gastenboekrkaartr

Stuur een Emailtje bij vragenzoek op de websiteTerug naar het beginvolgende

taalgflokatiegfpopulatiegfbandsgfcultuurgfgeschiedenisgfreservatengflinksgf

Taal & Namen

De Amerikanen realiseren zich meestal niet dat de Huron en Wyandot in feite dezelfde stam zijn. Van origine noemden een dozijn Iroquois sprekende stammen in zuidelijk Ontario zichzelf de Wendat, wat eigenlijk “dorpsbewoners ”betekend. Naamsvarianten zijn: Guyandot, Guyandotte, Ouendat, Wyandot en Wyandotte. De Fransen noemden de leden van de vier stammen telende confederatie echter de Huron een afleiding van het woord “Hure” wat “ruw” betekend.
De taal die de Huron en Wyandot spraken was het Iroquois.boven begin

Lokatie

Ouendake ( door de Fransen Huronia genoemd) was van origine het thuisgebied van de Huron. Het besloeg een groot compact deel van centraal Ontario, tussen de zuidelijke punt van de Baai van Georgian en het Simcoe meer. Nadat de Huron rond 1650, door de Iroquois verdreven werden, vestigde één groep zich bij het plaatsje Lorette( net iets ten noorden van Quebec, waar het sindsdien bleef. De rest van de overgebleven Huron (samengegaan met de Tionontati, Erie en neutral )zwierven de vijftig jaar daarna rond als vluchtelingen door Wisconsin, Minnesota en Boven Michigan. Tegen het jaar 1701, vestigde zij zich in de Ohio vallei tussen het huidige Detroit en Cleveland, waar zij bekend stonden als de Wyandot . Daar bleven zij tot zij naar Kansas gestuurd werden tijdens de jaren 1840. Slecht één groep Wyandot slaagde erin in het gebied van de Grote Meren te blijven, zij kregen een reservaat toegewezen in Zuidwest Ontario bij Amherstburg. Voor de Kansas Wyandot begonnen de problemen pas echt met de komst van de Kansa- Nebraska Act(1854), waardoor hun land opengesteld werd voor kolonisatie. De meerderheid van hen vroegen een status als inwoner aan en worden nu erkent als de”Wyandot van Kansas” . De meeste van hen l;even nu nog in de buurt van Kansas city. De meer traditionele Wyandot verlieten Kansas en trokken naar Noordoost Oklahoma. Na de burgeroorlog werden zij de “Wyandot stam van Oklahoma”. boven begin

 

Populatie

Wanneer je de Neutrals, Tionontati en Wenro optelt bij de Huron, dan waren er in 1535 tussen de 30.000 en 45.000. De schattingen van de Fransen lagen tussen de 20.000 en 30.000 in 1615. Na het eerste contact met de blanken, nam het aantal Huron schrikbarend af. Tegen het jaar 1640 waren er als gevolg van een epidemie en oorlog nog maar zo’n 10.000 Huron over. Nadat ook nog de Iroquois hun zinnen op de verdrijving van de Huron hadden gezet, slaagden er slecht 300 van hen in zich te vestigen bij Lorette. Zo’n duizend andere Huron gingen samen met de Tionontati en Neutral en vluchtten het hen naar de Westelijke Grote Meren om uiteindelijk de Wyandot te worden. Het aantal Huron dat in de Iroquois League werd opgenomen moet aanzienlijk geweest zijn, maar het is onbekend hoeveel dat er waren. boven begin

 

(Sub)bands

boven begin

Cultuur

De Huron confederatie was de eerste van de Iroquois confederaties in de regio en dus waarschijnlijk de inspiratie voor het vormen van de latere Iroquois league. Al rond 1400 vormden de Attignawantan ( beer mensen)en de Attigneenongnahac (Cord mensen) een verbond met elkaar. Men gelloft dat na het vormen van de Iroquois League, de Iroquois van Laurentian die langs de rivier de St. Lawrence leefden, gedwongen werden naar het westen te verhuizen. Twee groepen van hen, de Arendaronon en de Tahontaenrat voegden zich vervolgens bij de Huron confederatie. Omdat het de grootste groep was overheersten de Attignawantan meestal de andere groepen. Het doel van de Confederatie was vergelijkbaar met die van de Iroquois League: het voorkomen van strijd tussen de leden van de confederatie. Het hoofddorp van de confederatie lag bij Ossossana en hier kwamen regelmatig de vertegenwoordigers van de stammen bijeen om onderlinge conflicten te beslechten en om gezamenlijke belangen op het gebied van handel, oorlog en vrede met elkaar te bespreken. Daarnaast controleerde iedere stam zijn eigen gebied en was vrij zijn belangen in het gebied te behartigen. Op vergelijkbare wijze, loste ieder Huron dorp zijn interne zaken op. Deze dorpen varieerde in grootte, maar de grotere waren over het algemeen versterkt en hadden inwonersaantallen van soms meer dan duizend. Deze versterkingen en grote aantallen waren waarschijnlijk een reactie op de constante vijandigheden in het gebied, maar de dorpen met grote Longhouses waren gevoelig voor de Europese epidemieën. De levenswijze van de Huron kwam in feite aardig ovreen met die van de Iroquois. Zo rond 1100, begonnen de Iroquois in dit gebied met het op grote schaal verbouwen van gewassen. Een dramatische bevolkingsgroei volgde met als gevolg een forse toename van strijd in het gebied. Het dieet van de Huron bestond toen nog voornamelijk uit graan en later ook uit pompoen, bonen en tabak. Dit werd aangevuld door te jagen, vissen en verzamelen. Eens in de twintig jaar werden de dorpen verplaatst omdat de grond in de omgeving was uitgeput.

De sociale organisatie van de Huron begon met uitgebreide families en een Matriliniaal opvolgingssysteem. In tegenstelling tot het Europese patriliniale systeem, werd het Huron Clan lidmaatschap bepaald door de Moeder- hoewel het mogelijk was om van clan te veranderen door adoptie. De originele clan namen van de Huron zijn verdwenen, maar ze werden opgedeeld in drie Phratries ( clan groepen met ceremoniële en sociale doelen), overeenkomstig met de namen van de leden: Beer, Cord, en Rots. Na vijftig jaar op de vlucht te zijn geweest voor de Iroquois, namen de Tionontati de grootste groep Wyandot op. Twee van de drie Wyandot Phratries behoorden tot hen ( Wolf en Deer). Allen de Beer- clan van de Schildpad Phratries was nog Huron. Tegen het jaar 1750, hadden de Wyandot tien clans verdeeld over drie groepen: Turtle( Big Turtle,, Hawk, Prairi Turtle, Small Turtle); Deer(Bear, Beaver, Deer, Porcupine, Snake); en wolf(één clan met dezelfde naam). De Wyandot werden bestuurd door een raad, bestaande uit de Chiefs van elke clan. Deze Chiefs werden gekozen door de Clan- Moeders . Één van hen werd gekozen tot Hoofd- chief, meestal was dit volgens traditie iemand van de Beer of Deer Clan.
In tegenstelling tot de Iroquois waren de vrouwen van de Huron niet de eigenaresse van al zij bezaten. Uniek voor de Huron was het”feest van de doden”. Dit feest werd eens in de tien twaalf jaar gehouden. Tijdens het feest werden alle stamleden die gestorven waren na het feest ervoor, opgegraven en herbegraven in een gezamenlijk massagraf. Pas dan waren de geesten van de overledenen in staat om te vertrekken naar het land achter de horizon.
Het justitionele apparaat van de Huron kon erg hard zijn. Veroordeelde moordenaars werden aan het lichaam van hun slachtoffers gebonden om te sterven van de honger. In latere tijden werden misdadigers doodgeschoten met een vuurpeloton.
Een belangrijk verschil tussen de Huron en de Iroquois was het gebruik van de berken-bast kano. De Iroquois maakten de kano’s van iepen hout, waardoor ze zwaar waren en daarom verkozen de Iroquois lopen boven varen. De Huron leefden echter tussen de rivieren en meren en daarom gebruikten zij hun kano’s om grote afstanden af te leggen om hun gewassen te verhandelen.
Het was juist deze voorsprong in vervoer, waardoor de Fransen, de Huron opmerkten. De bonthandel floreerde en de Huron sloten een handelsverdrag met de Fransen. Dit verdrag duurde tot de Huron, door de Iroquois verdreven werden. In 1649 verdwenen de Huron en werden de Wyandot. Samen met de Ottawa werden zij vervolgens de “oudste kinderen” van Onontio ( de Franse Gouverneur van Canada) en de hoeksteen van de Franse alliantie met de Algonkin van de Grote Meren. Binnen deze organisatie werden de Wyandot gezien als een stamvader met belangrijke connecties, als gevolg van de door hen geadopteerde Huron, met de Iroquois League. Zelfs na de ondergang van de Fransen in 1763, hadden de Wyandot het respect van de stammen in het gebied van de grote meren. Zij hadden meer invloed als hun aantallen krijgers zouden doen vermoeden.
boven begin

 

Geschiedenis

 

Gebaseerd op taalkundig bewijs, lijkt het erop dat de Iroquois sprekende mensen die Jacques Cartier in 1535 op de St. Lawrence rivier bij Hochelaga ontmoette, Huron moeten zijn geweest. Kort na zijn laatste bezoek aan Hochelaga in 1541, was het dorp verlaten, waarschijnlijk als gevolg van oorlog met Iroquois en Algonkin. Twee groepen van deze zogenaamde Laurentian Iroquois van de St. Lawrence, de Arendahronon en de Tahontaenrat trokken vervolgens naar het westen en vormden een verbond met een twee andere groepen, de Attignawantan en de Attigneenongnahac en vormden zo de Huron Confederatie. Andere Iroquois stammen in de regio organiseerden zich op een vergelijkbare wijze met als grootste voorbeeld de Iroquois League in Upstate New York. De Huron bezette het gebied in centraal Ontario bij het zuideinde van de baai van Georgian. Naar het westen toe, in de heuvels bij het zuidwest einde van het Huron meer leefde de Tionontati en ten zuidwesten tussen Detroit en Niagara Falls leefden de Neutrals, een andere grote confederatie die zo werd genoemd omdat zij neutraal bleven tijdens de oorlog tussen de Iroquois en de Huron.
Een relatief kleine groep, de Wenro, leefden ten westen van de Iroquois in Zuidwest New York (Jamestown) en ze beschermde zich door allianties te sluiten met de Neutrals in het noorden en de Erie. Ten zuiden van de Iroquois, langs de Susquehanna rivier leefden de Susquehannock een traditionele Iroquois vijand. Ten oosten, stonden de Mohawk en Oneida van de Iroquois League tegenover de Algonkin: De mahican uit de Hudson vallei; en de Adirondack.
Terwijl de Iroquois over het algemeen op voet van oorlog leefden met hun buren, was dat bij de Huron anders. Zij leefden door de handel op vreedzame voet met de meeste van hun buren, tot aan de Ottawa, Nippissing en de Ojibwe bij St. Sault Marie toe. De rivaliteit en oorlogen tussen de Huron en de Iroquois werd voor de komst van de Fransen nog enigszins in balans gebracht door de handel tussen hen. De vijandelijkheden tussen de stammen waren echter wel van die aard dat er grote dorpen met omheiningen ontstonden.
Gelokt door de bonthandel, keerden de Fransen in 1603, terug naar de St. Lawrence en bouwde er een nederzetting Bij Tadoussac. De kwaliteit van het bont dat de Fransen hier ontvingen van de Montagnais en de Algonkin stammen via de vallei van de Ottawa rivier, stimuleerde hen verder naar het westen te trekken. Samuel de Champlain stichtte in 1608 Quebec en een jaar later ontmoette hij via Algonkin handelaren, de Arendaronon van de Huron confederatie.
De Fransen hadden echter pech en hun hoop op bonthandel in het gebied, werd de grond in geboord toen bleek dat er al 50 jaar strijd geleverd werd. Het gebied was al jaren grond van onenigheid tussen verschillende stammen ( Huron, Iroquois, Algonkin en Montagnais). Nadat hij de klachten van zijn handelspartners, over de Iroquois had gehoord, besloot Champlain in Juli 1609, om samen met een warparty van Algonkin, Montagnais en Huron, ten strijden te trekken tegen de Mohawk. Tijdens de slag, die plaats vond bij het het noord einde van het Champlain meer, kwamen de Iroquois voor het eerst in aanraking met de Franse vuurwapen en vonden de Fransen een nieuwe en gevaarlijke vijand.
Na deze, door de Franse gesteunde overwinning, sloten de Huron hun eerste handelsverdrag met Champlain. Als gevolg van de vernietiging van een Mohawk fort aan de Richelieu rivier, het jaar daarna, werden de Iroquois naar het zuiden verdreven en zo kon men het gebied aan de bovenstroom van de St. Lawrence openstellen voor de handel. De eerste indruk die de Fransen van de Huron hadden was niet best en omdat hun dorpen op zo’n grote afstand lagen moesten zij zich betreffende de handel vooral op de Algonkin stammen richtten. Dit veranderde echter toen Etienne Brulé de Huron dorpen in 1611 bezocht en de hele winter bij hen bleef. Tijdens deze winter, kwam hij er achter dat de Huron een veel betere kwaliteit bont hadden en ook dat zij toegang hadden tot andere stammen in de omgeving met een nog betere kwaliteit bont. Mochten de Fransen al twijfel hebben gehad over een bondgenootschap met de Huron, dan was die twijfel nu wel weg. In 1614 werd er een officieel handelsverdrag tussen de Fransen en de Huron gesloten in Quebec. Het jaar daarna, maakte Champlain de lange reis naar de Huron dorpen en terwijl hij daar was ging hij met hen op oorlogspad. Samen met de Huron vielen zij een aantal Oneida en Onondaga dorpen aan in het zuiden, in New York. Na 1616 waren de Huron de tussen personen in de handel tussen de Fransen en de Nipissing, Ottawa en Algonkin stammen in het gebied van de westelijke meren.
Als gevolg van het verdrag tussen de Fransen en de Huron, waren de Mohawk gedwongen te vertrekken uit de St. Lawrence vallei in 1610. Deze tegenvaller bleek echter maar van tijdelijke aard omdat niet veel later de Mohawk een handelsverdrag sloten met de Hollanders aan de Hudson rivier. Nadat de Mohawk oorlog hadden gevoerd met de Susquehannock(1615) en de Mahican (1624-1628), bleven de Mohawk over als de belangrijkste handelspartner van de Hollanders met alle voordelen. Helaas voor de Mohawk. Kwam er in hun leefgebied niet zo heel veel bever voor en het duurde niet lang of de Huron hadden al hun bevers gedood en het bont verkocht. De Hollanders wilden echter een constante toevoer van bont en als gevolg van hun pogingen met de Mahican te handelen was de oorlog tussen de Mahican en de Mohawk al ontstaan. De overwinning van de Mohawk op de Mahican had echter alleen geleid tot meer concurrentie tussen de stammen en niet zozeer tot meer gebied voor de Mohawk.
In het thuisgebied van de Huron kwam in het begin veel bever voor, maar als gevolg van de intensieve handel met de Fransen raakten hun bronnen daar ook uitgeput. De Huron losten dit probleem op door met hun buurstammen in het noorden en westen te handelen, maar de Iroquois, omringt door vijandelijke stammen, konden hun probleem niet op deze manier op lossen. De Iroquois vroegen de Huron daarom om met hen te handelen of ten minste hen toestemming te geven op hun gebieden te jagen. De Huron zagen dit echter niet zitten en waren ook bij machte om de Iroquois uit hun thuisgebieden te houden.
Op dat moment bleek de keuze van de Fransen om met de Huron samen te gaan werken, de juiste. De geschiedenis had echter anders kunnen zijn, waren het niet dat er in europa een oorlog uit brak tussen de Engelsen en de Fransen (1627). Na een Britse blokkade van de rivier de St. Lawrence, gaf Quebec zich over aan een vloot onder leiding van Sir David Kirke in 1629. Het verdrag van St. Germaine -en- Laye werd gesloten maar de Fransen kregen Quebec niet eerder terug dan in 1632. Gedurende die drie lange jaren slaagden de Iroquois erin, door hun handel met de Hollanders, beter bewapend te raken en zo sterker te worden dan de Huron. In 1629 begon er opnieuw strijd tussen de Iroquois en de Huron en Algonkin stammen. De inzet was opnieuw de bonthandel en de strijd zou uiteindelijk leidden tot de Beaver Wars (1630- 1700).
Nadat de Britten waren vertrokken moest Champlain opnieuw beginnen en om weer in de gratie bij de stammen te komen begon hij met het verstrekken van vuurwapens en wat munitie, bedoeld voor de “jacht”. De Hollanders en Engelsen reageerden hierop door de Iroquois ook vuurwapens te geven en er ontstond een wapenwedloop.

De Franse Missie pogingen begonnen in 1615, toen er Franciscaner Missionarissen naar de vallei van de rivier de St. Lawrence werden gestuurd. Pater Joseph Le Caron vergezelde Champlain op zijn reis naar de Huron dorpen in 1615 en bracht de winter onder hen door. Zijn poging om in 1623 een missiepost bij de Huron te vestigen mislukte echter. Een nieuwe, serieuzere poging kwam er met het arriveren van de Jezuïeten in New France in 1625. Hun poging een missiepost in Huronia te vestigen in 1626, mislukte echter ook. In 1634 keerden de Jezuïeten opnieuw terug naar de Huron en ze bouwden hun eerste missiepost bij Ihonatiria. Drie jaar later verhuisden zij hun belangrijkste missiepost naar de Huron hoofdstad Ossossane, gevolgd door een definitieve herlocatie bij Ste. Marie in 1639. De bekering van de Huron verliep in het begin traag, maar met de komst van de epidemieën van 1635, bekeerden veel Huron zich tot het Christendom, om zich tegen deze ziekten te beschermen. De Missionarissen schroomden ook niet, de bekeerlingen wapens te geven als beloning voor hun bekering. Deze moordpogingen van de priesters hadden echter een vernietigend effect op de Huron stammen en leidde tot verdeeldheid onder hen. Steeds wanneer de stam hun eenheid nodig had bij de strijd tegen de Iroquois ontstonden er problemen. De Christelijke Huron mochten niet deelnemen aan de raadsvergaderingen en ceremonieën, met als gevolg dat Christelijke en traditionele Huron gescheiden van elkaar strijd tegen de Iroquois voerden.
Nog erger waren een serie van Epidemieën die door Huron dorpen trokken, griep, mazelen en pokken. Tussen 1635 en 1640 kwamen de helft van de Huron om door deze nieuwe ziekten. Gereduceerd tot nog zo’n 10.000 leden, verloren de Huron ook veel ervaren leiders. Ondertussen streden de missionarissen tegen de Fransen die hun commerciële belangen voorop stelden. Het gevolg hiervan was dat er veel onduidelijkheid ontstond en de Franse regering neutraal bleef bij de strijd tussen de Huron en de Iroquois. Alles veranderde toen de Seneca een fatale slag toe brachten aan de Huron in lente van 1635. Eerst isoleerden de Iroquois, de Huron, door al hun bondgenoten aan te vallen. Verschillende Iroquois offensieven gedurende de jaren 1636 en 1637 verdreven de Algonkin stammen dieper de Ottawa vallei in en dwongen de Montagnais om zich naar het oosten terug te trekken.
De eerste slachtoffers van de Beaver wars waren de Wenro. In de steek gelaten, door hun bondgenoten de Erie en Neutral, werden zij in 1639 door de Iroquois overlopen. Zij verlieten hun dorpen en sloegen op de vlucht naar het noorden, over de Niagara rivier in Ontario, waar 600 van hen uiteindelijk onderdak vonden bij de Huron.
Een grote escalatie in de hoeveelheid geweld begon in 1640. De laatkomers in de bonthandel, de Engelsen uit New England, probeerden het handelsmonopolie tussen de Mohawk en de Hollanders te doorbreken, door de Mohawk meer vuurwapens aan te bieden. In reactie hierop begonnen de Hollanders met het verstrekken van wapens aan de Iroquois in onbeperkte hoeveelheden. Nu waren de Iroquois beter bewapend dan wie dan ook in het gebied(inclusief de Fransen) en begonnen zij een groot offensief. De Fransen besloten om hun bondgenoten ook meer wapens te geven, maar deze waren van veel slechtere kwaliteit dan de Hollandse wapen en daarbij werden ze voornamelijk aan Christelijke bekeerlingen gegeven. De Algonkin en Montagnais werden totaal uit de Vallei van de Boven St. Lawrence verdreven door de Mohawk en Oneida in 1641, terwijl de Seneca, Cayuga en Onondaga hun aanvallen in het westen vooral op de Huron Focusten.
In 1642 werd Montreal gesticht bij de mond van de rivier de Ottawa met als doel om hun bonthandel dichterbij de hurondorpen te plaatsen. Al snel kwamen de Fransen echter in het gedrang van de strijd in het gebied. De oorlog pary’s van de Iroquois trokken naar het noorden, de Ottawa vallei in, tijdens de jaren 1642 en 1643 en ze vielen daar de kano vloten van de Huron aan, die hun bont naar Montreal brachten. Het gevolg hiervan was dat de Franse bonthandel totaal stopte. De Fransen konden nu niet anders dan op zoek naar vrede met de Iroquois gaan. En deze stonden hiervoor open, omdat ze te leidden hadden gehad onder de oorlogen en epidemieën. Er werd in 1645 een verdrag gesloten, maar het hield geen stand omdat het belangrijkste probleem, handel met de Huron, niet werd opgelost. Twee jaar lang probeerden beide partijen het geschil op te lossen door diplomatie, maar uiteindelijk gingen de Iroquois over tot een totale oorlog. Terwijl de Fransen neutraal bleven, vernietigden de Iroquois in 1647 de dorpen van de Arendaronon. Het gevolg hiervan was dat er nog maar weinig bont uit Huronia, Montreal bereikte dat jaar. In 1648 vocht een kanovloot van 250 stuks zich een weg langs de Iroquois blokkade en bereikte Quebec. Terwijl zij afwezig waren, trok er een Iroquois war party, Huronia binnen en vernietigde de Missiepost bij St. Joseph. De laatste klap kwam in maart, 1649. In een gecoördineerde aanval trokken Seneca en Mohawk krijgers het Huron gebied binnen en vernietigden twee missie dorpen, St. Ignace en St. Louis. Honderden Huron kwamen om of werden gevangen genomen, terwijl twee jezuïeten werden gemarteld en vermoord. De overgebleven Huron stopten hun verzet en sloegen op de vlucht.
Nu was alleen de belangrijkste missiepost bij Ste. Marie nog over en zij bereide zich voor op een aanval die nooit zou komen. Totaal geïsoleerd verlieten de jezuïeten, de post in Mei en de Huron bewoners trokken per kano naar Christian eiland in de baai van Georgian. Andere Huron sloten zich bij hen aan, waardoor het bewonersaantal op het eiland tot 6000 toe nam. Tijdens een verschrikkelijke winter in 1649- 1650, stierven duizenden van hen van de honger, waarop de overgebleven jezuïeten met hun bekeerlingen richting New France trokken. 300 van hen sloegen hun kamp ten noorden van Quebec op bij Ancienne en Jeune Lorette. Zij werden vergezeld van een andere groep uit Trois Rivieres in 1654 en zijn daar blijven wonen. Tijdens de jaren hierna bleven de Lorette Huron, trouwe Franse bondgenoten en overleefden zij als weinigen het conflict als groep. De rest van de overgebleven Huron verspreiden zich, maar de Iroquois wilden hun niet laten gaan. De Iroquois waren na de strijd nog maar met zo’n duizend krijgers over en zij wilde hun populatie versterken door alle Iroquois sprekende stammen te assimileren. Een aantal Huron gaven zich direct over en samen met de reeds gevangengenomen Huron gingen zij op in de Iroquois. Maar ook de rest van de overgebleven Huron, werd door de Iroquois opgespoord. De Attignawantan Huron waren in 1649 naar het westen gevlucht en hadden bij de Tionontati onderdak gevonden. In reactie hierop vielen de Iroquois beide stammen aan en in december werd het belangrijkste Tionontati dorp aangevallen en overlopen. Slecht duizend Huron en Tionontati slaagden erin te vluchten en zij werden later de Wyandot. Deze groep vestigde zich in de eerste instantie op Mackinac, waar zij de winter van 1649- 1650 doorbrachten. Onder de druk van constante Iroquois aanvallen, sloegen zij in 1651 weer op de vlucht en verhuisden zij naar een eiland in Green Bay, samen met de Ottawa die ook op de vlucht voor de Iroquois waren.
De Tahontaenrat Huron, hadden zich ondertussen terug getrokken in het thuisland van de Neutral, die tot op heden neutraal waren gebleven in de strijd. De Iroquois vielen de Neutral in 1651 aan en de Neutral werden verslagen. Een aantal van de Neutral en Huron slaagden erin te vluchten en zij voegden zich bij hun verwanten in Green Bay. Het grootste deel van hen zich echter massaal over. De Tahontaenrat werden door de Seneca opgenomen en de overgebleven Arendaronon gingen naar de Onondaga. Een aantal Attignawantan, gingen deel uit maken van de Mohawk. Na de overgave, slaagden een grote groep Huron en Neutral er nog in om te vluchten en zij voegden zich bij de Erie in het zuiden, die hen accepteerden, maar wel in de rol van “slaven”.
In het oosten vochten de Mohawk en Oneida nog steeds tegen de Susquehannock en zij vonden in hen een pittige tegenstander. In het westen waren alleen nog de Erie over, die stelselmatig weigerden om de Neutral en Huron aan de Iroquois over te leveren. De situatie verslechterde, maar voordat de westelijke Iroquois tot een oorlog met de Erie overgingen, sloten zij eerst een vredesverdrag met de Fransen. Deze Fransen, zo’n 300, vormden weliswaar geen militaire bedreiging voor de Iroquois, maar door de vrede voorkwamen zij dat deze Fransen, wapens aan de Erie zouden leveren. Ook machten de Franse Jezuïeten, missieposten in de Iroquois dorpen bouwen ten goede van de Huron bekeerlingen onder hen. Zo probeerden de Iroquois te voorkomen dat de door hen geassimileerde Huron in opstand zouden komen tijdens een oorlog met de Erie. In 1653 vielen de Iroquois de Erie aan en het duurde tot 1656 voordat zij er in slaagden de Erie te verslaan. Na een nieuwe ronde van massale assimilatie, verdween er opnieuw een stam in de Iroquois League. Op dat moment hadden de Iroquois, de Fransen niet langer nodig en ze dwongen de Jezuïeten te vertrekken.
De Wyandot( Neutral, Huron en Tionontati) leefden op honderden mijlen afstand van het thuisland van de Iroquois, maar dit betekende nog niet dat ze veilig voor hun waren. In 1652 en 1653, werden zij door de Mohawk en Seneca aangevallen.
In 1655 trokken de Seneca naar het westen, om de Illinois aan te vallen die een aantal Wyandot zouden hebben opgenomen. Het lijkt overdreven, dat de Iroquois hun oude vijanden bleven achtervolgen, maar in feite was het heel logisch. Sinds zij de Huron in 1649 verslagen hadden was hun aantal met 15.000 toegenomen als gevolg van de assimilatie van diverse stammen. De Iroquois konden het risico niet nemen dat een kleine groepje “vrijen” erin zou algen een opstand te forceren, met als mogelijk gevolg een opstand binnen de gelederen van de Iroquois League. In feite werden de Wyandot dan ook regelmatig aangevallen door hun eigen verwanten…
Na de vernietiging van Huronia in 1649, stonden de Fransen machteloos en waren zij gedwongen neutraal te blijven terwijl de Iroquois de ene na de andere stam assimileerden. De enige Franse bondgenoten die overbleven ( op de Huron bij Lorette na) , waren de Ottawa en de Wyandot in het verre westen. In plaats van zelf de confrontatie met de Iroquois langs de Ottawa rivier aan te gaan, drongen de Fransen erbij hun voormalige handelspartners op aan naar Montreal te komen om te handelen. Hun afhankelijkheid van de Franse handelsgoederen, besloten de Ottawa en Wyandot dit te doen. Versterkt met Ojibwe krijgers en door met een grote vloot kano’s te reizen, slaagden zij erin de Iroquois blokkade te doorbreken en ze brachten hun bont naar Montreal. Het opnieuw handelen van de Fransen met de Ottawa, irriteerden de Iroquois en nu hun oorlog met de Erie voorbij was, hadden deze Fransen geen waarde meer voor de Iroquois. De kwetsbare vrede tussen de Iroquois en de Fransen eindigde met de moord op een jezuïtische ambassadeur in 1658 en met het wegsturen van de jezuïeten uit de dorpen van de Iroquois. Nu de strijd tussen de Fransen en de Iroquois een feit was, was er voor de Fransen ook geen belemmering om naar het westen te reizen. Twee Franse Bont handelaren, Pierre Radisson en Medart Chouart Des Crousseilliers , vergezeld van een oude jezuïet, Réné Menard, grepen deze kans en zij vergezelde een gezamenlijke groep van Wyandot en Ottawa op hun terugreis. Zij volgden de Ottawa naar hun dorp Chequamegon in Wisconsin, aan de zuid oever van het Superior meer en overwinterden bij hen en werden de eerste Europeanen die zover het gebied van de Grote meren bereikten. De Priester Menard, verdwaalde waarschijnlijk in de bossen en werd vermoedelijk gedood door de Dakota ( oostelijke Sioux). Toch slaagden de handelaren erin om de Dakota dorpen te bereiken aan het zuidelijke puntje van het Superior meer en met hen te handelen.
Ondertussen bleven de Ottawa met hun vloten , naar Montreal reizen en slaagden de Iroquois er niet hen te stoppen. Hierop besloten de Iroquois op zoek te gaan naar de bron van hun leed. In Wisconsin was het ondertussen een puinhoop. Veel van de voor de Iroquois gevluchte stammen leefden in Wisconsin en als gevolg van het gebrek aan bevers en Hongersnood, streden deze stammen onderling. De Iroquois waren inmiddels op weg naar Wisconsin op de Ottawa en Wyandot aan te pakken en zij stuitten dus ook op de andere stammen in het gebied en vielen ook hen aan.

Om een grotere afstand tussen hen en de war party’s van de Iroquois te creëren, vertrokken de Wyandot in 1658 uit het gebied van Green Bay, om vervolgens de binnenlanden in te trekken op zoek naar nieuwe bevers. Zij volgen de Black Rivier, verder west Wisconsin in en vestigden zich op een eiland in de rivier de Mississippi bij het Pepin meer. Hun verhuizing verliep zonder problemen, totdat Grosseilliers en Radisson, de Dakota lieten zien hoeveel het bont van de Bever waard was. Boos, omdat de Wyandot de bevers in hun omgeving doden, drongen de Dakota er bij hen op aan het gebied te verlaten. Geconfronteerd met een mogelijke oorlog in 1661, besloten de Wyandot te vertrekken en ze reisden af naar het noorden om zich in het Ottawa dorp bij Chequamegon te vestigen aan de zuidelijke oever van het Superior meer. De Dakota waren echter niet helemaal blij met deze nieuwe plek, maar besloten het te tolereren. De Iroquois hoorden intussen van de verhuizing en realiseerden zich dat al hun vijanden zich verzameld hadden. Het dorp lag echter toch iets te ver weg. In 1662 ontdekten de Ottawa, Wyandot, Ojibwe en Nippissing een grote Iroquois war Party bij Iroquois Pointe( iets ten westen van Sault Ste. Marie) en roeiden hen uit. Hierna probeerden de Iroquois nooit meer hen aan te vallen en hadden de Wyandot eindelijk een schuilplaats gevonden buiten het bereik van de Iroquois. De Dakota waren echter een vijand, net zo gevaarlijk als de Iroquois en zij verloren hun geduld met de Wyandot en Ottawa, die zij als indringers zagen. Daarnaast was het voor de stammen erg lastig om voedsel te verbouwen in het gebied als gevolg van de korte zomer. Hierdoor stierven er in de winter van 1661- 62, 500 Ottawa en Wyandot van de honger.boven begin

Wordt vervolgd……

Reservaat

boven begin

Links

boven begin