gastenboekrkaartr

Stuur een Emailtje bij vragenzoek op de websiteTerug naar het beginvolgende

De Kansa

taalgflokatiegfpopulatiegfbandsgfcultuurgfgeschiedenisgfreservatengflinksgf

Een zuidwestelijke stam van de Sioux taalfamilie een van de vijf van de Dhegiha groep. Hun taal lijkt het meeste op dat van de Osage en heeft overeenkomsten met dat van de Quapaw. Volgens de overlevering trokken de Kansa verder nadat de Quapaw zich van hen af hadden gescheiden. Aangekomen bij de Rivier de Osage, trokken de latere Osage de rivier op terwijl de Omaha en Ponca de Missouri rivier overstaken en verder naar het noorden trokken. De Kansa bleven de rivier de Missouri aan de zuidoever volgen tot aan de mond van de rivier de Kansa. Hier sloegen ze hun kamp tijdelijk op, waarna ze verder trokken tot aan het noordelijke grens gebied van kansas. Hier werden ze door de Cheyenne aangevallen, waardoor ze gedwongen waren rechtsom te keren. Opnieuw sloegen zij hun kamp op aan de mond van de rivier de Kansas. Daar ontmoetten zij de “grote messen” zoals zij de blanken noemden, die hen geschenken brachten en hen vroegen westwaarts te trekken.
Waarschijnlijk bestond de stam toen uit zo’n 20 dorpen. Rond 1674, plaatst Marquette de Kansa op een redelijke afstand westelijk van de Osage en op redelijke afstand zuidelijk van de Omaha. De oudste notitie betreffende de Kansa stam, komt van Juan De Oflate, die in 1601 van san vertrok en spreekt over een ontmoeting met de “ Escansaques” in de buurt van de Panana(Pawnee). Het is bekend dat de Kansa de rivier de Kansas optrokken tot aan de rivier de Big Blue, tot zij zich vestigden in Council Grove in 1847. De reis naar Big Blue moet plaats hebben gehad na 1723 omdat Bourgmont in die periode spreekt over een groot dorp van de Quans (Kansa) aan een kleine rivier die 30 mijlen boven de rivier de Kansas stroomt. Het dorp van de Missouri lag 30 mijl beneden de rivier de kansas en 60 mijlen van het dorp van de Kansa stam.
In 1702, schatte Iberville het aantal Kansa op 1500 families.
In 1815 sloten de Kansa een vriendschapsverdrag met de VS. Toen leefden zij aan de rivier de Kansas bij de mand van de rivier Saline. Zij waren verjaagd bij de Missouri rivier door de Dakota. Zij hadden toen circa 130 hutten en werden geschat op 1500.
Volgens Lewis en Clark , leefden ze in 1804 aan de Kansas rivier in twee verschillende dorpen. Één lag 20 mijl en de ander 40 mijlen van de mond van de Kansas. Volgens deze ontdekkers leefden de Kansa eerst aan de zuidoever van de Missouri rivier en waren met veel meer inwoners. Als gevolg van aanvallen van de Sauk en Iowa, was hun aantal fors afgenomen.
O’ Fallon schat in 1822 het aantal Kansa op 1850. Tijdens het verdrag van St. Louis van 1825, deden de Kansa afstand van het land in Noord Kansa en Zuid oost Nebraska. Ook deden ze afstand van al hun mogelijke rechten op land in Missouri, met uitzondering van het gebruiksrecht op een strook land aan de Kansas rivier. Daar kregen zij last van de Pawnee en het aantal Kansa nam fors af. Porter schat in 1829 het aantal Kansa op 1200, maar volgens een rapport van het Indian office was het aantal Kansa in 1843 nog 1588. In 1846 sluiten de Kansa een nieuw verdrag met de VS en doen ze afstand van 2.000.000 hectare grond van het oostelijk deel van hun reservaat. Een nieuw reservaat werd hen toegewezen bij Council Grove aan de Neosho rivier, waar ze bleven tot 1873. Toen dit gebied werd overlopen door kolonisten werd het gebied verkocht en kregen de Kansa een nieuw reservaat toewezen in het Indian territory, vlak bij de Osage.
De Kansa waren maar figuranten in de geschiedenis van de VS. Tijdens de 26 jaren die zij bij Council Grove doorbrachten, ondernam men pogingen om hen te “temmen”, maar deze hadden weinig succes.
Say heeft een beschrijving gemaakt van de Kansa. Hij spreekt van vrij gewone kleding, bestaande uit een lendendoek gemaakt van rode of blauwe stof, leggings en Moccasins zonder verdere versieringen en een deken hangend over de schouder. Het haar van de Chiefs en krijgers werd helemaal verwijdert met uitzondering van een kleine lok op het achterhoofd. De kleding van de vrouwen was net zo eenvoudig als van de mannen en bestond uit niet meer dan een jurk die in de winter verlengd kon worden..
De hutten die zou bouwden bestonden uit een serie palen bedekt met twijgen en takken, die vervolgens bekleed werden met dikken matten van lang gras. In het midden werd een gat vrijgehouden voor het ontsnappen van de rook. Het waren zeer eenvoudige doch effectieve hutten.