gastenboekrkaartr

Stuur een Emailtje bij vragenzoek op de websiteTerug naar het beginvolgende

De Chickasaw

taalgflokatiegfpopulatiegfbandsgfcultuurgfgeschiedenisgfreservatengflinksgf

Taal

 Het Chickasaw is een taal van de tak van de Muskogean taalfamilie van het zuidoosten. Het is nauw verwant aan het Choctaw en de meeste taalkundigen beschouwen beide dialecten als dezelfde taal. In de huidige tijd spreken er waarschijnlijk nog zo’n 1000 mensen het Chickasaw( de meeste daarvan in Oklahoma, waar de Chickasaw gedwongen naar toe zijn verhuisd)en zo’n 10.000 het Choctaw. Net als de andere Muskogean talen is het Chickasaw een zeer complexe taal. Ben je hierin geïnteresseerd kun je op onderstaande link klikken.
http://en.wikipedia.org/wiki/Chickasaw_language

 

 

Lokatie

Zo rond 1300 staken de Chickasaw waarschijnlijk de Mississippi rivier over. Voor die oversteek leefden ze waarschijnlijk in de vallei van de Rode Rivier. Volgens de overlevering was de eerste permanente nederzetting van de Chickasaw de Old Fields, aan de rivier de Tennessee net ten westen van Huntsville Alabama. Hoewel ze later weer terugkeerden naar dit gebied, speelde de geschiedenis van de Chickasaw zich af in noord-oost Mississippi, ten zuidwesten van de hoofdwateren van de Tombigbee rivier.
De Chickasaw controleerden ook het westelijk deel van Tennessee en Kentucky, ten westen van de scheiding tussen de Cumberland rivier en de Tennessee rivier, inclusief de Chickasaw Bluffs die de Mississippi overzien vanuit Memphis. Een groep Chickasaw verhuisde op uitnodiging van South Carolina naar het oosten en settelde zich aan de Savannah rivier bij Augusta Georgia. Zij bleven daar tot 1783. Toen werd het land in beslag genomen vanwege hun steun aan de Engelsen tijdens de Amerikaanse revolutie. Deze oosterse groep leefde daarna een aantal jaren bij de Creek in oost Alabama voordat zij weer terug ging naar de belangrijkste groep in noord Mississippi.
Na het passeren van de Indian Removal Act in 1830, deden de Chickasaw afstand van hun land ten oosten van de Mississippi in 1832 en stemden toe in een verhuizing naar het Indian territory.
Omdat er geen geschikt land gevonden kon worden, verhuisden de Chickasaw pas daadwerkelijk in 1837 en settelden zij zich in zuidoost Oklahoma op land dat geleased werd van de Choctaw. Hun samenvoeging met de Choctaw was niet zo geslaagd en in 1854 scheidden de wegen van beide stammen zich weer en de Chickasaw keerden terug naar hun thuisland in zuid centraal Oklahoma.
De Chickasaw nation bleef bestaan tot 1906 om in aanmerking te komen voor statehood. Hoewel vele Chickasaw vertrokken of samengingen met de normale populatie, nadat hun land opgedeeld was, leven er nog steeds zo’n 112.000 in de omgeving van hun hoofdkwartier in Ada.

Populatie

Vanwege hun bijna gelijke taal, lijkt het of de Chickasaw en Choctaw ooit van dezelfde stam deel uitmaakten toen ze ten westen van de Mississippi leefden. Van deze twee stammen waren de Choctaw verreweg de grootste, waarschijnlijk met 4 tot 5 maal zo velen. Toch waren de Chickasaw wel een aanzienlijke stam met zo’n 15.000 zielen voor hun contact met de Europeanen in 1540.
De ontvolking als gevolg van de epidemieën achtergelaten door DeSoto, reduceerde de stam aanzienlijk. Toch hebben de Chickasaw minder onder de epidemieën geleden dan hun buren, omdat de Chickasaw over het algemeen in kleine dorpen leefden. In 1693 schatten de Fransen het aantal Chickasaw op zo’n 10.000. Dit leek een goede schatting, want in 1702 schatte Iberville het aantal ook op 10.000 (580 hutten + 2000 krijgers).
De jaren erna waren de Chickasaw constant in oorlog met de Fransen en met hun buren, waardoor ze in aantal steeds verder achteruit gingen. Toch nam het aantal Chickasaw niet zo snel af als bij vele Oostelijke stammen, vanwege hun kleine dorpen waardoor ze niet zo erg te lijden hadden onder de epidemieën. Ook bleef het aantal redelijk gehandhaafd als gevolg van het absorberen van overgeblevenen van andere stammen, zoals de Natchez, Chakchiuma, Tapousa, Ibitoupa, en Napissa. Tegelijkertijd trouwden ook veel Schotse handelaren met de Chickasaw vrouwen waardoor er veel mixed Blood Chickasaw waren. Ondanks het feit dat de schattingen uiteenlopen, is het wel duidelijk dat de vele oorlogen hun tol onder de Chickasaw hadden geëeist. In 1715 werd er geschat dat er nog zo’n 6 dorpen waren met 700 inwoners, dus zo’n 3.500 Chickasaw. (1) Rond 1761 hadden de Chickasaw nog zo’n 500 krijgers, maar in 1768 waren dat er weer 500.

De terugtrekking van de Fransen in 1763 gaf de Chickasaw de nodige rust en in 1817 telden de Chickasaw 3625 zielen. Tijdens hun verwijdering in 1837 telden de Chickasaw 4.914 mensen, plus zo’n 1156 zwarte slaven. Lange tijd bleef dit aantal constant, maar nu zijn er zo’n 35.000 Chickasaw.

(Sub)bands

De Chickasaw zijn nooit echt opgedeeld geweest in divisies, totdat ze in Oklahoma arriveerden en ze in 3 divisies gesplitst werden, vernoemd naar hun Chiefs: Mcgilvery, Sealy en Tishomingo.
Dorpen
Ackia (Akia, Old Town), Alaoute, Amalahta, Apeony (Apeonne), Apilefaplimengo, Ashukhuma, Ayebisto, Chatelaw, Chesafaliah, Chinica, Chopoussa, Chucalissa (Big Town, Chocolissa, Chokkillissa, Chukwillissa), Chukafalaya (Choquafaliah, Long Town, Old Pontotoc, Tchoukafala), Chula, Coppertown, Couiloussa, Etoukouma, Falatchao, Gouytola, Hummalala, Hussinkoma (Red Grains), Hykehah, Latcha Hoa Run, Ogoula-Tchetoka, Onthaba-atchosa, Ooeasa (Wiaca - located among the Upper Creek), Oucahata, Oucthambolo, Outanquatle, Phalachehs, Pontotoc, Shatara, Shiokaya (Stand-by-it), Tanyachilca, Taposa, Thanbolo, Teshatulla (Post Oak Grove, Post Oak Town, Techatulla), Tokshish (McIntoshville), Tuckahaw, Tuskawillao, Tuskaroilloe, enYaneka.

Cultuur

chicks

Ondanks het feit dat het de minst bekende van de 5 geciviliseerde stammen is (Seminole, Choctaw Creek, Cherokee, Chickasaw) speelde geen enkele andere stam een belangrijker rol dan zij bij de overwinning van Engeland over Frankrijk over de controle van Noord Amerika. Gevarieerd omschreven als de “niet veroverden en de onvermoeibaren” of de “Spartanen van de beneden-Mississippi vallei” waren de Chickasaw erg goede krijgers. Zij werden gezien als de beste krijgers van het zuidoosten en wee degenen die het met hen aan de stok kregen, die zouden er spijt van krijgen als ze het al overleefden.
De Britse handelaren zagen al snel in dat er met de Chickasaw niet te spotten viel en ze bewapenden de Chickasaw tot de tanden. Geen enkele combinatie van de Fransen met hun bondgenoten kreeg het voor elkaar de Chickasaw te verdrijven uit het gebied van de beneden Mississippi. De Chickasaw konden het Franse gedeelte in tweeën knippen als zij dit zouden willen, en dit zou in een oorlog met Engeland zeer gevaarlijk kunnen zijn. Vanaf het hoge plateau zagen de Chickasaw alles en iedereen aankomen en zij versloegen ook alles en iedereen, zelfs stammen die vier tot vijf keer groter waren dan zijzelf. Geen enkele strijd verloren zij, totdat ze de verkeerde kant in de Amerikaanse burgeroorlog kozen. Maar zelfs toen waren het de Chickasaw die zich als laatste overgaven aan de Union.
Terwijl hun neven in het zuiden, de Choctaw, wel een duidelijke herinnering aan de terpen hebben, is er bij de Chickasaw geen sprake van enige herinnering aan de plat-vormige terpen. Hieruit kan blijken dat de terpen al aanwezig waren voordat de Chickasaw zich hier vestigden.
Meer bewijs voor een latere migratie is onder andere dat de Chickasaw hun dorpen 10 tot 15 mijl uit elkaar bouwen langs een rivier of beek. Hun buren hebben deze gewoonte niet. Verder zijn de Chickasaw wel een typische zuidoostelijke stam. Tot 1700 leefden de Chickasaw in zo’n 7 dorpen die ieder een raadsgebouw hadden en een ceremonieel gebouw. Tijdens oorlogen trokken de Chickasaw zich terug in een aantal versterkte Forten die meestal in de heuvels lagen, wat het voor vijanden erg lastig maakte om ze aan te vallen.
Iedere familiegroep leefde in twee soorten huizen, afhankelijk van het seizoen. Zomerhuizen waren rechthoekig met een zadeldak en een balkon. Het winterhuis was rond en gebouwd van takken  besmeerd met klei, de typische huizen voor het gebied. De huizen waren goed geïsoleerd en een stuk in de grond ingegraven.
De Chickasaw waren zelfs zo arm, dat de slaven die regelmatig in de huizen “bewaard” werden, dachten dat ze in het voorportaal van de hel waren geweest. Tegen 1800 hadden de Chickasaw echter hun behuizing in de steek gelaten en bewoonden ze vergelijkbare hutten als de Frontiersmen. De Chickasaw waren op de eerste plaats jagers en krijgers en op de tweede plaats boeren.
Om een onbekende reden leek het zo dat de Chickasaw mannen gemiddeld groter waren dan hun zuidelijke buren de Choctaw (gemiddeld 1.80 mtr). De Chickasaw vrouwen daarentegen waren meestal 30 cm korter dan de mannen. Er was een duidelijke verdeling van werk bij de Chickasaw: de vrouwen zagen toe op de slaven en verbouwden de maïs, de bonen en de squash, terwijl de mannen op beren, bizon en herten jaagden. Ook vis was een belangrijke voedselbron.
Hun kleding bestond voornamelijk uit bewerkt leer en bij de mannen ging de voorkeur uit naar een lendendoek met daaronder hoge laarzen om hun benen te beschermen tegen het lage struikgewas. De vrouwen droegen korte jurkjes, en zowel de mannen als vrouwen gebruikten bizonvellen om zich in de winter warmer te kleden. In plaats van de typische Dakota verentooi, was voor de Chickasaw mannen het ultieme symbool van dapperheid een mantel van zwanenveren. Mannen en vrouwen droegen hun haren lang en wanneer ze in oorlog waren droegen de mannen een typische scalplok. De oorlogskleuren varieerden per clan. Net als bij hun buren, verwijderden de Chickasaw mannen al hun lichaamshaar en maakte ze veel gebruik van tatoeages. Typisch was ook dat ze het voorhoofd van hun kinderen afplatten om er als volwassenen beter uit te zien. Om deze reden noemden de Fransen en hun bondgenoten ten noorden van de Ohio, hen de têtes-plattes (flatheads). Helaas werd deze naam echter ook gebruikt voor de Choctaw en de Catawba om dezelfde reden en het is dan ook niet altijd duidelijk in de Franse geschriften welke stam er bedoeld werd. Politiek gezien waren de Chickasaw dorpen en clans onafhankelijk en in tijd van oorlog werkten ze samen. Ieder dorp had zijn eigen Minko (Chief).
Er was ook een Opper Minko (High Chief), een erfelijke titel, gekozen uit de Chickasaw geliefde familie. Een algemeen gebruik bij de zuidoostelijke stammen was dat de Hoge Minko niet zelf sprak tijdens een raad, hij liet dit over aan een adviseur of een gedelegeerde, de Tishu Minko. Sociaal gezien bestonden de Chickasaw uit 7 tot 15 totemische, matrilineaire, exogame clans, hetgeen betekende dat het lid zijn van een clan vastgesteld werd via de moeder, en dat je buiten jouw clan moest trouwen. Monogamie was gewoon, maar soms was polygamie toegestaan, meestal als een man met meer dan 1 zuster trouwde. De mannen hadden over het algemeen weinig van doen met de opvoeding van de kinderen, met de broer van de vrouw als verantwoordelijke voor de training en discipline van de jongens. Overspel was een ernstige overtreding bij de Chickasaw en dan vooral voor een vrouw en wanneer een vrouw een buitenechtelijk kind baarde was dit een groot schandaal voor een familie. Van een vrouw werd verwacht dat ze na het overlijden van haar man 4 jaar alleen zou blijven, voor mannen telde dit niet. De Chickasaw geloofden dat er een hogere macht was, een schepper en geloofden ook in goede en minder goede goden. Ook geloofden ze in leven na de dood. De overledenen werden met hun gezicht naar het westen begraven.
Een typisch gebruik was ook “de black drink” een drankje om overgeven op te wekken en om zo het lichaam te zuiveren. De nationale sport was de “Ball game” een grove balsport waarbij vaak vele dagen hele dorpen en clans betrokken waren. Vergeleken met het balspel van de Chickasaw en de Choctaw is het huidige football voor peuters.
In het begin waren de Chickasaw afhankelijk van uitgehakte kano’s en hun benen voor het vervoer. Volgens de overlevering kregen ze voor het eerst paarden toen ze met de Shawnee gingen handelen bij Bladsoe’s lick rond 1700. De paarden werden voornamelijk gebruikt om de dieren mee te vervoeren naar de Engelsen in Charlestown, maar al snel slaagden de Chickasaw er in, een paard te fokken dat beroemd was om zijn uithoudingsvermogen.
Omdat de omgeving zwaar bebost was, bewogen de oorlog party’s nog steeds te voet. De Chickasaw konden erg goed zwemmen en een rivier was totaal geen obstakel voor hen, ze waren lichte lopers. De krijgertraining begon onmiddellijk na de geboorte, wanneer de baby’s meteen op een pantervel werden geplaatst. De oorlogstechnieken die de Chickasaw gebruikten, zouden goede aanvullingen betekenen op de moderne technieken. Grote legermachten waren voor de Chickasaw niet gebruikelijk, behalve als het om de verdediging van hun dorpen ging.
Normaal gesproken gingen de Chickasaw met een groep van 30-50 krijgers op pad, zo’n groep kon zich makkelijk en geruisloos bewegen en zo konden ze hun vijanden goed verrassen. De onverwachte aanval was zo typisch Chickasaw dat je zou verwachten dat hun vijanden er wel op zouden anticiperen. Aangezien de Chickasaw krijgers geloofden, dat de geest van hun overleden familieleden hen lastig zouden vallen totdat er wraak was genomen, was het nooit de vraag óf ze wraak namen, maar alleen wanneer.

Buiten de Engelsen hadden de Chickasaw niet veel bondgenoten, maar wel een groot aantal vijanden. Bij tijd en wijle waren het de Creek, Caddo, Cherokee, Illinois, Potawatomi, Miami, Iroquois, Wyandot, Ottawa, Kickapoo, Mobile, Menominee, Shawnee, Osage, Choctaw, Chakchiuma, Oto, Chitamacha, Houma, Yuchi, Tunica en Quapaws die de strijdbijl tegen hen opnamen. Dit hield eigenlijk in dat ze met iedereen in oorlog waren die bij hen in de buurt leefde en zelfs met stammen die veel verder weg woonden. De Chickasaw versloegen ze allemaal en hielpen tijdens dit gebeuren de Fransen Noord-Amerika uit te jagen, de Spaanse ambities te dwarsbomen en Amerikanen te verslaan tijdens hun enige veldslag tijdens de revolutionaire oorlog.

Geschiedenis

De geschiedenis van de Chickasaw begint met hun eigen verslag van de migratie vanuit het westen van de Mississippi.
Iedere nacht wanneer zij kampeerden, zetten hun priesters een paal in de grond en wanneer zij wakker werden keken ze welke kant de paal op hing: dat was hun reisrichting. Altijd wees de paal naar het Oosten.
Nadat ze de Mississippi waren overgestoken, bereikten ze de Tennessee rivier bij Huntsville, Alabama. Hier bleef de paal overeind staan en hier bleven ze dan ook. De precieze tijd dat dit plaatsvond is moeilijk vast te stellen, maar de Chickasaw  leefde al lange tijd daar, toen het leger van DeSoto bij hen arriveerde in 1540.
Nog bijkomend van de verwondingen die ze hadden opgelopen tijdens hun strijd met de Mobile in Zuid Alabama, waren de Spanjaarden aardig ontmoedigd door de woestheid van de strijd en het falen in de zoektocht van goud.
Geruchten van een op handen zijnde muiterij hadden DeSoto gedwongen naar het noorden te trekken, om op zoek te gaan naar een plaats om te overwinteren.
Lange tijd werden de Spanjaarden als onoverwinnelijk gezien, maar na hun strijd tegen de Mobile waaruit bleek dat ze wel te verslaan zouden kunnen zijn, waren de stammen in het gebied niet meer bang voor hen. De ontvangst die DeSoto van de Chickasaw kreeg loog er dan ook niet om. Tijdens de oversteek van een rivier in noord Alabama werden de Spanjaarden ontvangen met een regen van pijlen. Uiteindelijk lukte het de Spanjaarden toch om een weg open te breken en nadat ze een aantal Chickasaw hadden gevangen genomen als gijzelaars, eisten ze van de Chickasaw dat ze hen te eten gaven. De Chickasaw Minko gaf hier met tegenzin aan toe, en terwijl de eerste sneeuw al gevallen was sloegen de Spanjaarden hun kamp op.
Een onzeker bestand overleefde de winter, maar beide partijen vertrouwden elkaar voor geen meter. De Chickasaw voorzagen de Spanjaarden van maïs en brood, maar probeerden ook een manier te vinden om van hun “gasten” af te komen. Om dit te bereiken vroegen ze DeSoto te helpen bij het neerslaan van een opstand bij een stam in de buurt. DeSoto stemde in met het sturen van 30 ruiters en 80 personen infanterie. Hij realiseerde zich echter wel hoe gevaarlijk het was om zijn leger op te delen en gaf dan ook opdracht voorzichtig te zijn. Toen de Chickasaw-Spaanse expeditie arriveerde bij de Chakchiuma, vreesden ze een val omdat het dorp verlaten was. De Spanjaarden besloten terug te keren.
De rest van de winter verliep rustig en de Spanjaarden voelden zich steeds meer op hun gemak. Toen een groep Chickasaw het kamp van DeSoto bezocht, bood hij hen een stuk varkensvlees aan (zij hielden varkens als noodrantsoen), en de Chickasaw vonden het heerlijk. Aangezien de Chickasaw ook hun voedsel met de Spanjaarden deelden zagen ze er niets ernstigs in om een paar varkens van de Spanjaarden te lenen.
De drie varkensdieven werden gepakt, en DeSoto rekende met hen op de gebruikelijke manier af. Twee van hen werden door een salvo van pijlen afgemaakt en de derde werd zonder handen naar zijn Minko gestuurd. Ook plunderden de Spanjaarden een nabijgelegen Chickasaw dorp.
Omdat de Minko’s verwachtten dat DeSoto en zijn mannen wel snel zouden vertrekken, besloten ze het misbruik maar te vergeten. Maar toen de tijd van vertrek (maart) naderbij kwam, eiste DeSoto 200 vrouwen om als drager te dienen en voor andere doeleinden. De Chickasaw Minko zei tegen hem dat hij erover na zou denken en dat DeSoto zijn antwoord binnenkort zou krijgen. Het antwoord dat de Chickasaw gaven, bevestigde hun latere reputatie als: Indianen die niks pikten en die onverwacht en hard toesloegen.
De Chickasaw vielen de Spanjaarden midden in de nacht aan. De Spanjaarden waren compleet verrast, onder andere vanwege de door de Chickasaw meegebrachte brandbommen. Het resulteerde in een complete chaos, waarin DeSoto bijna zelf omkwam toen hij van het paard viel door een loszittend zadel. De Chickasaw trokken zich terug en toen de rook 's ochtends was opgetrokken, bleek dat de Spanjaarden 12 mannen hadden verloren en 58 paarden. Ook hadden de Chickasaw 400 varkens gestolen.
Nog erger was het dat bijna al hun kleding en wapens kapot waren en het leek erop dat dit het einde van de expeditie zou zijn. Maar ondanks al hun tekortkomingen waren de Spanjaarden wel dapper. Terwijl ze voortdurend aangevallen werden, trokken de Spanjaarden zich terug met hetgeen ze nog hadden. Koud en bijna naakt doken ze onder in een verlaten Chickasaw dorp.
Snel bouwden de Spanjaarden het dorp om in een Fort en repareerden hun wapens en zadels. Toen dit eenmaal klaar was, verlieten de Spanjaarden het land van de Chickasaw via de kortst mogelijke route. De Spaanse expedities die nog zouden volgen, zorgden er wel voor dat ze uit de buurt van de Chickasaw bleven. Het duurde nog eens 130 jaar voordat de Chickasaw weer in aanraking zouden komen met Europeanen.
Ditmaal waren het de Fransen, in de vorm van een klein gezelschap bestaande uit vader Jacques Marquette en Louis Joliet. Zij waren bezig met de verkenning van de Mississippi in 1673. Beide heren waren erg bezorgd over een eventuele ontmoeting met de Chickasaw, omdat iedereen in Europa wist hoe het DeSoto was vergaan en ze hebben dan ook niets beschreven…
Daadwerkelijk contact was er voor het eerst weer in 1682, tijdens de expeditie van Robert La Salle en Henry Tonti.
Tijdens een stop bij de Chickasaw Bluffs omdat Tonti ziek was, wandelde de wapenmeester in het bos en en hij bleef weg. Terwijl ze hem gingen zoeken, bouwden de Fransen een klein Fort (Fort Prudhomme, vernoemd naar de wapenmeester), om als voorraadschuur te dienen tijdens hun zoektocht. Ook kwamen zij twee Chickasaw tegen, gaven hen geschenken en vroegen hen om hulp.
Prudhomme werd uiteindelijk 10 dagen later, op sterven na dood gevonden. Op de terugweg in april besloot hij te stoppen bij een Quapaw dorp (Chickasaw vijanden) aan de andere kant van de rivier. Tijdens de eerste ontmoeting tussen de Fransen en de Chickasaw leek het er niet op dat er problemen zouden komen. De problemen werden pas in gang gezet, toen  een groep van 150 Engelsen kolonisten landde in Zuid Carolina en Charleston bouwden aan de mond van de Ashley rivier.
Het doel van de groep kolonisten was drieledig. Ten eerste om de toename van het aantal Spaanse missieposten te stoppen langs de kust van Florida tot in land dat door Engeland werd geclaimd. Ten tweede commerciële landbouw, en ten derde handel met de stammen.
Helaas waren er echter niet genoeg arbeidskrachten in de buurt, en de kolonisten van Virginia hadden een goede band met de Cherokee en Sioux stammen in de buurt. Omdat ze niet konden concurreren met de handelaren uit Virginia, moesten ze hun handel ergens anders gaan zoeken. Terwijl de Fransen druk waren met hun oorlog bij de grote meren, profiteerden de Charleston handelaren hiervan en breidden zij hun netwerk voor de handel uit tot helemaal langs de Mississippi. Tegen 1685 had Henry Woodward een permanente handelspost bij de Upper Creek in Noord-Alabama en stuurde hij twee mannen over land om met de Chickasaw te gaan handelen. Tegen het jaar 1698 waren de bezoeken van de Engelsen aan de Chickasaw regelmatig.
De bonthandel had er voor gezorgd dat de Fransen persé de grote meren onder controle wilden hebben. De beneden-Mississippi vallei was voor hen niet interessant, omdat er te weinig bevers waren. De enige uitzondering hierop was de Arkansa handelspost die Tonti had gesticht bij de Quapaw in 1686. Verder waren de Fransen te langzaam met het exploiteren van de gebieden die La Salle had geclaimd in 1682. Hertenhuiden waren interessant voor de Engelsen, maar het ging hen voornamelijk om de aangeleverde slaven, die ze gebruikten voor het bewerken van hun plantages in de Carolina’s en in west Indië.
Om zichzelf een voorsprong te geven ten opzichte van hun buren de Choctaw, waren de Chickasaw maar al te bereid om slaven te leveren. De Britten bewapenden de Chickasaw, omdat ze vanwege de westelijke ligging van hun dorpen toch geen gevaar vormden voor hun nederzettingen. De Chickasaw betaalden deze wapens door vrouwen en kinderen te verhandelen die zij bij hun buurstammen gevangen genomen hadden.
Af gezien van het feit dat mensen gevaarlijker zijn om op te jagen dan wild, was de rest van de handel veel gemakkelijker. Hertenhuiden vroegen om een lange stoet paarden om te vervoeren, terwijl een menselijke vracht gewoon kon lopen.
Tegen 1698 waren de King Williams War en het conflict tussen de Grote Meren-stammen, wat betreft de Fransen, goed afgelopen. Toch was er wel enige mate van bezorgdheid, omdat de positie van de Fransen bij hun Indiaanse bondgenoten wel eens ondermijnd zou kunnen worden door het besluit van Louis 14 om de bonthandel op te schorten, maar de Fransen waren dominant in Noord Amerika.
Bezorgd om het toenemende aantal Engelse handelaren in de Mississippi vallei, besloten de Fransen hun aanwezigheid in het gebied te versterken. Het begon allemaal met de verklaring van de bisschop van Quebec, dat Louisiana onder zijn invloedsgebied viel, en de opdracht aan zijn priesters Davion en Joliet om in het gebied missieposten te bouwen. Antoine Davion bezocht een aantal Chickasaw dorpen, maar na een nogal koele ontvangst besloot hij er geen missiepost te bouwen, omdat de Chickasaw al onder de invloed van de Engelse protestanten zouden staan.
Het grappige is echter, dat de Engelsen als een van de belangrijkste redenen om de Natives als slaven te behandelen, aangaven dat dit moest om ze niet onder de invloed van de katholieken te laten vallen. Ondanks dat beide partijen er toe neigden hun acties te verdedigen om religieuze redenen, was de koele ontvangst die David kreeg meer om economische dan om religieuze redenen. De Chickasaw terroriseerden iedere stam in hun omgeving om aan slaven voor de Engelsen te kunnen komen, en de komst van de Fransen kon alleen maar ellende betekenen.
Terwijl hij het patroon uitzette dat de Fransen later verder zouden volgen, bouwde Davion zijn missie bij de Tunica, die vaak het slachtoffer waren van de Engels-Chickasaw samenwerking om aan slaven te komen. De Fransen en Spanjaarden waren stevige concurrenten bij het veroveren van de nieuwe wereld en daarom moesten Marquette en Joliet in 1673 ook snel terugkeren toen ze Spaanse goederen bij een handelspost van de Quapaw vonden.
In 1682 claimde La Salle het gebied voor Frankrijk, maar de tevergeefs pogingen om een Franse nederzetting langs de kust van Texas te bouwen, had een Spaanse Militaire expeditie wakker geschud om hen weg te jagen.
Toen echter de volgende oorlog met Engeland op het punt van uitbreken stond (Queen Anne’s war 1701-1713), bevonden de Spanjaarden en de Fransen zich in de vreemde positie dat het bondgenoten van elkaar waren. Vanuit die positie kon Spanje best bezwaar maken tegen een Franse nederzetting in Texas, maar de Fransen waren wel druk bezig met bouwen van een nieuw Fort bij Pensecola om hun claim te beschermen.
In 1699 arriveerde Pierre le Moyne d'Iberville met een vloot en een aantal avonturiers. Ze konden echter de mond van de Mississippi niet vinden, dus bouwden ze een nieuw Fort genaamd Maurepas bij Biloxi, Mississippi. Dit was echter ook maar tijdelijk, omdat, in september van het jaar erna, de Fransen een Engels schip de Mond van de Mississippi op zagen varen.
De Engelse kapitein stak de bedoeling van zijn land niet onder stoelen of banken: het veroveren van de beneden-Mississippi met behulp van afvallige Franse Hugenoten.
d'Iberville reageerde door Fort Mississippi te bouwen op een punt 40 mijlen boven de mond van de Mississippi, om zo de toegang tot deze rivier voor de Engelsen te blokkeren. In 1702 verhuisden de Fransen de kern van hun activiteiten naar Fort St. Louis aan Mobile Bay. Daar bleef het hart van de Franse handel tot New Orleans werd gesticht in 1718.
De Franse positie in het gebied was echter maar zwak, ze hadden weinig militairen en konden hun bondgenoot Spanje ook niet helpen. Tijdens alle drukte van de oorlog gebeurde er echter nog wel iets belangrijks: de slavenhandelaren uit Zuid Carolina vielen met hun bondgenoten, de Creek en de Yamasee, alle missieposten in Noord Florida aan en brachten duizenden slaven naar de slavendokken van Charleston.
Ondertussen bleven de Fransen hun best doen om een goede verstandhouding met de stammen op te bouwen, en dit begon steeds meer vruchten af te werpen. De stammen waren er inmiddels wel achter dat de Fransen niet, zoals de Engelsen, erop uit waren om hen aan slavernij te onderwerpen. De stammen drongen er dan ook op aan bij de Fransen hen vuurwapens te leveren om zich te kunnen beschermen tegen de Chickasaw. Maar omdat er grote aantallen wapens nodig waren, was dat gemakkelijker gezegd dan gedaan.
In die tijd waren er onder de stammen van vergelijkbare grootte als de Chickasaw, ongeveer 80-100 geweren die het deden. De Chickasaw daarentegen hadden al zo’n 800 geweren van de Engelsen ontvangen. Aangezien niemand zat te wachten op een wapenwedloop gelijk aan die van de Beaver Wars, riep d'Iberville de hulp in van Henry de Tonti (die zijn Illinois handelspost inmiddels had verlaten) en hij vroeg hem een goede band met de Chickasaw op te bouwen en ze van de Engelsen weg te lokken.
Tonti bezocht de Chickasaw dorpen en hielp hen herinneren aan het vriendelijke onderhoud dat ze hadden gehad met LaSalle in 1682, en haalde de Minko’s over met hem mee te gaan naar d'Iberville om met hem andere stammen te ontmoeten in Mobile in de lente van 1702.
De eerste reactie van de Chickasaw Chiefs was dus positief, maar om Mobile te bereiken moesten de Minko’s eerst over het land van de Choctaw en die stonden niet bepaald op goede voet met hun buren, aangezien de Chickasaw inmiddels 2000 Choctaw hadden gedood en er evenveel tot slavernij hadden gedwongen.
Zij konden ook kiezen voor een grote omweg, door het gebied van de Upper Creek, maar ook die weg was niet helemaal veilig. Omdat er ook Engelse handelaren bij de Creek woonden, gaf Tonti er toch de voorkeur aan de directe route te kiezen. Tijdens de tweede trip die Tonti aflegde om met de Choctaw te onderhandelen over een veilige doorsteek, kwam hij echter een Chickasaw war party tegen die op weg waren om de Choctaw aan te vallen.
Blijkbaar wist de rechterhand van het Chickasaw leiderschap niet wat de linkerhand deed, en uiteindelijk werd Tonti gedwongen de Chickasaw zelf te begeleiden bij hun tocht over het grondgebied van de Choctaw.
Tijdens de conferentie in Mobile deelden de Fransen de gebruikelijke geschenken uit. d'Iberville waarschuwde de Chickasaw ook voor de werkelijke intenties van de Engelsen (hun land innemen) en eiste van de Chickasaw dat ze hun (slaven-)handel beëindigden. Wanneer de Chickasaw zouden weigeren, dreigde hij met het bewapenen van de hen omringende stammen.
Ondertussen smeerde hij de Chickasaw ook honing om de mond door ze betere prijzen en goederen te beloven. Het was moeilijk om het aanbod van de Fransen te weigeren en de Chickasaw accepteerden de bescherming van de Fransen met de belofte dat er geen Missionarissen zouden komen.
De Fransen stuurden een Franse jongen, St. Michel genaamd, om bij de Chickasaw te gaan wonen. In de eerste plaats om hun taal te leren, maar ook om er op toe te zien dat de Chickasaw hun afspraken nakwamen.
Natuurlijk bleven de Engelsen niet stil zitten, ze waren niet bereid om zonder slag of stoot hun handel te laten afpakken. De handelaren van Carolina verlaagden hun prijzen en verdubbelden de bezoeken aan de Chickasaw, althans: dit rapporteerde St Michel. Ook kregen ze de Alibamu (Upper Creek) zover, een aantal onvoorzichtige Fransen uit Mobile te lokken en hen te vermoorden.
Voor het grootste gedeelte probeerden de Chickasaw leiders zich aan hun afspraken met de Fransen te houden, maar de aanhoudende aanbiedingen van de Engelsen, inclusief een vrede met de Iroquois in 1706, begonnen wel twijfel te zaaien.
Uiteindelijk kwam er een tweedeling bij de Chickasaw, aan de ene kant pro-Brits en aan de andere kant pro-Frans. Deze verdeling bleef zelfs tijdens de vijandelijkheden die volgden. Tegen het jaar 1705 hadden de Engelsen een groep pro-Britse Chickasaw zover gekregen hun slaven-rooftochten te hervatten, en de breekbare vrede in het gebied stond op instorten.
De situatie verergerde nog toen boze Choctaw een groep Chickasaw aanvielen die op weg waren naar een ontmoeting met de Fransen.
d'Iberville stierf aan de gele koorts die hij had opgelopen in de West Indies, in Havana. Tonti overleed aan dezelfde ziekte toen deze ziekte uitbrak in Mobile in 1704.
Hun plaats werd ingenomen door de broer van d'Iberville, Jean Baptiste Le Moyne de Bienville. Een bekwaam man, maar iemand die eerder handelde dan praatte met de Chickasaw. Nadat de Choctaw opnieuw meer dan 450 mensen hadden verloren als gevolg van de rooftochten door de Chickasaw, begon de Bienville in het geheim met het bewapenen van de Choctaw. Natuurlijk bleef dat niet lang geheim, nu de Chickasaw ontvangen werden met kogels in plaats van pijlen als ze een Choctaw dorp aanvielen.
Ondertussen waren de Engelsen een beetje onvoorzichtig geworden en bedreven zij hun slavenhandel iets te dicht bij huis. Tegen 1711 waren de Tuscarora zo over de zeik van het verkopen van hun land aan Zwitsers-Duitse kolonisten en door het moeten verkopen van hun vrouwen en kinderen als gevolg van de schulden die ze hadden, dat ze in opstand kwamen. Zij doodden meer dan 200 blanken in Noord Carolina. Virginia vond dat zij huilden als baby’s en weigerde hulp naar noord Carolina te sturen.
Zuid Carolina stuurde wel hulp, in de vorm van twee kleine legers en honderden Yamasee huurlingen om de opstand de kop in te drukken. De kolonisten van Carolina leerde niets van deze opstand. De handelaar uit Charleston, James Moore, verkocht 400 gevangengenomen Tuscarora als slaven, om de kosten van de expeditie te dekken.
Vier jaar later was het de beurt van de Yamasee huurlingen. Ondanks dat ze de Engelsen goed gediend hadden bij het tot slaaf maken van de stammen in Spaans Florida, werden de Yamasee het slachtoffer van hetzelfde misbruik als op de Tuscarora was gepleegd toen de Carolina handelaren hun kinderen te pakken namen als vergoeding voor openstaande schulden.
Hun reactie was de Yamasee war (1715-1717), die zich al snel verspreidde over de Sioux sprekende stammen van de Piedmont, de Creek en zelfs een aantal Cherokee. Het kostte de Engelsen uiteindelijk veel om de stammen tegen elkaar op te zetten en zo hun vijanden te verslaan.
De Cherokee stopten al snel met hun bijdrage aan de strijd en vermoordden een delegatie Lower Creek, die om hulp kwamen vragen in hun strijd tegen de Engelsen. Als gevolg van deze actie bleven hierna de wraakgevoelens tussen de Creek en de Cherokee nog lang bestaan.
Ondertussen verjoegen de Cherokee en de Chickasaw de Shawnee uit het Cumberland Basin van centraal Tennessee, waar zij tot last waren geworden van de Engelsen en henzelf.
De Yamasee overlevenden vluchtten naar Florida waar zij, ondanks dat ze de Engelsen hadden geholpen met het uitroeien van de originele Florida stammen, toch onderdak kregen van de Spanjaarden.
Dit alles leidde ertoe dat de Britten de Spanjaarden en Fransen de schuld gaven van de opstand, in
plaats van te erkennen dat het een opstand tegen de voortdurende slavernij was. De Yamasee oorlog eindigde officieel in 1717 toen de Engelsen en de Creek een vredesverdrag sloten, maar de handel herstelde niet volledig voor 1722.
Toen het eenmaal zover was, was het belangrijkste handelsmiddel hertenleer, omdat alle stammen er genoeg van hadden zich met de slavenhandel te bemoeien, zelfs de Chickasaw. Niet alleen was het aanbod van mensen afgenomen na de uitroeiing van de Florida stammen, ook raakten de slachtoffers steeds beter georganiseerd.
De Chickasaw aanvallen op de Caddo stammen in west Louisiana in 1717, resulteerden niet alleen in het bewapenen van de Caddo door de Fransen, maar ook in de oprichting van de Caddo confederatie te bescherming. Zonder gemakkelijke prooien in de buurt begon de slavenhandel dus af te nemen. De erfenis hiervan was voor de Chickasaw wel erg groot: een verschrikkelijk aantal vijanden, en met de Engelsen als een van de weinige bondgenoten.
De handel werd dus hertenhuiden, die erg kostbaar waren na een epidemie onder het Europese vee. De afslachting van herten in de veertig daaropvolgende jaren is wel te vergelijken met de jacht op de bizon 150 jaar hierna. De stammen waren steeds meer afhankelijk geworden van de Europese ruilgoederen en om ze te kunnen betalen moesten de stammen steeds verder het land in trekken op zoek naar wild. Hierdoor kwamen ze op het grondgebied van andere stammen terecht en een confrontatie was dus zeer aannemelijk.
Tijdens de Yamasee oorlog hadden de Engelsen zich zo min mogelijk in het binnenland begeven, en je zou verwachten dat de Fransen wel gebruik zouden maken van het feit dat de Engelse invloed afgenomen was. Maar nee, zo slim waren die Fransen nu ook weer niet. In 1710 kreeg de Fransman Antoine Crozat het koninklijke recht om Louisiana te koloniseren en in 1712 stuurde hij een vriend van hem, Antoine de la Mothe Cadillac, naar Mobile om het over te nemen van de Bienville, die zijn broer had vervangen.
De Bienville en Cadillac mochten elkaar totaal niet, met als gevolg dat Louisiana in twee kampen werd verdeeld. Cadillac was degene die verantwoordelijk was voor het bouwen van de handelspost bij Detroit in 1701. Vervolgens nodigde hij alle stammen uit de buurt uit om er te komen wonen, zodat het gebied overbevolkt raakte en de Fox wars uitbraken.
Met uitzondering van deze inschattingsfout, had Cadillac echter wel bewezen dat hij in staat was om te gaan met de stammen van de grote meren. Misschien was het de hitte van de golfkust of het feit van de Bienville’s druk, maar hij deed nooit de benodigde aanpassingen in het zuiden.
In plaats hiervan begonnen de Fransen te pesten en geïrriteerd te reageren. Om tegenstand aan de Engelse slavernij te bieden, hadden de Fransen de andere stammen toestemming gegeven om Engelse Bondgenoten (lees Chickasaw) tot slavernij te dwingen. Toen, terwijl hij op weg was naar Illinois in 1715, weigerde Cadillac te stoppen en met de Natchez de calumet ceremonie uit te voeren.
De Natchez waren op dat moment een van de sterkste stammen van de Lower Rivier en een belangrijke bondgenoot. Dit was echter meer dan een sociale blunder en de Natchez zagen het als een extreem zware belediging. Het lastig vallen van Franse handelaren op de rivier ging dan ook al snel over in het beroven en soms vermoorden van hen. Cadillac had de Bienville met de verantwoordelijkheid achter gelaten in Mobile. Altijd een man van actie, riep de Bienville snel een klein leger bijeen, trok naar de Natchez dorpen en stopte bij het Tunica dorp.
Een delegatie Natchez arriveerde met de Camulet (een algemeen teken van vreedzame bedoelingen) om te onderhandelen. De Bienville nam hen echter gevangen en eiste de hoofden van diegenen die verantwoordelijk waren voor de moorden van de laatste tijd. Uiteindelijk kreeg hij wat hij wilde en keerde hij terug naar Mobile. Ondanks hetgeen gebeurd was, gaven de Natchez de Fransen toestemming Fort Rosalie te bouwen op hun grondgebied in 1716, maar de Bienville en de Fransen begonnen hun geluk te tarten.
Met het uitbreken van de Yamasee oorlog hernieuwden de Fransen hun eis van de Chickasaw om hun slavenhandel met de Engelsen te beëindigen, maar ze kregen weer nul op het rekest. Toen besloot de Bienville om aanvallen te organiseren op handelaren die de Chickasaw kwamen bevoorraden. Dit werd gedaan door gebruik te maken van Choctaw huurlingen, die de handelaren in de val lokten op het handelspad dat liep van Charleston, en ten westen naar Augusta en de Coosa rivier, om daarna af te zwenken naar het Noorden om de Fransen te ontwijken.
De Choctaw werden betaald voor hun diensten met handelsgoederen en kregen een bonus voor iedere Chickasaw-scalp die ze bemachtigden. Het was niet moeilijk vrijwilligers voor deze taak te vinden, na al die jaren van onderdrukking en rooftochten van de Chickasaw.
Maar in plaats van geïntimideerd te raken, werden de Chickasaw alleen maar gedrevener in hun wil om met de Engelsen te handelen. De aanvallen die de Bienville organiseerde, hielpen alleen maar mee bij het stilhouden van de Pro-Franse Chickasaw.
De spanningen liepen hoog op toen in 1720 de Chickasaw een Franse handelaar vermoordden, omdat ze hem van spionage verdachten. Zowel de Franse als de Engelse handelaren gaven regelmatig informatie aan hun regeringen door, dus over de schuld hoef je niet twijfelen. Hoewel, de Chickasaw wisten eigenlijk altijd al van dit gebeuren, dus het feit dat er nu iemand om vermoord werd, betekende eigenlijk dat ze genoeg hadden van de stille oorlog die de Fransen tegen hen voerden.
De eerste Chickasaw war bracht alleen maar de gevechten van de laatste 5 jaar naar buiten (1720-1725). De Fransen bewapenden de Choctaw en stuurden hen op de Chickasaw af, maar de versterkte dorpen waren moeilijk te bereiken en het was gevaarlijk om ze aan te vallen.
Ook moedigden ze hun bondgenoten ten noorden van de Ohio rivier aan om de Engelse karavanen op het handelspad aan te vallen. Dit had echter maar weinig effect en het bracht problemen met de Cherokee en Upper Creek, die er een hekel aan hadden als vreemde stammen hun gebied betraden. Ondertussen namen de Chickasaw wraak, door aanvallen uit te voeren op Choctaw dorpen en Nieuwe Franse nederzettingen langs de Yazoo rivier.
Hun meesterzet was echter om de Chickasaw Bluffs te bezetten - die uitzicht gaven over de Mississippi - om zodoende al het Franse verkeer over deze rivier te blokkeren in 1723. Deze actie sneed nieuw Frankrijk effectief in tweeën en maakte een eind aan alle communicatie en handel tussen Canada en Louisiana.
Nadat ze De Fransen en hun bondgenoten gefrustreerd hadden in de oorlog, gingen de Chickasaw voor diplomatie. Op aandringen van de Engelse handelaren, die inmiddels de overhand in de handel hadden gekregen, over goedkopere en betere handelsmiddelen beschikten én op zoek waren naar nieuwe klanten, boden de Chickasaw de Choctaw een aparte vrede aan in 1724.
De Choctaw waren op dat moment de belangrijkste Franse bondgenoot. De Choctaw die moegestreden waren en wel geïnteresseerd waren in handel met de Engelsen, hapten toe. Na veel heen en weer getrek omdat de Fransen tegen een vrede waren, moesten de Fransen buigen, trokken de Choctaw zich terug van het handelspad en heerste er een onzekere vrede in de beneden Mississippi.
Terwijl dit alles gebeurde, accepteerden veertig Chickasaw families een uitnodiging van Zuid-Carolina en settelden zich onder leiding van Squirrel King langs de Savannah rivier. Dit deden zij niet om weg te lopen van een gevecht, maar om hun Engelse goederenkaravaan te beschermen tegen de aanvallen van de Franse bondgenoten van boven de Ohio rivier. Tijdens de oorlog van Jenkins Ear 1739-1748, bleken zij ook goede verkenners te zijn en hier maakten de Engelsen dankbaar gebruik van.
Ook kregen zij een reservaat van 10x10 mijl aan de Georgia kant van de Savannah rivier, waar zij bleven totdat het land van hen werd afgenomen in 1783 door Georgia, omdat zij de Engelsen hadden geholpen bij het verdedigen van Pensecola tegen een Spaanse aanval. Nadat ze eerst wat tijd bij de Upper Creek hadden doorgebracht, keerden de meesten weer terug naar Noord Mississippi.
Tot op dit punt waren de schermutselingen tussen de Chickasaw en de Fransen nog kleinschalig geweest. Toch zouden grote krachten aansturen op een confrontatie in de toekomst als gevolg van de “Mississippi Scheme”, een plan om het gebied van de beneden Mississippi te koloniseren, bedacht door John Law: een Schotse financier en de onwaarschijnlijke directeur van de Bank van Frankrijk.
Law had er geen moeite mee investeerders te vinden die snel rijk wilden worden, onder wie veel belangrijke leden van de Franse gegoede burgerij. Het gehele project stortte ineen, toen bleek dat er massaal overspeculatie had plaats gevonden. Maar voordat dit gebeurde, waren er landeigendommen uitgegeven voor grote stukken land langs de Mississippi-Yazoo rivier inclusief een stuk van 80 kilometer Natchez land.
Meer dan 1.000 Franse kolonisten stroomden het gebied binnen, van wie velen totaal geen ervaring met de Native inwoners hadden. Ook brachten ze zo’n 500 slaven mee, die meekwamen om het land te bewerken en tegelijk malaria en lepra het gebied in brachten, zodat de ellende alleen maar toenam. Omdat er in die tijd nog steeds gevaar voor slavenrooftochten van de Chickasaw was, ontvingen de stammen in het gebied de Fransen in de eerste instantie als extra hulp bij afslaan van de Chickasaw. Velen van hen verplaatsten hun dorpen zelfs dichterbij de nederzettingen van de Fransen.
Het gevolg was overbevolking en veel meer contact tussen de Fransen en Indianen dan normaal het geval zou zijn geweest. Beide volken kregen niet de tijd om zich aan te passen en al snel liep het uit de hand. Het verhaal van de Fransen in Noord Amerika gaat er meestal over hoe goed de Fransen met de Indianen konden opschieten, maar dit was niet altijd het geval. Omdat de Fransen niet met zo velen waren, was de handel welkom en ze waren zelden uit op land. Maar als de Fransen op land uit waren dan konden ze net zo lomp zijn als de Spanjaarden of Engelsen.
Zoals we al zeiden, konden de problemen niet uit blijven. Toen een Franse soldaat in Fort Rosalie een oude Natchez vermoordde over een schuld, kwamen de Natchez in opstand, doodden zij 2 Fransen en dreven de rest het Fort in.
Verstandiger mensen namen het over en bereikten bijna een vrede met de Natchez, totdat de Bienville, die weer tot Gouverneur was benoemd door John Law, arriveerde met een leger, een Natchez dorp platbrandde en de Chief gevangen nam. Dit alles werd uiteindelijk in de doofpot gestopt, maar de relatie tussen de Natchez en de Fransen zou nooit meer hetzelfde worden.
Op dit moment besloten de Chickasaw, die ondanks de oorlogen met iedereen in hun omgeving, nog steeds op goede voet met de Natchez stonden, zich ermee te gaan bemoeien. Zij hadden zoiets van, als de Fransen de Choctaw mogen bewapenen om de Chickasaw aan te vallen, dan mogen wij, de Chickasaw, ook wel de Natchez aanmoedigen de Fransen aan te vallen.
Het constante geroep van de Chickasaw dat de Natchez de bedienden van de Fransen waren, bracht de sfeer zo tot het kookpunt, dat er alleen nog maar een vonk nodig was om de boel te laten ontploffen. Dit gebeurde toen de commandant van Fort Rosalie, Sieur de Chepart, eiste dat de Natchez een dorp zouden verlaten waar zich een heilige terp bevond, om zo plaats te maken voor een plantage. In November 1729 kwamen de Natchez in opstand en vermoordden 250 Fransen in Fort Rosalie en Fort Pierre in het noorden.
Het zat er gewoon aan te komen en de opstand was erg wreed. De vermoorde slachtoffers waren bijna allemaal mannen, de meesten van hen werden mishandeld of gemarteld. Volgens de tradities van de stammen in de omgeving werden de vrouwen en kinderen gespaard, wel werden er 300
vrouwen en kinderen gevangen genomen. De zwarte slaven werden bevrijd en overgehaald deel te nemen aan de opstand. Tegen deze tijd hadden de Franse politici echter al besloten hun toevlucht te zoeken tot genocide.
Het jaar ervoor hadden de Fransen al besloten dat de Fox moesten worden uitgeroeid, die al vele jaren het leven van de Fransen zuur maakten (tweede Fox War 1728-37). Hun reactie op de slachting in Fort Rosalie, was dat de Natchez het zelfde lot als de Fox zouden moeten ondergaan. Om uit te sluiten dat er zwarte slaven aan de opstand mee zouden doen, bewapenden de Fransen een groep slaven en stuurden hen op pad om de Chawasha, een kleine vreedzame stam ten zuiden van New Orleans, zonder ook maar een band met de Natchez, te vermoorden.
Daarna stelden ze een leger samen, inclusief 1.500 Choctaw en Tunica krijgers, bij Point Copee in Louisiana, en trokken stroomopwaarts naar de Natchez. De Natchez waren echter voorbereid en hadden zich teruggetrokken in een fort, met muren zo sterk dat er geen kanon van de Fransen door kwam. Er bestond al vermoeden dat de Engelsen iets met de opstand te maken hadden. De geruchten die uit het fort kwamen over de komst van de Engelsen en de Chickasaw om hen te komen helpen, bevestigden dat vermoeden. Maar de Engelsen en de Chickasaw kwamen nooit. Omdat de Fransen niet in staat waren om het fort in te nemen, begonnen er onderhandelingen over vrijlating van de vrouwen en kinderen.
Tijdens deze onderhandelingen slipte het grootste deel van de Natchez het fort uit en verspreidde zich. Een groep Choctaw en Chakchiuma krijgers onderschepte echter een groep die op weg naar de Chickasaw was, vermoordde 150 mannen en bevrijdde de gekidnapte vrouwen, kinderen en slaven. De Yazoo, bondgenoten van de Natchez bij de opstand, werden ook uitgeroeid. Het grootste deel van de Natchez werd later dat jaar gevonden op een eiland in de Mississippi. Na een geweldig bombardement werd het eiland door de Fransen bestormd, waarbij bijna alle Natchez omkwamen. Een andere grote groep werd door de Fransen en hun bondgenoten, de Caddo, gevonden bij Natchitoches, en hun lot was hetzelfde.
De paar Natchez die gevangen genomen werden, werden verzameld in een kamp bij New Orleans en daarna gedeporteerd naar Haïti en St. Domingue als slaven. De rest van de Natchez die er in slaagden de Fransen te ontlopen, doken onder bij de Creek, Cherokee en een groep settelde zich in Zuid Carolina.
Verreweg de grootste groep dook onder bij de Chickasaw, bestaande uit zo’n 1.000 mensen waaronder 200 krijgers. Voor het grootste gedeelte negeerden de Fransen echter deze overlevenden, maar de Chickasaw gebruikten hun status als vrijplaats om de stammen aan te vallen die de Fransen hadden bijgestaan bij de vernietiging van de Natchez.
Aangemoedigd door de bijna-genocide van de Fox in 1730, gaf de gouverneur Ettienne Perier niet alleen het bevel aan de Chickasaw om de Natchez overlevenden uit leveren, ook herhaalde hij het bevel om te stoppen met de handel met de Engelsen.
Hoewel het even duurde voordat ze antwoord gaven, weigerden de Chickasaw aan beide eisen te voldoen, ondanks dat Perier zijn eis kracht bijzette door de Choctaw te bevelen twee Chickasaw aan een spies te steken en te verbranden. De Choctaw hadden echter een beetje genoeg van hun strijd tegen de Chickasaw en ze wilden zelf graag met de Engelsen handelen. Zodoende bleken zij een onbetrouwbare bondgenoot van de Fransen te zijn en moesten de Fransen zich wenden tot hun bondgenoten boven de Ohio rivier: de Illinois, de Wabash stammen (Wea, Piankashaw en Kickapoo) en de Detroit stammen (Wyandot, Ojibway, Ottawa en Potawatomi).
De Fransen zouden echter snel ontdekken, hoe lastig het kon zijn een oorlog tegen de Chickasaw te voeren. De dorpen van de Chickasaw lagen niet zoals die van de Natchez aan de Mississippi, maar in de ruige heuvels van Noordoost Mississippi. Een goede locatie, waardoor het erg moeilijk was om ze aan te vallen.
Om de zaken nog erger te maken, hadden de Chickasaw zich zwaar bewapend teruggetrokken in grote Forten die moeilijk te veroveren waren, behalve met kanonnen en ander zwaar materieel. Omdat ze niet in staat waren de Choctaw over te halen tot een aanval, stimuleerden ze hun noordelijke bondgenoten tot het doen van een aantal aanvallen in 1731.
Maar de aanvallers leden zware verliezen, en de Chickasaw namen wraak door tegenaanvallen uit te voeren op de stammen in zuid Illinois en Indiana, en veranderden het gebied in een oorlogsgebied. De Illinois en Wabash stammen hadden flink te lijden onder de Chickasaw aanvallen en hun aantal nam gestaag af.
Ondertussen probeerden de Chickasaw ook vrede te sluiten met een aantal groepen Choctaw, wat er uiteindelijk in resulteerde dat ze een vredesverdrag sloten met een aantal noordelijk groepen Choctaw in 1733. Het jaar erna sloten de Chickasaw uitdagend de Mississippi af voor de Franse handel.
De Fransen hadden met lede ogen aangezien, dat hun noordelijke bontgenoten zoveel verliezen leden en dat de Choctaw hen verrieden, maar het afsluiten van de Mississippi was de druppel. Besloten werd, dat de Chickasaw op dezelfde wijze vernietigd zouden worden als de Natchez en Fox. Om dit te bereiken, werden er twee legers samengesteld in 1736 om een gecoördineerde aanval uit te voeren op de Chickasaw. Aan het begin van dat jaar verzamelde zich het Noordelijke leger, onder commando van majoor Pierre d’Artaguette, in Fort de Charters (Kaskaskia, Illinois). Naast 30 regulier soldaten bestond het leger uit 100 Militia en 300 Illinois, Wea en Piankashaw krijgers geleid door Chief Chicago en Francois de la Valterie.
Ondertussen had de oude vijand de Bienville de opdracht gekregen om een leger van 600 Fransen aan te voeren, aangevuld met 1.000 loyale Choctaw. Hun opdracht was om de Tombigbee rivier te volgen en de Chickasaw vanuit het zuiden aan te vallen. Het originele plan was, dat beide legers eind maart zouden vertrekken en dat ze elkaar zouden ontmoeten bij het grootste Chickasaw dorp Ackia (Tupelo, Mississippi).
D'Artaguette verliet Fort Charles op schema, eind februari, maar de Bienville werd opgehouden door erg zware regen en het langzaam arriveren van de Choctaw tot eind april. Helaas blokkeerde de afsluiting van de Mississippi communicatie met het noorden en wist d'Artaguette niets van de vertraging.
Na een korte reis arriveerde het Noordelijk leger bij de Chickasaw Bluffs en bouwde daar een klein bevoorradingsfort in afwachting van bericht van de Bienville. Er kwam echter geen bericht. Na drie weken wachten raakte het voedsel op en stond d'Artaguette voor de moeilijke keus: terugkeren naar Illinois of alleen aanvallen. Nadat hij met zijn bondgenoten had overlegd, werd een fatale beslissing genomen. Met achterlating van 25 soldaten om het Fort te bewaken, verliet d'Artaguette met de rest het fort en trok naar het zuidwesten om de Chickasaw dorpen aan te vallen. Natuurlijk was het de Chickasaw niet ontgaan dat er zich een Frans leger bevond bij de Chickasaw Bluffs en hadden zij zich teruggetrokken in hun forten.
D'Artaguette was echter geen daas en besloot met zijn legertje het kleine Chickasaw dorp Chocolissa aan te vallen op 25 maart. Maar ook dit fort bleek onneembaar en de aanval liep vast. De Fransen bevonden zich midden in een kruisvuur, toen een groep van 450 Chickasaw krijgers arriveerde uit een nabijgelegen fort en de Fransen in de flank aanvielen.
De Wea Illinois en Piankashaw zagen geen toekomst in deze omstandigheden en verlieten de strijd, zodat de Fransen er alleen voor stonden. Veertig Fransen volgden hun voorbeeld en slaagden erin te ontsnappen op aanwijzingen van een 16 jarige jongen, Vision genaamd. 17 Fransen werden gevangen genomen, inclusief d'Artaguette, Vincennes en dominee Antoine Senat, die was achtergebleven om de gewonden te verzorgen.
De Chickasaw behandelden hen in het begin goed, waarschijnlijk hopende dat de Fransen losgeld voor hen zouden betalen in de vorm van paarden. Maar toen de Chickasaw bericht kregen van een tweede leger dat onderweg was onder leiding van de Bienville, keerden zij zich tegen hun gevangenen. D'Artaguette en de anderen werden vermoord door ze levend te verbranden en de Chickasaw bereidden zich voor op de aanval van de andere kant.
De Bienville had Mobile verlaten zonder dat hij wist wat er gebeurd was. Dit nieuws bereikte hem onderweg en hij besloot te rusten op de grens van Choctaw gebied en daar een voorraadfort te bouwen (Fort Tombecbe).
Ook moesten er onenigheden met de Choctaw uit de weg worden geruimd, omdat deze de drie belangrijkste dorpen van de Chickasaw wilden aanvallen, terwijl de Bienville wilde beginnen met het dorp waar zich de Natchez bevonden. Afgesproken werd, eerst Ackia aan te vallen, maar omdat ze hetzelfde gebied van modder moesten doortrekken als d'Artaguette, duurde het tot mei voordat ze arriveerden.
Tegen die tijd hadden de Chickasaw met behulp van de Engelsen ieder huis in Ackia omgebouwd tot een minifort. Ook waren zij in het bezit gekomen van kruit en de gevechtsplannen van d'Artaguette. Het leger van de Bienville was echter veel groter dan de 450 Chickasaw en de 150 Natchez die het dop verdedigden, en ze waren met 3 tot 1. Omdat er ook vrouwen en kinderen aanwezig waren, stuurden de Chickasaw een delegatie naar de Fransen om tot een wapenstilstand te komen, maar zij werden door de Choctaw vermoord.
Hierna was er geen weg terug. Een bombardement brak de stellingen en de Fransen, die zware wollen kleding droegen om musketkogels te weren, stormden de dorpen binnen met gebruikmaking van granaten om de muren te vernietigen. De verdedigers slaagden er echter in om ze in een kruisvuur te vangen door op de onbeschermde lichaamsdelen te mikken . Er kwamen die dag meer Fransen om door de Granaten dan Chickasaw.
De Scherpschutters van de Chickasaw doodden ook veel Franse officieren, wat bijdroeg aan de chaos die ontstond bij het vervolg van de strijd. De Fransen begonnen zich langzaam terug te trekken en sloegen op de vlucht. Naast de honderden die ernstig gewond waren geraakt, lieten ze 70 doden achter.
De verliezen van de Choctaw lagen zo rond de honderd. Maar het aantal doden was vast veel hoger geweest als de Chickasaw hadden besloten de achtervolging in te zetten. Dit was echt het grootste verlies dat de Fransen ooit hadden geleden tegen een Indiaanse stam.
Terwijl de rooftochten onderling tussen de Ohio stammen en de Chickasaw gewoon doorgingen, waren de Fransen op zoek naar een manier om hun militaire eer te herstellen. De zaak had zelfs de aandacht van de Franse koning en hij gaf het bevel aan 700 soldaten van Louisiana om de Chickasaw te vernietigen.
Rond 1739 was de Bienville er klaar voor om het nog eens te proberen ...dit maal met een leger bijna twee maal zo groot als het leger dat verslagen was. Net als voorheen was er een noordelijk leger, bestaan de uit 40 soldaten en 150 Illinois van Fort de Chartres, onder leiding van Alphonse de la Buissonniere die d'Artaguette verving als commandant.
Dit keer liet de Bienville niets aan het toeval over: hij stoomde per boot op vanuit New Orleans en ontmoette het andere leger bij de Chickasaw Bluffs. Hij bouwde Fort Assumption om de opmars te ondersteunen, maar het leek wel of de Chickasaw plotseling een beroep konden doen op water en modder om hen te helpen bij de verdediging. Onmogelijk om verder op te rukken landinwaarts, doolden er diverse ziekten door het Franse kamp die de gelederen aardig uitdunden.
Uiteindelijk lukte het de strijdkrachten maar een aanval te doen. De poging die gedaan werd door 600 Canadezen en Indiaanse bondgenoten strandde, ze wilden eigenlijk een dorp veroveren en gevangenen nemen. De Choctaw waren ondertussen nog minder gecharmeerd geraakt van het conflict en na enkele jaren flirten met de Engelse handelaren, slaagden Red Shoes er in met een belangrijke Choctaw Chief een aparte vrede te sluiten tussen de Oostelijke Choctaw en de Chickasaw.
Het kostte vele dure Franse geschenken om er voor te zorgen dat de Westelijke Choctaw niet over zouden lopen. Maar nu de Choctaw de Fransen zo zagen worstelen in de modder, ontstond opnieuw het gevaar dat de Choctaw zouden overstappen naar de Engelsen.
In Februari arriveerde er een Chickasaw delegatie in Fort Assumption om over vrede te praten. De Bienville was gedwongen een verdrag te ondertekenen met maar één concessie van de Chickasaw: dat de Mississippi rivier weer opengesteld werd. Na deze tweede gestrande poging om de Chickasaw te verslaan, verliet de Bienville Assumption en keerde in schande terug naar New Orleans. Hij werd vervangen door Marquis de Vaudreuil.
De Chickasaw waren er dus in geslaagd de Fransen 3 maal te verslaan, maar dit had wel 3 kwart van hun bevolking gekost. Ze konden het zich niet meer permitteren nog zo'n “overwinning” te behalen. Omdat ze een kans zagen op een blijvende vrede tussen hen en de Fransen, nu de Bienville vervangen was, stuurden ze een delegatie naar Vaudreuil om over een vredesverdrag te onderhandelen in Augustus 1743.
Het antwoord van Vaudreuil was echter niet anders dan voorheen. De Chickasaw moesten hun handel met de Engelsen stoppen en de autoriteit van hun “Franse vader” erkennen, met de aanvulling dat ook de Choctaw moesten instemmen met de vrede... helaas waren de Choctaw op dat moment echter nog steeds verdeeld in een pro-Frans en pro-Engels gedeelte en ze konden het niet eens worden.
Dus kwam er niets terecht van het Chickasaw vredesinitiatief, bleven de Fransen de Choctaw betalen voor Chickasaw scalpen en bleven ze de gevangen genomen Chickasaw als slaven verkopen. Toch kwam er een dip in de gevechten tussen de Choctaw en de Chickasaw, omdat de Choctaw het te druk hadden met interne problemen. De uitbraak van de King George oorlog tussen de Fransen en de Engelsen bracht nog meer rust, omdat de Engelsen met een marineblokkade de Franse aanvoer van handelsgoederen afsloot en er dus weinig handel plaatsvond, en de controle over de Native Americans nam af.
De tochten van de stammen van boven de Ohio namen af en de Chickasaw profiteerden hiervan in 1745, door samen met de Cherokee de laatste Shawnee uit bediscussieerd gebied in het Cumberland Basin te verjagen.
De Choctaw groepen vervielen in een burgeroorlog in 1747, die eindigde in 1750. De rooftochten van de Chickasaw gingen echter door en in 1752 stuurde Vaudreuil een leger bestaande uit 700 soldaten en een groot aantal Indiaanse bondgenoten langs de Tombigbee naar de Chickasaw om hen te verslaan. Dit was echter dezelfde route die de Bienville had gebruikt en ook het resultaat was hetzelfde. Niet in staat om de Chickasaw uit hun forten te verdrijven, waren de Fransen gedwongen om hun poging te staken en zich terug te trekken. Soms waren er nog wel rooftochten van de Franse bondgenoten, maar uiteindelijk verloren ook zij hun interesse in de Chickasaw. Het jaar 1752 markeerde uiteindelijk de laatste poging van de Fransen om de Chickasaw te onderwerpen.
Hoewel het inmiddels vast stond na het vallen van Quebec in Britse handen in 1759, eindigde de Frans- Indiaanse oorlog (1755-1763) pas toen het Verdrag van Fontainebleu in februari 1763 was getekend.
De Fransen waren in Noord Amerika uitgespeeld, maar op het laatste moment lukte het de Fransen nog wel met een geheim verdrag, Louisiana ten westen van de Mississippi over te doen naar de Spanjaarden. Bijna bankroet van de zeven jaar wereldwijde oorlog, hadden de Engelsen meer belang bij vrede dan bij Louisiana. Toch hadden de Engelsen een groot deel van Frans territorium ten oosten van de Mississippi verkregen en met het land een groep ontevreden voormalige Franse bondgenoten. Als economische maatregel schaften de Engelsen de gewoonte van het geven van geschenken aan Chiefs af, en werd de hoeveelheid ruilgoederen verminderd.
De reactie hierop was de Pontiac opstand, tijdens welke er negen van de twaalf Forten van de Engelsen in de Ohio-vallei en bij de grote meren veroverd werden gedurende 1763. De Britten slaagden er niet in de vrede in het gebied te herstellen tot 1765.
Ten zuiden van de Ohio was er weinig verzet tegen de overname van de Britten, dankzij een overweldigende aanwezigheid van de Chickasaw. De Engelsen hadden kort geleden de Cherokee nog verslagen tijdens de Cherokee war (1760-1762) en ze onderhielden goede contacten met de Creek.
De enige vijandelijkheden traden op, toen de Choctaw samen met de Tunica een oproep van Pontiac beantwoordden door de Engelsen aan te vallen, terwijl ze de Mississippi opvoeren om controle terug te krijgen in Illinois. Later zorgden de Chickasaw tijdens een tweede expeditie voor een escorte zodat zij hun doel wel bereikten.
Op aandringen van de Britten schudden de Chickasaw handen met de Illinois en sloten zij vrede met hen. Verrassend genoeg hield deze vrede stand. Waarschijnlijk had dit ook te maken met het feit dat de Illinois 4 jaar later bijna uitgeroeid waren door hun andere vijanden.
Ook slaagden de Britten er in zonder slag of stoot hun legers onder te brengen in de Forten Charlotte (Mobile), Fort Bute (Manchac) en Fort Panmure (Natchez).
Tijdens bijeenkomsten gehouden in Augusta (1763) en Mobile (1765), legde Gouverneur George Johnson uit dat de nieuwe administratie plaats zou vinden vanuit Pensecola (de Engelsen hadden ook Florida op de Spanjaarden veroverd). Terwijl hij het de Choctaw kwalijk nam dat ze voor de Fransen waren geweest, wees hij naar de Chickasaw als voorbeeld van hoe het zou moeten. Daarop stelden de Engelsen een vrede tussen de Choctaw en de Chickasaw voor, die ook werd gesloten.
Maar de Choctaw waren er niet blij mee en ze bleven dan ook contacten onderhouden met voormalige Franse officials, van wie er velen naar het westen verhuisd waren om voor de Spanjaarden te gaan werken.
Tegelijkertijd besloten vele stammen die loyaal aan de Fransen waren geweest (Alibamu, Coushatta, Mobile, Biloxi, Pascagoula en Tunica) dat ze beter konden vertrekken dan onder het Engelse juk te moeten leven. Bijna allemaal trokken zij de Mississippi over naar Spaans Louisiana. Zo werd Louisiana een smeltkroes van kleine stammen die totaal geen familie van elkaar waren en die een leeg gebied ten oosten van de rivier achterlieten.
Behalve door militaire actie, reageerden de Engelsen ook op de Pontiac opstand door weer geschenken uit te delen en de handel te herstellen. Ook hielden ze rekening met de westerse stammen die hun bezorgdheid uitspraken dat, nu de Fransen weg waren, de Amerikanen de bergen wel eens over konden steken om hun land te nemen.
Om ze gerust te stellen, stelde de Britten een proclamatie op waarin geregeld werd dat verdere landuitbreiding ten westen van de Appalachen niet was toegestaan (1763). De Britse politici gaven daarna de opdracht om het land dat ze van de Fransen hadden veroverd, verdeeld moest worden in twee grote reservaten, gescheiden door de Ohio rivier. Deze opdracht kwam wat betreft de stammen niet vroeg genoeg. In het noorden waren al groepen Frontiersmen begonnen zich te settelen rond Pittsburg, terwijl anderen zich al ten zuiden van de Ohio settelden aan de Mississippi bij Natchez. Peter Chester, de Gouverneur van Pensacola, probeerden de proclamatie na te leven door zware straffen te zetten op het illegaal rondtrekken op Indiaans grondgebied. Hoewel, de Britse officials waren bezig met het spugen tegen de wind in.
De Amerikaanse Frontiersmen negeerden de Britten gewoon en trokken naar het westen. De Britse poging om hen te stoppen was de belangrijkste aanleiding voor de Amerikaanse revolutie (1775-1783). Zelfs al vóór 1763 had de kolonisatie zich vanuit de kust uitgebreid en zette de Creek in Georgia en de Cherokee in de Virginia’s onder druk om land op te geven en naar het westen te verhuizen.
De leegten, die achtergelaten werden door de voormalige bondgenoten van Frankrijk toen ze naar het westen trokken, werden snel opgevuld. Maar het was niet genoeg. Van de beide stammen was het het gemakkelijkst voor de Creek om het verlies van hun land op te vangen, omdat velen van hen zo naar het schiereiland Florida konden verhuizen - dat bijna leeg was na de slavenrooftochten van de Engelsen en Creek.
De Cherokee hadden deze optie echter niet: aan de bovenkant ingesloten door de Shawnee, stonden de Cherokee voor een vervolgoorlog met de Creek, over voormalige (gedeelde) jachtgronden.
Nadat ze de Creek verslagen hadden bij de veldslag van Taliwa in 1755, besloten de Cherokee dat het volgende slachtoffer de Chickasaw zouden zijn.
Ondanks dat ze met veel meer waren dan de Chickasaw (5 tegen 1), kwamen de Cherokee er al snel achter dat ze ”meer hadden gehapt, dan ze konden kauwen”. Na elf jaar van schermutselingen zorgden de Engelsen ervoor dat er vrede kwam. De Cherokee lieten echter nooit hun claim op het gebied varen, maar ze kozen er ook voor niet meer met de Chickasaw op de vuist te gaan. Ondertussen, geconfronteerd met een dreigende opstand van de Amerikaanse kolonisten, waren de Engelsen genoodzaakt nieuwe gebieden te openen voor kolonisatie. Om dit te bereiken hadden de Engelsen een ontmoeting geregeld met de Iroquois in Fort Stanwix, New York in 1768.
Ze tekenden een verdrag met de Iroquois, waarin zij afstand deden van de vage claim die ze hadden op de Ohio-vallei, in ruil voor garantie met betrekking tot hun eigen land. Niemand nam de moeite om iets aan de stammen te vragen die in het gebied leefden, hoewel de Engelsen wel de moeite namen om met de Cherokee een paar verdragen te sluiten, waarin zij afstand deden van claims op stukken land ten zuiden van Ohio.
Terwijl de Frontiersmen de bergen overtrokken om het land te gaan koloniseren, waren er confrontaties met de Shawnee, die al snel uitliepen op de Lord Dunmores war (1774). Een koloniaal leger versloeg de Shawnee dat jaar en dwong hen genoegen te nemen met het deel ten noorden van de Ohio.
Maar hiermee was de zaak nog niet afgedaan. Met het uitbreken van de revolutie in het jaar erna, verwisselden de Britten hun houding van een neutrale partij tot die van een wapenleverancier voor de Great Lake stammen en de Ohio stammen, zodat zij de nederzettingen langs de Ohio in Kentucky en west Pennsylvania konden aanvallen.
Ten zuiden van de Ohio waren Britse agenten druk bezig met het aanmoedigen van de Chickamauga, Creek en Cherokee in hun rooftochten tegen de nederzettingen en de Forten van de Frontiersmen.
Veel handelaren uit Charleston waren Schotten en van af het begin af aan trouwden zij veel met Chickasaw vrouwen, zo ook de bekende James Adair. Omdat de Chickasaw matrilineair waren, werden de kinderen met gemixt bloed volledig geaccepteerd door de clan van de moederskant.
Na 1763 was het aantal Britten die bij de Chickasaw leefden verdrievoudigd, en tegen de tijd dat de revolutie begon waren vele Mixed Bloods, zoals de 6 zonen en 3 dochters van James Logan Colbert, op een leeftijd dat ze in aanmerking kwamen voor het bekleden van een leidersrol. De invloed van hun blanke vaders versnelde het proces alleen maar.
Hoewel de handelaren van Charleston veel gemeen hadden met de Amerikaanse Frontiersmen die het gebied introkken, zagen zij de nieuwe nederzettingen niet alleen als een bedreiging voor de Chickasaw, maar ook als bedreiging voor hun handel en hun manier van leven.
Als gevolg hiervan waren de handelaren over het algemeen Tories en werden de Chickasaw bondgenoten van de Engelsen. Er vanuit gaande dat de Chickasaw hun kant kozen in deze strijd stuurden de Engelsen een vrachtlading kruit en lood naar de Chickasaw Bluffs in december 1775. Vanwege hun oorlog met de Cherokee vlak daarvoor, hadden de Chickasaw echter niet zo'n zin om met de Chickamauga op te trekken bij hun rooftochten. Ze zagen ze het ook niet echt zitten om de Ohio tribes en Great Lake tribes (vijanden van de laatste 50 jaar) te helpen bij hun strijd tegen de Kentucky Frontiersmen langs de Ohio rivier.
Desondanks  waren de Engelsen toch tevreden. Omdat de Kolonisten van Natchez en Wallnut Hill (Vicksburg) hadden laten merken dat ze meer neutraal dan Torie waren, maakten de Engelsen zich zorgen dat de Amerikanen misschien zouden proberen de Beneden Mississippi vallei te veroveren. Maar met de zwaar bewapende Chickasaw die de Chickasaw Bluffs beheersten, leek deze kans erg klein.
De Kentucky Frontiersmen werden zich in 1777 bewust van deze zwakke plek in het westen en gaven het door aan de gouverneur van Virginia, Patrick Henry, die snel toestemming gaf voor twee expedities tegen de Britten langs de Mississippi.
De beste van deze expedities was wel die onder leiding van George Rogers Clark, die erin slaagde het gebied Illinois tijdens de zomer van 1778 te veroveren. Zes maanden later slaagde hij erin de Engelsen te verslaan die het gebied probeerden terug te veroveren. Deze overwinning van Clark was er verantwoordelijk voor dat de Mississippi de westerse grens van de VS werd in 1783, maar ook de minder bekende expeditie van Willing heeft hier toe bijgedragen.
In februari 1778 slaagden Willing en zo’n 100 krijgers er in om de Chickasaw blokkade te omzeilen, en op pad te gaan voor een rooftocht naar de Tories en hun plantages bij Natchez en Wallnut Hill. Maar omdat de Chickasaw nog wel de controle hadden over het stuk Mississippi tussen Memphis en Ohio konden ze niet meer terug naar Kentucky. Daarom besloten ze naar het door Spanje gecontroleerde New Orleans te gaan.
Spanje bemoeide zich vanaf 1779 officieel met de Oorlog tegen Engeland en behartigde de Amerikaanse belangen in het zuiden en westen. De Gouverneur van Louisiana, Bernaldo de Galvez veroverde meteen Natchez en Balton Rouge, en het jaar erna nam hij Mobile in. Een Britse tegenaanval mislukte en in de lente van 1781 verzamelden de Spanjaarden een vloot van 100 schepen en 30.000 manschappen om Pensacola in te nemen.
Zowel de Savannah rivier als de Mississippi Chickasaw hielpen de Engelsen bij de verdediging van hun laatste bolwerk aan de Golf, maar geconfronteerd met een enorme overmacht, gaf Generaal Campbell zich over in Mei 1781. Alleen de gebieden Detroit en het thuisland van de Chickasaw bleven overeind als Engels grondgebied in het westen.
Zoals ze al eerder bij de Fransen hadden gedaan, sloten de Chickasaw de Mississippi af voor de Spanjaarden zodat St. Louis afgesloten werd van New Orleans.
Hun meest opmerkelijke actie tijdens de oorlog was toen ze een Spaans konvooi overmeesterden op de rivier. Ook de vrouw van de Gouverneur van Missouri maakte deel uit van dit konvooi. De Spanjaarden hadden echter niet genoeg mankracht om te reageren, maar ze slaagden er wel in de Kickapoo bij St. Louis over te halen om tochten tegen de Chickasaw te ondernemen. Hun aanvallen op de Chickasaw openden oude wonden. En het werd voor de Chickasaw moeilijk de Spanjaarden ooit nog te vertrouwen.
Verbazend genoeg hadden de Chickasaw maar één directe confrontatie met de Amerikanen tijdens de oorlog. Deze vond plaats in 1780, toen George Rogers Clark een fort bouwde, genoemd naar de gouverneur van Virginia: Thomas Jefferson. Het fort werd gebouwd in West Kentucky, om de Nederzettingen in Kentucky te beschermen en de bezetting van de Mississippi door de Chickasaw te doorbreken. De Chickasaw vielen het fort aan en na een vierdaagse strijd trokken zij zich terug.
De Amerikanen konden de situatie rond het fort echter niet de baas en waren gedwongen in juni 1781 het fort te verlaten.
Toen na de Amerikaanse overwinning bij Yorktown bleek dat de oorlog ten einde liep, lieten de Britten de Chickasaw in 1782 weten, dat de Chickasaw beter hun regelingen met de Amerikanen konden gaan treffen. Daarop lieten de Chickasaw aan Virginia weten dat ze interesse in vrede hadden en gaf Thomas Jefferson te kennen dat hij hier ook wel oren naar had.
In 1783 hadden de Chickasaw een ontmoeting met de vertegenwoordigers van Jefferson in French Lick bij Nashville, en sloten vrede met Virginia. De Chickasaw stemden er in toe de blanke Tories te verdrijven en hun blanke gevangenen te bevrijden. Virginia beloofde landzoekers te verwijderen van de gronden van de Chickasaw.
De grenzen die tijdens het verdrag van Parijs in 1783 werden vastgesteld, betekenden de jaren erna echter maar weinig. De Britten bleven hun forten bezetten op Amerikaans grondgebied bij de grote meren. Om hun handel weer uit het slop te trekken, bewapenden ze de Ohio stammen om de Amerikanen weg te houden uit Ohio.
Ondertussen hadden de Engelsen ook in 1783 een verdrag met de Spanjaarden gesloten, waarin zij Florida teruggaven aan de Spanjaarden, inclusief de hele golfkust tussen Pensecola en New Orleans. Een specifieke noordgrens was bewust uit het verdrag gehouden en Spanje koos ervoor om de grens van West Florida te leggen tussen de Chattahooche, Mississippi en Tennessee rivieren (Mississippi, Alabama, West Kentucky en Tennessee).
Dit gaf natuurlijk onmiddellijk problemen tussen de Amerikanen en de Spanjaarden. Georgia beschouwde zijn grens met Florida als veel verder naar het zuiden liggend. Ondertussen ontstonden er veel meer conflicten over de plaats waar bepaalde grenzen liepen, nadat de Amerikanen de gebieden van de Britten hadden overgenomen. Omdat het onmogelijk was om het probleem op te lossen, deden de VS uiteindelijk maar afstand van de Westelijke gebieden.
Georgia was echter niet van plan afstand te doen van de gebieden, en door het ontbreken van een federale overheid, besloten zij de zaken maar eigenhandig op te lossen: ze stuurden officials naar Natchez om het bestuur in het westen over te nemen.
De Spanjaarden gooiden hen meteen het gebied uit en Georgia reageerde met woorden, alsof ze eigenhandig Spanje zouden aanpakken. Er braken gelukkig geen gevechten uit.
Maar er was wel weer een gerucht dat de Frontiersmen van Carolina een leger bijeen brachten om Virginia binnen te vallen. Zoals de Britten al hoopten, veranderden de Spanjaarden van Bondgenoten van Amerika in rivalen.
Aangezien de Spanjaarden ook niet de mensen hadden om zowel Florida als Louisiana te verdedigen, moesten ze terug vallen op een oude Franse tactiek: het beheersen van de handel en het leveren van wapens aan stammen in de grensgebieden. Om hun invloed op de Creek in Alabama en Georgia te vergroten, gaven de Spanjaarden ook nieuwe vergunningen voor handel aan Engelse firma’s: Panton& Leslie, die opereerden vanuit Pensecola en Mather & Strother in New Orleans.
De handelaren die bij Panton & Leslie werkten, waren voornamelijk Tories, wiens eigendommen in beslag genomen waren door rebelse overheden tijdens de Revolutie.
Ze hadden weinig sympathie voor de VS en omdat velen van hen getrouwd waren met Indiaanse vrouwen, konden ze hun familie gebruiken voor goede connecties met de Creek. Uiteindelijk ging dit voordeel verder dan alleen de handel, en werd Alexander McGillvray (een Torie, Mixed Blood handelaar) de woordvoerder van de raad van de Creek.
Omdat er nogal wat onrust bestond onder de stammen over hoeveel land de Amerikanen zouden innemen, wierp de Spaanse tactiek vruchten af. In juni van het jaar 1784 ging McGillvray naar Mobile en tekende daar een overeenkomst waardoor de Creek onder de bescherming van Spanje vielen. Voor al zijn moeite kreeg McGillvray een pensioen van de Spanjaarden.
De Chickamauga Cherokee van Dragging Canoe, die al jaren tegen de Amerikanen in Tennessee vochten, tekenden een maand later een verdrag en ontvingen meteen regelmatig ladingen geweren en ammunitie uit Pensacola en Mobile. De handelsorganisatie van Mather en Strother lokte op slinkse wijze ook de Chickasaw naar Mobile in juli. Daar tekende Ugulaycabe namens de Chickasaw een vergelijkbaar verdrag.
Ondertussen leek het erop dat Georgia kosten noch moeite spaarde om de huidige situatie te verslechteren: een illegaal verdrag, opgelegd aan de Creek in Augusta in 1783; binnendringing van zijn inwoners in Creek gebieden en het illegaal confisceren van de Oostelijke Chickasaw gebieden omdat zij de Engelsen hadden geholpen tijdens de oorlog, dwongen McGillvray en de Creek in de handen van de Spanjaarden.
Misschien kwam het doordat George Washington en andere belangrijke mensen uit Virginia, veel geld hadden geïnvesteerd in gebieden in Ohio, dat het Amerikaanse Congres zich concentreerde op het bevechten van de door de Engelsen gesteunde Ohio stammen. Zij zaten dan ook niet te wachten op een oorlog die Georgia zou starten in het zuidoosten.
Om dit te voorkomen, benoemde het congres een commissie, die een ontmoeting moest regelen met de Creek, Cherokee, Choctaw, en Chickasaw in Hopewell aan de Zuid Carolina’s Keowee rivier. Daar moesten de grenzen worden vastgelegd en ook de zuidgrens van zuidelijk gebied.
Toen eenmaal was vastgesteld wanneer deze ontmoeting plaats zou hebben (oktober 1785), organiseerde McGillvray een ontmoeting tussen alle zuidelijke stammen in Little Tallasee (Alabama) in juli, om zo een front te vormen tegen de Amerikanen.
De Chickasaw, Cherokee en Choctaw stonden echter sceptisch tegenover het voorstel en het enige dat McGillvray van hen kreeg, was een afwijzing van alle Amerikaanse claims op gebieden van de stammen. De Chickasaw en de anderen besloten allemaal naar de bijeenkomst in Hopewell te gaan, zonder met elkaar tot een verdrag te zijn gekomen.
Voordat dat de Spanjaarden de controle over Virginia hadden overgenomen, was er weinig contact geweest tussen hen en de Chickasaw sinds DeSoto. Maar de Conquistadores waren veranderd in de laatste 200 jaar. Er werden maar weinig soldaten naar Virginia gestuurd en Spanje besloot zijn gebieden met zachte hand te regeren.
Tot de verklaring van oorlog tegen de Britten, in 1779, hadden de Spanjaarden ook weinig gedaan dat de Chickasaw zou kunnen irriteren aan de overkant van de Mississippi. Chickasaw jagers trokken vrij door Arkansas en vaak handelden zij bij Spaanse posten. Maar omdat de Chickasaw zoveel Fransen zagen in het Spaanse bestuur, vertrouwden zij de Spanjaarden nooit helemaal. De strijd tussen de Spanjaarden en de Britten tijdens de Amerikaanse revolutie had alleen maar aan dit wantrouwen bijgedragen.
Desondanks waren de Spanjaarden er, door gebruik te maken van Engelse handelaren, toch in geslaagd een verdrag met de Chickasaw te sluiten. Helaas echter vertegenwoordigde de handtekening van Ugulaycabe alleen maar een deel van de Chickasaw, de oude Franse fractie. De Mixed Bloods, die solide achter de Engelsen hadden gestaan tijdens de oorlog, hadden echter de kant van de Amerikanen gekozen, onder leiding van Piomingo (Mountain leader). Dit was een vol-bloed, maar van Chakchiuma afkomst.
De neutralen hadden zich geschaard achter een andere volbloed, de high Minko Mingatuska (hair Lip King). Tijdens de lente van 1784 sloeg een mazelen-epidemie toe in de Chickasaw dorpen. Met een verschrikkelijk effect. Bijna de helft van de inwoners van Long Town stierf... inclusief belangrijke Chickasaw leiders. Dit leidde er toe, dat Mingatuska op de Hopewell conferentie aanwezig was als de invloedrijkste leider van de Chickasaw.
Op 10 januari 1786 tekende hij namens de Chickasaw het eerste verdrag met de VS. In essentie waren de vastgestelde grenzen dezelfde als die waren afgesproken met Virginia; met als uitzondering een klein gebied langs de Tennessee rivier, waar afstand van werd gedaan om er een VS handelspost te bouwen.
De keuze tussen de Amerikanen en de Spanjaarden verdeelde de Chickasaw wederom. In 1784 had Ugulaycabe de Chickasaw nog onder bescherming van de Spanjaarden geplaatst, maar nog geen twee jaar later maakten Piomingo en Mingatuska dezelfde afspraak met de Amerikanen.
De Spaanse-fractie van Ugulaycabe was echter in staat veel meer invloed uit te oefenen in het gebied, omdat de Spanjaarden de Mississippi hadden afgesloten voor alle Amerikaanse handel. Daardoor hadden ze een monopoliepositie opgebouwd in het gebied.
Dit alles leidde bijna tot een burgeroorlog onder de Chickasaw, maar dit gebeurde niet. Door de jaren heen hadden de Chickasaw wel bewezen dat ze prima in staat waren hun interne problemen aan de kant te zetten wanneer ze werden geconfronteerd met een gemeenschappelijke vijand. In dit geval zouden het de Creek zijn die deze vijand waren.
Geconfronteerd met een mogelijke oorlog tegen Georgia, in verband met het continue betrekken van Creek grondgebied, was Alexander McGillvray op zoek naar de steun van de Chickasaw. Die hadden immers bewezen een sterke bondgenoot te zijn. Maar toen McGillvray hoorde dat Piomingo het Hopewell verdrag had getekend, werd hij woedend en maakte hij de fout te proberen de Chickasaw naar zijn pijpen te laten dansen.
Kort nadat Piomingo het verdrag had ondertekend, bracht William Davenport de eerste Amerikaanse handelsparty naar de Chickasaw. McGillvray eiste echter van de Chickasaw dat ze niet met hen zouden handelen, maar de Chickasaw weigerden dit. Uit woede stelde McGillvray een aanvalsparty samen, wachtte tot de party van Davenport buiten de bescherming van de Chickasaw dorpen was en viel hen aan.
De Chickasaw konden het echter niet echt waarderen dat de Creek zich met hun zaken bemoeiden, en zeker niet wanneer Chickasaw-gasten werden aangevallen op hun eigen grondgebied. Deze actie van de Creek duwde de neutrale fractie meteen dichter bij Piomingo en de Mixed Bloods. McGillvray had hier evenwel geen erg in.
Het conflict verergerde de jaren erna, doordat de Creek willekeurig Chickasaw jagers en handelaars begonnen aan te vallen. De Creek hadden echter beter moeten weten, nadat zij hadden gezien wat er met de Fransen en DeSoto was gebeurd toen zij druk op de Chickasaw probeerden uit te oefenen. Toch waren de Creek met zeker 6 keer zoveel als de Chickasaw, én McGillvray had inmiddels een verdrag gesloten met de Amerikanen.
Deze McGillvray was wel zo slim geweest om zich om te laten kopen door zowel de Spanjaarden als de Amerikanen. Maar hij had nooit zijn grote doelen uit het oog verloren: het beschermen van het thuisland van de Creek en het uitroeien van de Amerikaanse fractie van de Chickasaw.
De leider van de Creek was echter niet de enige die slim was. Geconfronteerd met een mogelijk fullscale oorlog met de Creek, was Piomingo op pad gegaan om de grensnederzettingen langs de Cumberland te bezoeken en om een beroep te doen op de president van de VS voor wapens en munitie.
Hij kreeg echter geen gehoor omdat de Amerikanen het veel te druk hadden met hun oorlog in Ohio. Toen Piomingo hoorde van het verdrag dat de Creek hadden gesloten met de Amerikanen, stuurde hij onmiddellijk 50 Chickasaw als vrijwillige scouts voor een leger van Arthur St. Clair, de gouverneur van het noordwest gebied. Dit leger zou de dorpen van de alliantie in Noordwest Ohio gaan aanvallen.
Toen het leger van St. Clair aan zijn optocht naar het Noorden begon, bleven de Chickasaw wijselijk uit de buurt van de ongedisciplineerde soldaten van St. Clair, omdat zij iedere Indiaan die zij tegenkwamen scalpeerden. De Chickasaw waren op verkenning toen het leger van St. Clair werd
verslagen. Zij konden niets doen hen te helpen, maar de bescherming die zij tijdens de terugtocht aan de Amerikanen boden was een belangrijke bijdrage.
De Amerikanen waren de Chickasaw erg dankbaar en naast alle geschenken kregen de Chickasaw ook bezoek van Amerikaanse handelaren. Maar dit was niet het enige bezoek dat ze kregen. In dit geval waren het echter wraaklustige Kickapoo die een jachtparty van de Chickasaw aanvielen.
Maar de Chickasaw hadden gedurende de jaren hun touch nog niet verloren: eerst sloegen ze de aanval af en daarna achtervolgden ze de Kickapoo tot de Ohio rivier.
Na de afgang van St. Clair, had Washington “Mad Anthony” Wayne naar westen gestuurd om het commando over te nemen in Ohio. In plaats van meteen aan te vallen, koos Wayne er echter voor om zijn leger eerst goed voor te bereiden op de strijd. Hij trainde en bereidde zijn leger twee jaar voor, op een tocht die de Ohio alliantie moest vernietigen.
De dip die ontstond in de Ohio oorlog, zorgde er ook voor dat de overheid van Washington zich meer kon gaan richten op de problemen die er in het zuiden waren met de stammen en de Spanjaarden. In 1790 had Washington William Blount benoemd als gouverneur van het zuiden en als opzichter op de Indiaanse zaken in het zuiden. In 1792 riep Blount een aantal zuidelijke stammen bijeen voor een raad in Nashville.
Ook de Chickasaw gaven acte de présence, en met hen de Creek, Cherokee en Choctaw. Hij verzekerde hen dat, ondanks wat de Spanjaarden beweerden, de Amerikanen alleen vriendschap en handel wilden en dat ze de gebieden van de Indianen zouden respecteren. “Wij willen geen land van de Rode mensen. Wij, de VS, hebben al land genoeg” zei hij. Blount bedankte daarna Piomingo en zijn Chickasaw voor hun bijdrage in Ohio en beloonde hen met geweren.
Nadat hij zijn bezorgdheid had uitgesproken, presenteerde Blount een vriendschapsverdrag, dat alle vertegenwoordigers tekenden. Het verdrag werd echter nooit bekrachtigd, maar McGillvray reageerde op het verdrag door nieuwe aanvallen op de Chickasaw te bevelen en op de Amerikaanse nederzettingen.
De plotselinge dood van McGillvray beroofde de Spanjaarden van hun meest trouwe bondgenoot in de regio, maar toen was de Creek- Chickasaw oorlog al een eigen leven gaan leiden. In februari 1793 viel een groep Creek 4 Chickasaw jagers aan, vlak bij Long Town. Bang om weer in een hinderlaag van de Creek te lopen, verbood Piomingo zijn krijgers om in de achtervolging te gaan, maar hij verklaarde wel de oorlog aan de Creek.
De Amerikanen deden alle moeite de Chickasaw te helpen. In de lente van dat jaar leverde een groep soldaten, onder leiding van William Clark, 500 geweren, 1.000 kilo buskruit, 2.000 kilo lood en 4.000 lonten aan de Chickasaw bij Chickasaw Bluffs. Naast gereedschappen en materialen om de geweren te repareren, gaven de Amerikanen ook 100 tonnen whisky aan de Chickasaw, om het juiste oorlogsgevoel op te roepen.
Piomingo gebruikte de wapens goed, door een hele serie aanvallen op Creek dorpen uit voeren. Toen de oorlog tussen de Creek en de Chickasaw deze serieuze wending aannam, zagen de Spanjaarden hun buffer tegen de Amerikaanse uitbreidingsdrang uiteenvallen, en probeerden ze de situatie te redden door een vredesconferentie bijeen te roepen in Fort Nogalez.
Het resultaat van de conferentie was, dat de Choctaw, Creek, Cherokee en Chickasaw in een losse confederatie veranderden, maar deze was heel los. Om ook Piomingo tot vrede te bewegen, stuurden de Spanjaarden hem mooie geschenken, maar Piomingo was verzekerd van een constante aanvoer van Amerikaanse spullen. Dus ging hij door met de strijd en vroeg hij de Choctaw zelfs om steun tegen de Creek.
Trouw aan hun juist gesloten verdrag met de Spanjaarden, weigerden de Choctaw, maar ze wilden wel bemiddelen bij een vredesbespreking. Omdat zij zagen dat de strijd alleen maar in het voordeel van de Amerikanen werkte, wilden de Creek ook wel vrede. Maar de bemiddeling mislukte en de strijd ging door.
De overwinning van Wayne op de Ohio stammen in 1794, versterkte de positie van de Amerikanen in Ohio flink. De Britten stopten met hun steun aan de Ohio stammen en in augustus ontmoetten de Chiefs van de Ohio stammen en Wayne elkaar in Fort Greenville en tekenden zij een verdrag waarin ze afstand deden van heel Ohio, met uitzondering van de noordwest-hoek.
Niet kort daarna keerde de Chickamauga krijgers terug naar Tennessee, maar de meeste Cherokee wilden vrede met de Amerikanen. Na een aantal schermutselingen met de Frontiersmen lang de Tennessee rivier, verlieten de Chickamauga het gebied en staken de Mississippi over naar Spaans Arkansas.
Omdat ook hun greep op de Choctaw verzwakte, besloten de Spanjaarden een fort te bouwen in mei 1795. Het herbergde een garnizoen van 150 soldaten bij het huidige Memphis, in een laatste poging het gebied te behouden en de Choctaw als bondgenoot te houden. Helaas had het een tegenovergesteld effect op de Choctaw. Ugulaycabe en zijn mensen verhuisden naar de omgeving van het Spaanse fort, zodat ze nog meer geïsoleerd raakten van de rest van de Chickasaw die in oorlog waren.
Het hoogtepunt van de strijd tussen de Creek en de Chickasaw vond plaats in september 1795, toen 1.200 Creek-krijgers het thuisland van de Chickasaw binnen trokken en naar Piomingo’s Town (Long Town) opstoomden. De nadering van een dergelijk groot aantal krijgers werd gezien door de Chickasaw. Daardoor hadden ze tijd om zich voor te bereiden. Maar Piomingo had maar 200 krijgers tot zijn beschikking. Er kwam echter versterking in de vorm van 45 Frontiersmen, onder het commando van Captain David Smith. Toch bleven de verdedigers met 5 tegen 1 in de minderheid. De Creek arriveerden bij het stevig versterkte stadje en omsingelden het, en zo zagen de Chickasaw het het liefst. Terwijl er in de stad een kleine groep achter bleef, glipte de hoofdmacht de stad uit. Terwijl de Creek zich voorbereidden op de aanval en op de verwachte overwinning, vielen de Chickasaw hen van achteren aan. En wel met zo’n agressie, dat de aanvallers angstig de benen namen. Naast de 100 gewonden lieten de Creek zo’n 40 doden achter op het slagveld. De Chickasaw verloren slechts 5 krijgers.
In december vroegen de Creek de Chickasaw om vrede, en dit vonden de Chickasaw oké. Er waren tot 1798 nog wel wat schermutselingen, maar de oorlog was voorbij.
Ondertussen hadden de Spanjaarden besloten het voorbeeld van de Britten te volgen en hun problemen met de VS op te lossen. Spanje beëindigde in 1795 zijn steun aan de Creek en Chickamauga. Het jaar erna tekenden zij het verdrag van San Lorenzo, waarin de grens met Florida werd vastgelegd in het voordeel van de Amerikanen. Dit viel echter niet goed bij de Spanjaarden in Louisiana, die Fort Esparanza bleven bezetten, tot in 1798 het Amerikaanse leger arriveerde. De Spanjaarden staken het Fort in brand en vluchtten over de rivier waar zij een nieuw Fort Esparanza bouwden. Van daaruit konden ze een oogje op de Amerikanen houden.
Piomingo stierf in 1796 en in dat zelfde jaar werd Tennessee een staat. Binnen een paar jaar verkochten de Spanjaarden Louisiana terug aan de Fransen. Maar ook die bleven maar kort en in 1803 verkocht Napoleon Louisiana aan de VS.
Toen vanaf 1720 de slavenhandel sterk afnam, richtten de Chickasaw en andere stammen zich op de verkoop van hertenhuiden aan de Engelsen. Als gevolg hiervan nam het aantal herten in de thuislanden van deze stammen snel af,  wat hen noodzaakte op zoek te gaan naar nieuwe jachtgronden. Eerst werd er gejaagd op het Cumberland Plateau, daarna in Zuid- Illinois en van daaruit trok men naar het gebied ten westen van de Mississippi tot in Oost-Oklahoma.
De Quapaw die in dat gebied leefden, waren oude vijanden van de Chickasaw. Maar tegen het jaar 1760 hadden zij zoveel mensen verloren aan epidemieën, dat zij geen tegenstand meer konden bieden aan het binnendringen van de Chickasaw. Zij hadden ook nog eens problemen met de Osage die, als gevolg van een oorlog met de Sauk en Fox, naar het zuiden waren gedwongen waar zij hun verloren land compenseerden met land van de Quapaw. Als gevolg hiervan waren de Quapaw gedwongen een keuze te maken. Zij besloten de Chickasaw te verwelkomen op hun gebied, om zo de steun te verkrijgen bij de strijd tegen de Osage.
Tegen de tijd dat de Spanjaarden Louisiana overnamen in 1763, leefden er zo’n 200 Chickasaw min of meer permanent aan de west-kant van de Mississippi aan de beneden Rode en Arkansas rivieren. De Quapaw hadden een verstandige keuze gemaakt. Een groep pro-Franse Cherokee arriveerde in het gebied om onder het juk van de Engelsen uit te komen. Ironisch genoeg werden zij 20 jaar later vergezeld door een groep pro-Engelse Cherokee, die probeerden te ontsnappen aan de Amerikanen.
Tussen 1794 en 1799 nam de groep Cherokee ten westen van de Mississippi flink toe, als gevolg van een aantal gevluchte Cherokee en Chickamauga.
Tegen het jaar 1808 waren er zo’n 2.000 Cherokee in Noord-Arkansas, van wie de meesten vijandelijk stonden tegenover de Osage. Tijdens de zomer van 1792 brak een periode van enorme droogte aan, die de Choctaw dwong om in het westen te gaan jagen om te overleven. Tegelijkertijd nodigden de Spanjaarden na 1763 ook nog een grote groep Shawnee en Deleware uit. Die voegden zich bij deze mengelmoes en settelden zich bij Cape Girardeau in Zuidoost Missouri.
De Osage, die de slechte gewoonte hadden om paarden te “lenen” van anderen, hadden al snel meer vijanden dan zij aankonden. Wat begon met incidentele schermutselingen, was tegen 1790 uitgemond in een fullscale oorlog. In 1794 werd een groep Osage Chiefs, die terugkwam van een vredesconferentie in New Orleans, door de Chickasaw in de val gelokt op de Mississippi. Diegenen die erin slaagden de aanval te overleven, probeerden over land te ontkomen. De Choctaw krijgers hadden echter hun spoor al snel gevonden en gingen hen achterna. Het kostte de Spanjaarden vervolgens veel moeite om de Osage te helpen veilig naar hun dorpen terug te keren met behoud van hun lok.
Nadat de Amerikanen het in 1803 over hadden genomen van de Spanjaarden, zorgde de voortdurende oorlogen in Noord-Arkansas en Zuid-Missouri ervoor, dat vestiging in het gebied voor vele jaren werd vertraagd. De Chickasaw hadden inmiddels een permanente nederzetting gebouwd aan de St.Francis rivier (1802). De positie van de krijgers uit het dorp werd regelmatig versterkt door familieleden uit het oosten van de Mississippi, die ieder jaar ongeveer 6 maanden bij hen verbleven. De oorlog tussen deze Osage en Chickasaw dorpen was heel heftig en duurde zeker tot 1827. De Osage delfden meestal het onderspit.
De belofte van William Blount dat de Amerikanen niet uit waren op land van de rode mannen, was natuurlijk een van de vele Amerikaanse leugens. De Amerikanen waren al in oorlog geweest met de Fransen, Engelsen en Spanjaarden, puur om het Indiaanse land. Nu deze Europese mogendheden zich uit Amerika hadden teruggetrokken, stond niemand hen meer in de weg. De kolonisten zwermden Ohio binnen na het Greenville-verdrag en tegen het jaar 1806 werd Ohio een staat.
In 1800 werd William Henry Harrison benoemd als gouverneur van de Indiana territoria (Indiana en Illinois) met de duidelijke instructies van het Congres om de landclaims van de Indianen door middel van verdragen te ontkrachten. In de eerste instantie slaagde hij erin miljoenen hectaren land te verkrijgen in Zuid-Indiana en Illinois via de zogenaamde “Peace Chiefs” van de westerse alliantie. Maar 6 jaar na zijn benoeming gaf dit wel voeding aan de beweging van Tecumseh en zijn broer, die erop uit waren alle stammen te verenigen om verdere land cessies tegen te gaan.
Het thuisland van de Cherokee werd weggegeven tijdens verdragen in 1791, 1794, 1804, 1805 en 1806. De laatste cessie van 10 miljoen hectare had zelfs geleid tot de huurmoord op Doublehead, een Chickamauga Chief die zich jaren had verzet tegen de Amerikanen, en jaren had geprobeerd het thuisland van de Cherokee te behouden. Vergelijkbare verdragen werden gesloten met de Creek en de Choctaw.
Georgia had tegelijkertijd zijn landclaims op het gebied ten westen van de Chattahoochee Rivier. Zij hadden tijdens de zogenaamde” Yazoo land fraude” hun rechten op het land langs de Yazoo rivier in Mississippi verkocht aan 3 landcompagnies in 1794. Volgens het verdrag van Hopewell behoorde het land echter toe aan de Choctaw en Chickasaw. Maar de kolonisten trokken het land toch binnen. Om het probleem van de verschillende claims op te lossen, moest de overheid uiteindelijk toch zijn verantwoordelijkheid nemen in 1802. De uitspraken van William Bount kwamen uiteindelijk als een boemerang bij hem terug. Tijdens het jaar 1796 was Bount de eerste senator van de staat Tennessee geworden, maar nog geen jaar later hadden de landspeculaties in de westerse gebieden hem tot bankroet gebracht.
Bount besloot dat hij nu in actie moest komen en verzon een plan voor een grensleger, dat de Engelsen moest gaan helpen bij het veroveren van Louisiana en Florida. Toen president Adams hier lucht van kreeg, informeerde hij het congres. Blount werd uit de senaat gezet en bijna aangeklaagd; in Tennessee bleef hij echter een held. Hij stierf in 1800. Misschien was er sprake van dankbaarheid voor hun hulp bij de strijd tegen de Spanjaarden, maar ook de gebieden van de Chickasaw werden kleiner en kleiner. Hun eerste cessie was tijdens een onderhandeling bij de Chickasaw Bluffs in 1801, waar zij de Amerikanen toestemming gaven een weg te bouwen (de Natchez weg) door hun thuisgebieden.
Rond die tijd waren er nog zo’n 4.000 Chickasaw, waarvan er 3.000 volbloed waren. Deze volbloeden hadden de leiding, leverden de high Minko en namen de belangrijkste plaatsen in de raad in. Maar tijdens hun onderhandelingen met de Amerikanen na 1800, stonden zij toe dat de Mixed Bloods de zaken afhandelden. Doordat ze iets meer onderwijs hadden gehad, begrepen de Mixed Bloods de verdragen beter die zij ondertekenden. Velen van hen waren eigenaar van grote plantages met slaven, of hadden ranches met paarden en vee. Een enkeling onder hen stond er bekend omdat hij reizigers langs de Natchez trail vermoordde om hen te beroven.
Van de Mixed Blood families (Adair, Love, Cheadle, Jennings) waren de Colberts (George, William, Levi, Martin en James) het meest invloedrijk en hadden de meeste Chief verantwoordelijkheden voor de verdragen van 1805 en 1806, waarin de Chickasaw, om hun schulden te betalen, afstand deden van 345.000 hectare land tussen Tennessee en de Cumberland rivier.
Een verdrag met de Cherokee regelde in 1807 de Cherokee-Chickasaw grens, die niet was vastgelegd sinds de oorlog van 1769. Maar meestal negeerden de kolonisten de door verdragen vastgestelde landgrenzen en tegen 1809 waren er al 5.000 illegale land squatters op het gebied van de Chickasaw. De overheid deed hier niets tegen, totdat de Chickasaw dreigden hen met geweld te verdrijven. Tijdens de twee jaar hierna lukte het de soldaten van de VS de meesten van hen te verwijderen.
Dit bleek maar tijdelijk te zijn, want in de lente van 1811 arriveerde Tecumseh in het gebied, om de Choctaw, Chickasaw, Cherokee en Creek te vragen hem te ondersteunen tegen de Amerikanen. De Chickasaw ontmoetten hem in Chokkillissa en luisterden naar hem, maar oude haat zat nog diep en de Chickasaw waren hun strijd met de Shawnee nog niet vergeten. Ze bedankten hem voor de moeite en om zeker te weten dat hij zou vertrekken, gaven ze hem een escorte mee naar het zuiden naar de Choctaw.
De gemoederen liepen hoog op, en tijdens de overdracht van de Shawnee aan de Choctaw ontstond een conflict tussen de Choctaw en de Chickasaw. Om bloedvergieten te voorkomen, moesten de Shawnee van Tecumseh ingrijpen en was het hun beurt om de Chickasaw veilig uit het gebied van de Choctaw te begeleiden. Tecumseh slaagde er niet in de Cherokee of de Choctaw over te halen hem te helpen. Maar hij had nog hoop omdat zijn moeder Creek was, en de Shawnee hadden  jarenlang dorpen gehad binnen de Creek natie.
Om deze redenen ondervond Tecumseh dan ook een warmer welkom bij de Upper Creek dan bij de andere stammen. Toen de oorlog van 1812 uitbrak, begin juni tussen de Britten en de Amerikanen, kwamen vijandelijke Upper Creek (red sticks ) in opstand tegen de Pro-Amerika Lower Creek, die de belangrijkste posten in de Creek raad bezetten. Nadat er een massaslachting onder 400 voornamelijk Mixed Blood kolonisten in Fort Mims, Alabama, had plaatsgevonden in augustus 1813, besloot Amerika in te grijpen in een van oorsprong Creek Burgeroorlog.
De Creek war (1813-14) vestigde de militaire reputatie van Andrew Jackson, maar het is onwaarschijnlijk dat hij de red sticks had kunnen verslaan zonder de hulp van de Cherokee, Choctaw en Chickasaw, die een groot deel van de strijdmacht uitmaakten. George Colbert bracht 350 Chickasaw krijgers mee en hielp Jackson later bij neerslaan van de laatste red stick groep bij Pensecola. Tijdens een bespreking in Fort Jackson in augustus, dwong dhr Jackson de Creek afstand te doen van 23 miljoen hectare van hun beste grond.
Het grootste deel van het gebied behoorde echter aan zijn bondgenoten en het was een voorteken dat er nog meer problemen zouden komen. Als dank voor hun bijdrage tijdens de Creek oorlog, werden de Chickasaw in september 1816 gedwongen afstand te doen van hun grond ten noorden en oosten van de Tennessee rivier. Mississippi sloot zich bij de Union aan als 20ste staat in 1817 en eiste meteen verwijdering van de de Chickasaw en Choctaw ten westen van de Mississippi rivier.
Het was in deze vijandelijke sfeer dat Jackson en andere vertegenwoordigers in 1818 bij de Chickasaw arriveerden, om meer cessie af te dwingen. De Mixed Bloods vonden het echter moeilijk om zowel de roep van Mississippi om het land te verlaten als de eis van Jackson voor meer land, af te wijzen. Tot keuze gedwongen, besloten zij de 6 miljoen hectare grond in Noordoost-Mississippi te behouden, en afstand te doen van het gebied in Tennessee en West-Kentucky (de grote Chickasaw cession).
In ruil hiervoor werd de uitkering voor de Chickasaw verhoogd van $ 3.000 naar $15.000 in 1818 en $ 35.000 in de jaren daarna. Om de pijn nog wat te verzachten, maakte Jackson het verdrag nog vetter door George Colbert een jaarlijkse uitkering van $ 1.000 te geven en zijn broer William $ 100.
Doordat de Chickasaw zoveel land hadden afgestaan, waren zij afhankelijk geworden van overheidssteun. Ook de whiskyverkopers wisten precies wanneer dergelijke verdragen gesloten werden en openden vaak snel een winkel in de buurt. Als gevolg hiervan en van het feit dat de Indianen cash geld hadden, werd het alcoholgebruik al snel een groot probleem.
Tegelijkertijd arriveerden er missionarissen om de traditionele gemeenschap van de Chickasaw nog verder te verstoren. Met uitzondering van een korte periode (1799-1803) hadden er geen Missionarissen gewerkt met de Chickasaw sinds vader Davion in 1698 had besloten dat de Chickasaw onder Engelse invloed stonden. Dit veranderde echter na 1819 toen methodisten, presbyterianen en baptisten hun missieposten vestigden in het thuisland van de Chickasaw. Tegelijkertijd bezochten een aantal Mixed Blood kinderen de Choctaw academie in Kentucky.
Mississippi stopte echter nooit met zijn pogingen de stammen van zijn land verwijderd te krijgen. Toen in 1828 ook nog Andrew Jackson als president werd gekozen, zagen zij hun kans schoon en breidden de wetten over de Choctaw en Chickasaw uit, om zo whiskyhandel en de stammenraden af te schaffen. Mississippi stelde een zware boete in ($ 1.000) voor iedere Chief die zijn gezag als Chief probeerde uit te oefenen. De invoering van die wetten was echter geheel eenzijdig, er werd niets gedaan aan de blanken die nog steeds op Indiaans land kwamen en daar straffeloos Choctaw en Chickasaw Indianen konden beroven en vermoorden.
De verzoeken van de Chickasaw om hun verdragen te respecteren en om bescherming te krijgen werden door de regering van Jackson geheel genegeerd. Toen het congres ook nog de Indian Removal Act in 1830 aannam, waren de dagen voor de Chickasaw geteld. Maar omdat er flink wat tegenstand in het congres was geweest tegen de Act, en zij de hoop hadden dat bij een volgende regering de Act nog teruggedraaid zou  worden, bleven de Chickasaw zitten waar ze zaten.
Toen de Chickasaw een ontmoeting hadden met officials van de overheid in Augustus, in Franklin Tennessee, tekenden zij een verdrag waarin zij afstand deden van hun land ten oosten van de Mississippi, in ruil voor geschikt land ten westen van de Mississippi. Grappig genoeg vonden de Chickasaw, hoe goed ze ook zochten, geen geschikt land ten westen van de Mississippi omdat het beste land al beloofd was aan andere stammen.
Omdat ze het gat in het verdrag zagen, weigerde het congres het verdrag van Franklin te bevestigen en waren de officials genoodzaakt opnieuw met de Chickasaw in onderhandeling te gaan. Dit maal sloten ze een verdrag dat voor beide partijen acceptabel was. De Chickasaw tekenden het verdrag van Pontotoc, waarin ze het gebied van 6 miljoen hectare verkochten voor een prijs van $3.046.000 minus de kosten voor het verkopen van het land. Niet zoals de Choctaw, die hun land hadden geruild tegen land dus. De Chickasaw wilden met het geld dat ze voor hun land kregen, nieuw land kopen in de Indian territory. Totdat zij dit land hadden, was de overheid verplicht hen een stuk land van 4 miljoen hectare te verhuren.
Bij het tekenen van het verdrag werd er rekening mee gehouden dat de Chickasaw wel land van de Choctaw zouden kunnen kopen. Ongelukkigerwijs wilden de Choctaw het stuk land waar de Chickasaw wel interesse in hadden, niet opsplitsen. De onderhandelingen werden afgebroken en daarmee werd het vertrek van de Chickasaw voor onbepaalde tijd uitgesteld.
Een tweede verdrag dat in 1834 werd getekend, helderde meteen nog een aantal zaken op. De federale overheid gaf er aan toe de Chickasaw en hun bezittingen te beschermen voor kolonisten die niet wilden wachten tot ze weg gingen, en het gebied alvast binnentrokken. Het kostte de overheid uiteindelijk 5 jaar voordat de Choctaw en Chickasaw het met elkaar eens waren.
Maar het verdrag dat in januari 1837 getekend werd stemde eigenlijk geen van de partijen tevreden, behalve de overheid die wilde dat de Chickasaw het gebied zouden verlaten. Ondanks het feit dat de Chickasaw hun eigen land wilden, stemden de Choctaw er alleen mee in hen land te verhuren. De Chickasaw betaalden $ 530.000 om te gaan wonen in het westelijke gedeelte van het Choctaw land. De overeenkomst gaf ook de Chickasaw een zetel in de raad van de Choctaw. Voor de overheid betekende dit in feite, dat de twee stammen waren samengegaan. Uiteindelijk vertrokken de Chickasaw uit Mississippi en binnen twee jaar waren ze uit het gebied verdwenen.
Enkele treuzelaars echter bleven er nog hangen tot 1850. De census vermeldde dat er 4.914 Chickasaw en 1.156 zwarte slaven vertrokken. De eerste groep van 450 vertrok in juni van 1837 en tegen september hadden zich 4.000 man verzameld in vier kampen. Nadat ze over land naar Memphis gereisd waren, voltooiden de meesten de reis per stoomboot. Van de vijf geciviliseerde stammen leek het erop dat de Chickasaw zich het beste hadden voorbereid op hun vertrek. Het geld dat ze bezaten was een groot voordeel, maar ze hadden wel flink te lijden onder de ziekten en ongelukken die hen teisterden. Ook leden ze onder het verlies van vee en spullen. De Chickasaw namen ook 5.000 paarden mee dus werden ze onderweg ook lastig gevallen door paardendieven.
Helaas voor de Chickasaw bleek de reis naar Oklahoma nog het gemakkelijkste deel te zijn. Toen ze aankwamen in het gebied waar ze zouden gaan wonen, bleek dat er een flinke oorlog gaande was. Vele wegen vanuit de hele vlakte kwamen bij elkaar in centraal Oklahoma. Naast de Comanche, Kiowa en Wichita die in het gebied waren, vonden ook de Pawnee en Osage warparty’s de kudden van 5.000 paarden van de Chickasaw wel interessant. De Pawnee waren nieuw voor de Chickasaw maar de Osage behoefden geen introductie, gezien hun verleden van oorlog.
Ook oudere vijanden van de Chickasaw bevonden zich in de omgeving zoals de Shawnee, Kickapoo, Delaware en Potawatomi die in het oosten van Kansas leefden, en verschillende groepen hadden permanente dorpen in de buurt van waaruit ze gingen jagen in Texas.
Vanwege die 'goede oude tijd' vielen ze ook meteen de Choctaw, Creek en Chickasaw lastig die in het oosten van Oklahoma woonden. Ten zuiden van de rode rivier was de republiek van Texas  wiens grensnederzettingen vaak aangevallen werden door de Comanches en Kiowa.
Om hun achtervolgers af te schudden, vluchtten de oorlogsparty’s vaak de rode rivier over naar de VS.
De Texas Rangers en Militia hielden zich normaal gesproken niet echt aan de grenzen en volgden dan ook vaak de party’s tot op VS-gebied. Iedere Indiaan die ze dan tegenkwamen, was voor hen een vijand en werd gedood. De Choctaw wilden eigenlijk de Chickasaw als buffer tussen hun oostelijke gebied en de rest, maar zelfs voor de Chickasaw was het gebied gevaarlijk. Zij bleven liever in tijdelijke kampen bij de Choctaw in de buurt.
Maar als gevolg van onder andere het drankgebruik waren de Chickasaw onwelkome gasten. Ze hadden al lang niet meer met elkaar gevochten (sinds de vrede van 1765), maar oude gevoelens kwamen weer boven. De Chickasaw hadden er ook genoeg van dat ze niet meer als een aparte stam werden gezien en continu Choctaw werden genoemd. Ook werd  het de Chickasaw wel duidelijk dat hun stem in de raad van de Choctaw maar een wassen neus was.
Ondertussen nam ook de overheid de Chickasaw in de maling. De Chickasaw was beloofd dat ze spullen zouden krijgen die hen zouden helpen bij de verhuizing, maar dat alles ging gepaard met fraude en oplichting: bedorven rantsoenen, kapotte materialen, te weinig spullen en zeer hoge kosten. En nog erger, de overheid was erg traag met het verkopen van het land van de Chickasaw. De Chickasaw moesten kosten betalen voor zo’n beetje alles en iedereen die er maar iets mee te maken had. Als gevolg hiervan kregen zij pas hun eerste annuïteiten in 1844. Met het starten van de Amerikaanse burgeroorlog beloofde de overheid ook, dat ze zo snel mogelijk de gebieden ter waarde van zo’n $ 3.000.000 zouden verkopen.
Ondertussen waren in 1839 troepen naar zuid centraal Oklahoma gestuurd, om de Kickapoo die aan de Wild Horse Creek en de Blue rivier woonden te verjagen. De Kickapoo verlieten het gebied toen de troepen kwamen en staken de rode rivier over naar Texas. Toen de soldaten vertrokken keerden ook de Kickapoo terug.
De Texanen maakten eveneens dankbaar gebruik van de grens, zij staken de rode rivier over om vee te stelen van de stammen in de Indian Territory. Voordat de Chickasaw zich goed en wel veilig konden vestigen in Oklahoma, was er een heel garnizoen nodig. In 1842 werd Fort Washita gebouwd, gevolgd door de bouw van Fort Arbuckle in 1851. Met deze militaire bescherming begonnen de Chickasaw naar het westen te trekken en rond 1855 had 90% van hen zich gevestigd op hun eigen land.
In 1854 tekenden de Choctaw en Chickasaw een verdrag, waarmee hun ongelukkige huwelijk ten einde was. Ondanks dat ze daarvoor nog eens $ 150.000 moesten betalen, waren ze weer een aparte stam. Een ander verdrag regelde dat de VS aan de Choctaw en Chickasaw een bedrag moest betalen voor het huren van land in zuidwest Oklahoma, dat gebruikt werd voor het herplaatsen van vlaktenstammen (Plainsstammen).
Omdat ze zelfbestuur hadden gekregen, keurden de Chickasaw een geschreven wetboek goed, gebaseerd op dat van de VS in 1856. Naast het juridische bestuur werd ook het gewone bestuur in handen gelegd van een gekozen vertegenwoordiging. De eindverantwoordelijkheid lag bij de Gouverneur (het nieuwe bestuur in Tishomingo werd gedomineerd door Mixed Bloods en in deze vorm bleef de Chickasaw natie bestaan tot het ontbonden werd in 1906).
De jaren na 1856 ging het goed met de Chickasaw. Er waren nog wel wat raids maar de Chickasaw ontwikkelden ook handel met de Plainsstammen. Er werden koren- en houtmolens gebouwd, maar de meeste Chickasaw werden boer of deden aan veeteelt. De oliebronnen die blijkbaar alle mogelijk ziekten konden genezen, waren een extra vorm van inkomsten.
Dit alles eindigde met  het uitbreken van de Burgeroorlog. De zwarte slaven die de Mixed Bloods hadden meegenomen in 1837, gaven al aan aan welke kant ze zouden staan. Met het uitbreken van de gevechten in het oosten, verlieten federale troepen de Forten Washita en Arbuckle, en werden vervangen door confederatie troepen uit Texas. Naast het conflict over de zwarte slavernij waren de Chickasaw ook nog steeds kwaad op de federale overheid, over de verkoop van hun land in Mississippi en alles wat daarmee gepaard ging, waaronder de $ 3.000.000 die ze nog te goed hadden. Ook voelden zij zich bedreigd door de republikeinse steun aan de Homestead Act waardoor de plains opengesteld zouden worden voor blanke kolonisten.
In mei 1861 verklaarde de Chickasaw natie zich onafhankelijk van Amerika. In juli had de confederatie-commissaris een ontmoeting met de Chickasaw, Choctaw en Creek in Noord Fork Town in het gebied van de Creek. Nadat Pike beloofde dat de confederatie de schulden van de federale overheid zou nakomen, tekenden zij alle drie verdragen die hen verbonden aan de confederatie. De Seminoles tekenden in augustus, maar de Cherokee tekenden niet eerder dan oktober. De Lincoln regering reageerde hierop door alle rechten van de stammen te ontbinden. Weinig Amerikanen realiseren zich wat de burgeroorlog bij de vijf geciviliseerde stammen teweeg bracht.
De Mixed Blood slaveneigenaren domineerden de besturen en hadden zich verplicht aan de confederatie, door te beloven 3 regimenten op te richten voor generaal Nen Mccullough van Texas. Kolonel Cooper kreeg het bevel over het eerste commando Chickasaw en Choctaw Mountains rifles, terwijl de Creek, Seminole en de Cherokee de andere twee zouden vormen. Naarmate de oorlog voortduurde, leverden de Chickasaw twee toegevoegde confederatie-units: de First Chickasaw Infantry (of Hunters regiment, Indian Volunteers), en Shecoe’s Chickasaw Bataljon.
Als je nagaat dat er in 1861 maar 4.000 Chickasaw waren, dan was dit een forse bijdrage en ze betaalden een vergelijkbare prijs. Toch waren de Fullblood Chickasaw die wat armer waren, er niet happig op om de zwarte slavernij te verdedigen. Sommigen van hen kozen dan ook om voor de Union te gaan vechten, anderen besloten liever te vertrekken. Maar de confederatie weigerde hen te laten gaan. Toen 4.000 Pro-Union Creek zich verzamelden in Oost-Oklahoma in november 1861, om te vertrekken naar Union grondgebied, kreeg kolonel Cooper het bevel hen te onderscheppen. Voordat zij Kansas bereikten, kwamen 600 Creek om door de aanvallen van de Choctaw-, Chickasaw- en Cherokee cavalerie van Cooper.
De oorlogsomstandigheden verergerden de situatie voor de Creek in Kansas. De federale overheid kon niet zorgen voor voedsel en onderdak. De vluchtelingen zaten de oorlog uit in vervallen kampementen langs de Neosho rivier, waar de hongersnood en ziekten meer eisten dan de kogels van de Confederatie. Naast de 5.000 Creek, waren er ook nog 600 Seminole, 3.000 Cherokee, 300 Osage, een onbekend aantal Seneca, Wyandot, Shawnee en Quapaw, en op zijn minst 250 Chickasaw in het kamp.
In het jaar 1862 vochten de Confederatie Chickasaw bij Pea ridge (Elkhorn Tavern), Newtonia, en Fort Wayne, maar een offensief van de Union in de lente van1863 heroverde Fort Gibson. Na de overwinning van de Union bij Honey springs in juli, raakte de Confederatie in de verdediging bij gevechten bij Perryville, Fort Smith en Poison Spring. In oktober 1864 viel de cavalerie van de Union de Chickasaw aan en bracht zij hen flinke schade toe. De Confederatie deed nog een laatste poging om de controle over de Indian Territory te krijgen door de “Raad van de Plains vrede” in te stellen. Maar tegen de tijd dat deze raad bij elkaar kwam in mei 1865, was de oorlog met de overgave van generaal Lee in Virginia voorbij.
In juni gaf de Cherokee generaal, als laatste generaal, zijn commando aan de Union Forces over. De Chickasaw hadden in hun bestaan nog nooit een oorlog verloren, en 'overgave' was voor hen dan ook een vreemde gewaarwording. De Chickasaw bleven nog stand houden tot 2 maanden na de oorlog, en op 5 augustus 1865 gaven zij zich als laatste politieke eenheid over aan de Union.
In september sommeerde de federale overheid de vijf geciviliseerde stammen (ook de Osage, Shawnee, Seneca, Wyandot en Quapaw) naar een bijeenkomst in Fort Smith te komen.
Van weigeren was geen sprake. Als gevolg van een wet die het Congres had aangenomen in 1862, hadden de stammen die verdragen met de confederatie hadden gesloten, alle rechten op betalingen van de federale overheid verloren. Toch lukte het John Ross van de Cherokee, hier zo stevig tegen in te gaan, dat de verdragen die de Chickasaw en de andere stammen tekenden in essentie  goedmakertjes waren. De overheid wilde echter wel Oklahoma voor de bouw van spoorlijnen en om de Plains stammen onder te brengen. De senaat weigerde dan ook het verdrag van Fort Smith te bevestigen. In plaats hiervan werden de stammen naar Washington DC gebracht om hier ieder apart een verdrag te ondertekenen.
Terwijl de overheid de tegoeden van de Chickasaw vasthield, hadden de Chickasaw weinig keus en in april 1866 tekenden ze hun definitieve verdrag met de VS. Naast de eis dat ze de slavernij moesten afschaffen, moesten de Chickasaw ook hun claims op zuid-west Oklahoma opgeven en hun bevrijde slaven als stamleden opnemen. Er tegenover stelde de VS, dat ze hun betalingen zouden hervatten en dat de Chickasaw-natie nooit deel uit zou gaan maken van een nieuwe staat. Die belofte werd 40 jaar later gebroken.
Het jaar erna namen de Chickasaw een wet aan, waarin de slavernij werd afgeschaft maar zij weigerden, in tegenstelling tot andere stammen, hun slaven in de stam op te nemen. De overheid had het idee al geopperd dat de slaven hun eigen gebied konden hebben in Zuid-west Oklahoma, maar nadat er een jaar later een oorlog uitbrak tussen de Comanches en de Kiowa, weigerden de meeste daar naar toe te verhuizen.
Ondertussen kwamen er uit Texas bijna 5.000 bevrijde slaven naar de Chickasaw, om hun stam-lidmaatschap op te eisen. Vele van dezen stonden in hun recht, omdat de Chickasaw al sinds lange tijd slaven ruilden en verhandelden met de Texanen. De overheid weigerde hen te verwijderen, dus bleven ze.
Ook kwamen er blanken die in 1888 150.000 stuks vee het land van de Chickasaw binnen brachten en weigerden graaskosten te betalen. De overheid modderde maar wat door en het lukte hen maar gedeeltelijk het vee te verwijderen. Niet-Chickasaw moesten toestemming hebben om op Chickasaw land te mogen verblijven, maar meestal werd dit geweigerd.
Rond 1900 waren er zo’n 300.000 blanken in het Indian territory, waarvan er 150.000 op Chickasaw grondgebied verbleven. De 6.000 Chickasaw waren een minderheid geworden op hun eigen grondgebied. Hoewel het land nog steeds van hen was, kwam ook dit ter discussie. In 1887 nam het Congres een wet aan: de Dawes Act. Daarin werd bepaald dat het Indiaanse land in stukken verdeeld moest worden, waarvan ook delen aan blanken verkocht moesten kunnen worden. Beschermd door de verdragen waren de Chickasaw en andere stammen, immuun voor deze regeling, maar een aanvullende wet die in 1893 werd aangenomen, probeerde ook hun land hierbij te betrekken. In de eerste instantie werd dit afgewezen maar met het invoeren van de Curtis Act in 1895, waardoor de stammenraden werden ontbonden, stemden de Choctaw en Chickasaw uiteindelijk in 1897 toe.
Als gevolg van het allottment werden de Chickasaw 'inwoners van de Verenigde Staten van Amerika' en kregen zij stemrecht. De Chickasaw moesten echter wel een ongelooflijk hoge prijs betalen ...voor het recht dat iedere blanke vanzelfsprekend kreeg. Eerst moesten de Chickasaw 4.000 claims van blanken op het land afweren, waarna het land opgedeeld werd in 6.337 stukken Indiaans land en 4.607 stukken land voor de bevrijde slaven.
Van de 4.707.904 hectare land dat de Chickasaw bezaten, hielden zij maar een klein deel over, en tegen 1920 was 75% hiervan overgegaan in blanke handen. Op dit moment hebben de Chickasaw nog maar 300 hectare in het bezit van de stam.
Toen het bestuur van de Chickasaw in 1906 ontbonden werd, hield de stam eigenlijk ook op te bestaan. Vele Chickasaw verhuisden of gingen op in de plaatselijke bevolking.
Heel wat vooraanstaande families in Oklahoma hebben een Chickasaw achtergrond, maar behalve wat informele organisaties was er vele jaren geen Chickasaw stam.
Andere stammen in Oklahoma reorganiseerden zich onder de Oklahoma Indian Welfare Act na 1936, maar de Chickasaw bleven zoals altijd koppig en deden dit pas in 1963. Het werd hen niet toegestaan hun eigen Chiefs te kiezen, maar ze zijn op dit moment georganiseerd onder een in 1983 uitgevaardigde wet. Federaal erkend en met een aantal van 35.000 leden, zijn de Chickasaw nu de op 8 na grootste stam van Noord Amerika.

Reservaat

chick banner

Kullihoma Reservation

Headquarters
Phone (580) 436-7259
Fax     (580) 436-7297

Division of Housing & Tribal Development
Phone (580) 421-8800
Fax      (580) 421-8877

Division of Commerce
Phone (580) 421-9500
Fax      (580) 272-5011

Chickasaw Nation Industries
Norman, OK
Phone (405) 253-8200

Solara Healthcare
Westlake, TX
Phone (682) 831-9670

 

Links