei van de Ottawa rivier. De overlevenden trokken zich terug, een deel naar de Cree, waar zij enige bescherming genoten en een deel naar het westen, richting de Ottawa en Ojibwe,. Gedurende de twintig jaar die volgden, verdwenen de Algonkin, wat betreft de Fransen, compleet uit het zicht. Tessouat bezocht Trois Rivieres nog in 1651, maar hij werd prompt in een kerker gegooid omdat hij de jezuïet twee jaar eerder had mishandeld. Tijdens de jaren die volden op de ramp van 1649, probeerden de Fransen hun bonthandel te handhaven, door indiaanse handelaren te vragen hun bont naar Montreal te brengen. Er was op dat moment een fragiele vrede tussen hen en de westerse Iroquois en ze vermijden om ten westen van Montreal te reizen. De Iroquois bezetten de vallei van de Ottawa rivier nooit. Wel bleven de warparty’s van de Iroquois door het gebied trekken, waardoor het erg gevaarlijk was om over de rivier te reizen. Allen grote vloten van kano’s slaagden er in om bij Montreal aan te komen en er waren een paar stammen die die uitdaging wel aandurfden. De oorlog tussen de Fransen en de Iroquois werd hervat in 1658, toen een jezuïtische ambassadeur werd vermoord. Tegen het jaar 1664, besloten de Fransen dat ze wel genoeg hadden geleden onder de constante dreiging van de Iroquois en met de komst van beroepssoldaten in Quebec en hun voortdurende aanvallen om de Iroquois dorpen in hun thuisgebied, kwam er in 1667 een vrede.
De Fransen hadden gelukkig geleerd van hun fouten in het verleden en eisten nu dat het verdrag gold voor alle bondgenoten en handelspartners. Het gevolg hiervan was dat de Franse handelaren nu naar de westelijke grote meren konden reizen, maar ook dat de Algonkin langzaamaan teug konden keren naar het noordelijke deel van de vallei van de rivier de Ottawa. De veroveringen en de oorlogen hadden een zwaar effect op de Algonkin gehad en er waren nog maar zo’n 2000 overlevenden. De epidemieën die Sillery in 1676 en 1679 hadden getroffen hadden ook het aantal christelijke fors doen afnemen, tot slechts nog een handvol overlevenden. De meeste van hen werden geabsorbeerd door de Abanaki bij St Francois, nadat de missie van Sillery in 1685 werd gesloten. Tijdens de twintig jaren dat de Algonkin afwezig waren geweest in de vallai van de Ottawa, waren het de Ottawa die de rol van de bonthandelaren hadden overgenomen. Zo erg zelfs dat ieder indiaanse handelaar die Montreal bezocht automatisch als Ottawa werd gezien, terwijl vele van hen toch Algonkin of Ojibwe waren. Een nog grotere belediging was het feit dat de naam van de Grande Riviere des Algoumequins ( grote rivier van de Algonkin) werd veranderd in Rivieres des Outauais (rivier van de Ottawa). In de daarop volgende vijftig jaren bouwden de Fransen handelsposten voor de Algonkin bij Abitibi en Temiscamingue aan het noord aan einde van de Ottawa vallei. Er werden ook missieposten gebouwd bij Ile Aux Tourtes en St. Anne de Boit de Ille en in 1721 overtuigden Franse missionarissen 250 Nippissing en 100 Algonkin om de 300 christelijke Mohawk bij Sulpician te vergezellen. Deze vreemde mix van voormalige vijanden, beide bkeerd tot het christendom en bondgenoot van de Fransen, werden bekend onder de Algonkin naam “Oka” en de Iroquois naam “Kanesatake.”
De meeste tijd bleven deze bekeerde Algonkin in Oka en alleen tijdens de zomer om vervolgens in de winter terug te keren naar hun oude jachtgronden in de boven vallei van de Ottawa rivier. Dit kwam de Fransen goed uit omdat de christelijke Algonkin bij Oka, goede banden onderhielden met hun broeders in het noorden en ze altijd een beroep op hen konden doen in geval van nood.
Vanwege deze bekeerde Algonkin bij Oka, waren alle Algonkin betrokken bij de zaak van de Fransen, dit vanwege een voormalige alliantie die de Zeven naties van Canada heet. De leden hier van waren Caughnawaga (Mohawk), Lake of the Two Mountains (Iroquois, Algonkin, en Nipissing), St. Francois (Sokoki, Pennacook, en New England Algonquian), Becancour (Eastern Abenaki), Oswegatchie (Onondaga and Oneida), Lorette (Huron), en St. Regis (Mohawk). De Algonkin bleven belangrijke bondgenoten van de Fransen tot de Frans en Indiaanse oorlog( 1755-63) en de zomer van 1760. Tegen dat jaar hadden de Engelsen Quebec ingenomen en stonden op het punt om Montreal in te nemen. De oorlog was voorbij in Noord Amerika en de Engelsen hadden gewonnen. De Huron van Lorette waren de eerste die dit begrepen en tekenden een eigen verdrag met de Engelsen die zomer. In het midden van augustus hadden de Algonkin en acht andere voormalige bondgenoten van de Fransen, een ontmoeting met de Britse afgezant, Sir William Johnson, en ook zij tekenden een verdrag waarin ze afsprken neutraal te blijven bij mogelijke toekomstige oorlogen tussen de Fransen en de Engelsen.
Dit bezegelde het lot van de Fransen in Montreal en Noord Amerika en verdere pogingen van de Fransen om hun Canadese bondgenoten in de strijd te houden mislukten. Na de oorlog gebruikte Johnson zijn invloed onder de Iroquois om de Iroquois League en de Zeven Nations van Canada een gezamenlijke alliantie te laten vormen in het belang van Engeland. De grootte van deze groep zorgde er ook voor dat de Britten, de opstand van Pontiac ten westen van het Appalachen gebergte de kop in konden drukken. Johnson stierf plotseling in 1774, maar zijn visie leefde voort en de Algonkin vochten aan Britse zijde tijdens de Amerikaanse revolutie (1775- 83), participeerden in campagne tegen St. leger’s in de Mohawk vallei in 1778. Het thuisgebied van de Algonkin zou beschermd zijn tegen kolonisatie, door middel van een proclamatie uit 1763 en de Quebec act van 1774, maar na de revolutie die geëindigd was in een overwinning van de rebellen, vertrokken duizenden Britse loyalisten uit de VS en vestigden zich in Canada. Om land voor deze nieuwe inwoners te vergaren, besloten de Engelsen in 1783, om het verdrag met de Algonkin in de beneden Ottawa vallei te negeren en ze kochten delen van oost Ontario van de Missisauga Chief Mynass. Ondanks dit vochten de Algonkin toch aan de zijde van de Engelsen tijdens de oorlog van 1812 en hielpen de Amerikanen te verslaan tijdens de Battle Of Chateauguay. Hun beloning voor deze steun was het voortdurende verlies van grondgebied aan de Amerikaans loyalisten en Britse immigranten. De ergste slag werd hen toegebracht toen de Engelsen de Ojibwe er toe overhaalde, de rest van het Algonkin gebied in de vallei van de Ottawa te verkopen. Omdat er slechts enkele Ojibwe leefden, was de prijs die ze ervoor kregen zo goed als niets. Voor de tweede keer nam niemand de moeite om de Algonkin te benaderen, die nooit hun claim op het gebied hadden opgegeven. Verdere verliezen leden de Algonkin, toen houthakkers de vallei van de Boven Ottawa rivier binnentrokken. Na verloop van tijd kregen de Algonkin nog tien kleine reservaten en was er slechts nog een fractie van hun originele gebied in hun bezit….