gastenboekrkaartr

Stuur een Emailtje bij vragenzoek op de websiteTerug naar het beginvolgende

De Ottawa

taalgflokatiegfpopulatiegfbandsgfcultuurgfgeschiedenisgfreservatengflinksgf

Taal

De Ottawa spraken de centraal Algonkin variant op het Algonkin. Hun taal leek erg op die van de Potawatomi en Ojibwe.

 

Lokatie

Waarschijnlijk arriveerden de Ottawa rond het jaar 1400 tegelijkertijd met de Potawatomi en de Ojibwe aan de oostkant van Lake Huron. De Ojibwe en Potawatomi trokken verder naar het westen en vestigden zich in het gebied van Sault St. Marie. De Ottawa bleven “ hangen” bij de mond van de Franse Rivier en op de grotere eilanden van Lake Huron. De Ottawa hebben op veel verschillende plaatsen gewoond, maar zij beschouwden Manitoulin Eiland altijd als hun “ thuishaven”. Dit eiland lag precies op de route tussen de Grote Meren en de Atlantische oceaan. De Ottawa gebruikte hun boomschors kano’s om grote afstanden af te leggen, om te kunnen handelen. Rond 1615 lagen de meeste dorpen van de Ottawa nog op Manitoulin Eiland, maar tijdens de jaren 1630 begonnen ze zich te hergroeperen rond Mackinac in boven Michigan. Tegen het jaar 1649 hadden ze Manitoulin eiland verlaten. In 1651 moesten de Ottawa wederom verhuizen onder druk van de aanvallen van de Iroquois en verhuisden ze naar de omgeving van Green Bay en vervolgens vertrokken ze in 1658 naar de zuidkust van Lake Superior. Ze bleven daar tot ze in 1670 terug keerden naar Mackinac. Toen de Fransen er samen met hun bondgenoten in slaagden de Iroquois uit het gebied van de Grote meren te jagen, keerden een aantal Ottawa terug naar het eiland Manitoulin. Zij bleven daar voor altijd. Het grootste deel van de Ottawa bleef echter bij Mackinac, tot de meeste besloten te verhuizen naar Detroit en Saginaw Bay in 1701. De Ottawa verspreidde zich over Ohio en een van de meest oostelijke Ottawa dorpen was Venango in West Pennsylvenia. De Ottawa bij Mackinac bleven daar tot de grond daar uitgeput raakte in 1741, toen verplaatste zij zich naar Grand Travers Bay in beneden Michigan. Sommige van deze bands trokken helemaal naar het zuiden richting de grand river. Een aantal bands vestigden zich aan de overkant van het meer bij Milwaukee en verspreidde zich daarna over noord Illinois. In 1834 werden de Wisconsin en Illinois Ottawa samen met de Potawatomi verplaatst naar zuidwest Iowa. Tegen het jaar 1846 waren ze samengegaan met de Potawatomi en verhuisden ze samen met hen naar Kansas. Tussen 1831 en 1834 werden de Ohio en Detroit bands verhuisd naar Kansas. Sommige van hen kozen ervoor hun deel van de grond te krijgen en het burgerschap aan te nemen in 1867 en bleven in Kansas terwijl de anderen naar Oklahoma verhuisden. Een groot deel van de Ottawa verhuisde niet en bleven wonen in de omgeving van Ontario en in het noordelijk deel van Beneden Michigan.

 

Populatie

De Ottawa waren nooit een grote stam, en rond 1600 telden ze zo’n 8.000 zielen. Ondanks dat de Ottawa veel in aanraking kwamen met de Europeanen door de bonthandel hebben ze lang niet zo onder de epidemieën geleden als bijvoorbeeld de Huron. Waarschijnlijk was dit te danken aan het feit dat de Ottawa in de winter in kleine dorpen woonden. In 1768 schatten de Britten het aantal Ottawa op 5.000. Latere schattingen waren niet betrouwbaar omdat men de Ojibwe en de Ottawa moeilijk uit elkaar kon houden. Op dit moment leven er ongeveer 4000 Ottawa in canada, in Amerika leven er meer dan 10.000 Ottawa. De meeste van hen hebben echter geen federale erkenning sinds 1860. De enige twee groepen die dat wel hebben zijn de Ottawa- stam van Oklahoma en de Grand traverse Band of Ottawa en Chippewa Indians van Michigan.

 

(Sub)bands

De naam “Ottawa “ komt voort uit het Algonkin woord Adawe, wat zoveel betekend als “ handelen”. Dit komt omdat de Ottawa al voor hun eerste Europese contact bekend stonden als handelaren. Later, tijdens de bonthandel met de Fransen, werden de Ottawa zo belangrijk dat iedere Algonkin van de grote meren een Ottawa genoemd werd.Variaties op de naam waren: Atawawa, Odawa, Outaouacs, Outaoua, Tawa, Tawaw, en Utawawea.

Aan het eind van de 17de eeuw bestonden er vijf Ottawa divisies: De Keinoche, de Kiskakon, Nassawaketon, de Sable en de Sinago. Deze waren weer verdeelt in vele lokale bands.

Dorpen en Bands 1615 tot 1855

Michigan

Aegakotcheising, Anamiewatigong, Apontigoumy, Cheboygan, Keweenaw, L'Arbre Croche, Machonee, Manistee, Menawzbetaunaung, Michilimackinac (Mackinac), Middle Village, Muskegan, Obidgewong, St. Ignace, Saint Simon, Waganakisi (Waganaski, Waganukizze), Wequetonsing.

Ohio

Agushawas, Blanchard's Fork, Meshkemau, Ogontz, Oquanoxa, Roche de Boeuf, Tawa Town, Tondagonie (The Dog), Tushquegan (McCarty), Waugau, Wolf Rapids.

Ontario

Cockburn Island, Ekaentoton, Manitowaning, Manitoulin Island, Sheguiandah, Sheshegwaning, Walpole Island (Bkwjwanong), West Bay, Wikwemikong.

Wisconsin

Chequamegon, Milwaukee (Ojibwe, Ottawa), Mitchigami, Shabawywyagun.

Other Villages

Kajienatroene, Maskasinik, Nikikouek, Niscak, Otontagen, Ouacheskesouek, Outaouakamigouk, Sagnitaouigama, Talon, Thunder Bay.

Dorpen en bands 1855

Kansas

Ottawa of the Osage (Blanchard's Fork and Roche de Boeuf from Ohio).

Michigan

Aegakotcheising, Cheboigan, Flat River, Fort Village, Grand Rapids, Grand River Valley, Griswold Colony, Maple River, L'Arbre Croche Ottawa, Middle Village, Old Wing Colony, Ottawa Colony, Thorn Apple River, Village of the Cross.

Huidige Ottawa Groepen

Canada

Cockburn Island First Nation, Sheshegwaning First Nation, Walpole Island First Nation, West Bay First Nation, Wikwemikong First Nation.

United States

Burt Lake Band of Ottawa and Chippewa Indians, Consolidated Bahwetig Ojibwe and Mackinac, Grand River Band of Ottawa Indians, Grand Traverse Band of Ottawa and Chippewa Indians of Michigan, Little River Band of Ottawa Indians, and Little Traverse Bay Band of Odawa Indians, Ottawa Tribe of Oklahoma.

.

 

Cultuur

Sommige Amerikanen zien de Ottawa niet als een erg belangrijke stam. Er waren er nooit veel en hun cultuur en taal waren bijna gelijk aan die van de met veel groter aantallen zijnde Ojibwe en Potawatomi. Toch waren de Ottawa tussen 1615 en 1763 een van de meest invloedrijke stammen van Noord Amerika, maar hun dorpen lagen ver weg van die van de engelse kolonies bij Atlantische kust. Toen de Amerikanen de Ohio Vallei en de grote meren bereikten was de rol van de Ottawa al bijna uitgeteld en hun bijdrage aan de geschiedenis van Noord-Amerika na 1775 was klein. Omdat de Ottawa echter van oorsprong al een handelsvolk waren, speelde ze wel onmiddellijk in op de mogelijkheden die ontstonden als gevolg van de bonthandel. Ze verbonden zich namens vele stammen aan de handel door tussenpersoon te zijn en onderhielden goede contacten met de Fransen. Met hun boomschors kano’s legden ze grote afstanden af om de huiden die zij via de Algonkin stammen in het gebied van de grote meren, verkregen te gaan verhandelen met de Fransen die zich in en bij de Huron dorpen vestigden. Deze Huron zorgden voor de opslag van de huiden en zorgden voor bescherming tegen de Iroquois, maar het waren de Ottawa die erop uit trokken om de handel te verzorgen. De Fransen zagen wat voor een vlees ze in de kuip hadden en organiseerden hun bonthandel rond de Ottawa en de Huron.
In 1649 werden de Huron echter door de Iroquois vernietigd, maar de Ottawa en sommige van de overgebleven Huron(nu Wyandot genoemd) vluchtten naar het westen en hervatten de handel net alsof er niets gebeurd was. Toen de Fransen begonnen met het organiseren van een alliantie tegen de Iroquois, werden de Ottawa en de Wyandot gezien als de “ oudste kinderen van Onontio”, de franse gouverneur van Canada en als zij spraken in de raad van de alliantie dan hadden hun woorden veel invloed. Tegen het jaar 1685 zorgden de vertegenwoordigers van de Ottawa voor 2/3 van de bont die Montreal binnen kwam. Het was dan ook niet toevallig dat de Iroquois tijdens de jaren 1690, de Ottawa een aparte vrede aan boden om de Alliantie te breken en dat de Ottawa en de Wyandot de eerste stammen waren die door de Fransen in 1701 werden uitgenodigd zich bij Detroit te vestigen. Toen de Fransen in 1760 werden verslagen door de Britten nam de rol van de Ottawa af. Dat ze nu uit de genade waren gevallen, was waarschijnlijk de belangrijkste reden voor de Pontiac opstand van 1763. Vele andere stammen hadden al geprobeerd een opstand te organiseren maar kregen weinig bijval. Maar toen een Chief van de Ottawa opriep tot een opstand, luisterde iedere stam en de meeste deden mee omdat de Ottawa de opstand zouden leidden. Dit geeft wel aan hoe belangrijk de Ottawa eigenlijk waren.

 

Geschiedenis

De Ottawa kwamen voor het eerst in contact met de Fransen toen ze Samuel de Champlain ontmoetten bij de mond van de franse rivier in 1615. De ontmoeting was maar kort. Champlain was op dat moment op weg naar de Huron dorpen die op de zuidpunt van het Huron meer lagen en ze besteden weinig aandacht aan wat zij dachten de zoveelste Algonkin groep. Zijn houding veranderde al snel toen hij erachter kwam hoeveel bont de Ottawa konden leveren. De Huron hadden weliswaar ook de beschikking over beverhuiden in hun thuisland, maar dit was niet voldoende voor de Fransen en de Ottawa hadden door hun handel met de stammen in het noorden en westen de beschikking over een enorme hoeveelheid bont. Deze bont was ook van betere kwaliteit omdat het in het noorden kouder was en de bevers een dikkere “ jas” hadden. voorheen hadden de Ottawa veel strijd met de Huron geleverd maar hun gemeenschappelijke belang en de winstvooruitzichten zorgden voor een vrede tussen beide stammen( waarschijnlijk de enige keer dat de bonthandel voor vrede tussen de indianen zorgde). Het werkte voor de Fransen bijzonder goed dat de Ottawa en de Nippissing het bont naar de Huron brachten en zo hoefden de Fransen niet verder dan de Huron dorpen te reizen. Tegen de jaren 1620 bereikten de franse ruilgoederen de Ojibwe bij Sault St. marie en de Cree in het noorden. Terwijl de Ottawa en Huron naar het westen reisden op zoek naar meer bont, kwamen ze de Winnebago tegen. Deze waren echter kwaad over het feit dat de Ojibwe metalen wapens bezaten en zij deze tegen hen gebruikte om gebied van hen in te pikken. De Winnebago weigerden met de Ottawa te handelen en de Ottawa mochten ook niet over hun land reizen. De v probeerden met de Winnebago te onderhandelen, maar deze namen de onderhandelaars van de Ottawa gevangen en aten hen op. Terwijl de Ottawa en de Huron zichzelf voorbereidden op een oorlog zagen de Fransen wat er gebeurde en besloten ze Jean Nicolet naar de Winnebago te sturen om een vrede te onderhandelen. Toen Nicolet bij de Red banks van de zuidkust van green Bay arriveerde, was hij de eerste Europeaan die de Winnebago zagen, en dit heeft waarschijnlijk zijn leven gered. Hij overtuigde de Winnebago van de voordelen van een vrede met de Ottawa en Huron en deze bleef een aantal jaren bestaan zodat ook Lake Michigan open lag voor de Franse bonthandel. Om hiervan optimaal te kunnen profiteren besloten de Ottawa het eiland Manitoulin te verlaten en verhuisden ze naar Mackinac. Rond 1640, ontstond er door de verhuizing een oorlog met de Assegun (Bone Indians), en de Ottawa en de Ojibwe verdreven de Assegun naar benden Michigan. De Assegun accepteerden hun verlies echter niet zo makkelijk en ze bleven de Ottawa dorpen bij Mackinac aanvallen, dus besloten de Ottawa hen verder naar het zuiden te verjagen, in het gebied van de Mascouten in zuidwest Michigan. De Mascouten verwelkomde hun nieuwe buren echter vriendelijk en sloten met de Assegun een bondgenootschap tegen de Ottawa. Ondertussen hadden de Huron de handel opgestart met de Neutrals en de Tionontati die ten zuiden en westen van hen woonden. Om logische redenen waren de Fransen in de eerste instantie terughoudend met de verkoop van vuurwapens aan de indianen. In 1629 veroverden de Britten echter Quebec en hielden het 3 jaar in hun bezit waardoor de weg voor de franse ruilgoederen was afgesloten. De Iroquois hadden meteen in de gaten dat de Algonkin stammen en de Montagnais geen goederen meer aangeleverd kregen en besloten de stammen, die hen met behulp van de Fransen in1610 uit het gebied van de boven St. Lawrence hadden verdreven, aan te vallen. Dit was het startschot voor de Beaver-wars (1630-1700). Tegen de tijd dat de Fransen in 1632 Quebec terug veroverden, waren de Algonkin stammen en de Montagnais op de terugtocht en dreigden de Iroquois de handelsroute door de Ottawa vallei naar de Grote meren af te sluiten. Om alles weer in evenwicht te brengen besloten de Fransen wapens aan de Algonkin stammen te verkopen. De Hollanders deden echter hetzelfde met de Iroquois waardoor er een wapenwedloop ontstond in het gebied. De Franse vuurwapens vonden via de Huron echter ook hun weg naar de Neutrals en de Tionontati die deze gebruikte om nieuwe jachtgronden te veroveren op de Fox, Sauk, Mascouten, potawatomi en Kickapoo. Deze hadden alleen nog maar hun traditionele wapens en die waren geen partij tegen de vuurwapens. De stammen moesten snel bondgenoten hebben en dit verklaard ook waarom de Mascouten de Assegun verwelkomde toen zij voor de Ottawa op de vlucht gingen. Maar ook de Ottawa hadden geen problemen bondgenoten te vinden. Omdat deze oorlog weinig invloed op de bonthandel had besloten de Fransen niet in te grijpen. Alles wat zij te horen kregen kwam van de Huron en deze waren niet scheutig met informatie.
De Ottawa leefden in Mackinac, toen de Huron in 1649 werden overlopen door de Iroquois. De Huron die niet gedood of gevangengenomen werden sloegen op de vlucht. Zij vonden onderdak bij de Neutrals en de Tionontati, maar al snel overkwam deze stammen hetzelfde lot als de Huron. De Iroquois adopteerden de Iroquois- sprekende”broeders” die overbleven, maar een groot aantal Huron en Tionontati ontsnapte en vluchtten naar de Ottawa dorpen bij Mackinac die er dus zo’n 1000 inwoners bij kregen. Omdat de Iroquois inmiddels duizenden leden van andere stammen hadden geassimileerd was het gevaar van een opstand van binnenuit groot zolang er nog vrije groepen bleven. Om dit op te lossen besloten de Iroquois de Wyandot( Huron en Tionontati vluchtelingen bij Mackinac) aan te vallen in 1650. Ze slaagden er echter niet in de Wyandot te pakken te krijgen, maar de Ottawa en de Wyandot waren er van overtuigd dat ze terug zouden komen en besloten te vluchtten. De stammen verlieten Mackinac en gingen naar een eiland bij de ingang van Green Bay. De Winnebago die daar leefden konden niets doen tegen deze invasie van naar Wisconsin gevluchte stammen omdat zij bijna ten onder gingen als gevolg van hun strijd met de Fox en Illinois. Maar ook kon niets de Iroquois stoppen. In 1652 slaagden ze er bijna in de Ottawa en de Wyandot te verslaan. Na de aanval besloten de Ottawa en Wyandot een alliantie met de potawatomi te vormen en verhuisde ze naar het versterkte dorp Mitchigami. In 1653 keerde de Iroquois opnieuw terug, maar ze konden het fort niet innemen. Tijdens het beleg dat volgde raakten de Iroquois zonder voedsel en moesten zij zich terug trekken. Op hun terugweg naar New York werden ze aangevallen door de Mississauga Ojibwe, die bijna de helft van de hen vermoordden. Dit was echter wel een van de weinige nederlagen van de Iroquois in deze periode. Tegen het jaar 1656 hadden de Iroquois de Erie verslagen en geassimileerd en waren zij klaar met het verjagen van de andere stammen uit Lower Michigan. De overlevenden van de Iroquois opmars trokken zich allemaal terug in Wisconsin, waardoor de overbevolking en hongersnood alleen maar toe nam. Na een nieuwe aanval van de Iroquois in1655, besloten de Ottawa en de Wyandot green Bay te verlaten. De Wyandot verlieten green Bay daadwerkelijk in 1658 en de Ottawa verlieten het gebied een jaar later. De Wyandot verhuisde naar het binnenland naar Lake Pepin bij de rivier de Mississippi, terwijl de Ottawa of naar Lac Courte Oreilles of naar de Ojibwe dorpen Bij Chequamegon en Keweenaw aan de zuidkust van het Superior meer verhuisde. Naast het feit dat ze nu verre van de Iroquois leefden had de verhuizing ook het voordeel dat ze beter toegang hadden tot de Cree in het noorden. Dit was zo belangrijk omdat de Ottawa ondanks alle ellende nooit waren gestopt met de handel in bont. De ondergang van de Huron leidde ertoe dat de Franse bonthandel versplinterd was en ze waren bang zelf door de Iroquois verpletterd te worden. Dit was echter niet de opzet van de Iroquois, zij wilde de Fransen overheersen, niet vernietigen. Nadat de Westerse Iroquois(Seneca, Cayuga en Onondaga) de Erie succesvol verslagen hadden boden zij de Fransen in 1653 vrede aan. De Fransen stemden gretig toe en om de vrede te handhaven stopte ze met hun tochten naar de grote meren. Zij bleven echter wel de stammen uitnodigen hun bont naar Montreal te brengen. Nu de Iroquois echter de Ottawa rivier beheersten was dit echter wel een gevaarlijke onderneming. De Ottawa en de Wyandot konden echter niet meer zonder de Franse goederen en wilde de onderneming dan wel proberen. Samen met de hulp van de Ojibwe, vormden ze grote kano vloten die hun weg langs de Iroquois vochten. De vrede tussen de Fransen en de Iroquois eindigde in 1658 na de moord op een jezuïet. Terwijl de oorlog langs de St. lawrence hervat werd, probeerden twee franse handelaren de handel met de grote meren te herstellen. Dit ging tegen de wetten van de Franse regering in, maar Pierre Radisson en Medart Chouart besloten toch een Ottawa handelsparty te vergezellen op hun terugweg naar de Grote meren. Toen de Ottawa hen mee namen, werden zij de eerste Europeanen die Het Superior meer zagen. Ze brachten de winter bij de Ottawa door, maar het was een verschrikkelijke ervaring. De Ottawa slaagden erop deze lokatie niet in om op een goede manier maïs te verbouwen, en om te voorkomen dat ze zouden sterven van de honger waren ze genoodzaakt hun mocassins op te eten. In de lente reisde de beide heren over het land naar de Dakota(oostelijke Sioux) dorpen om te handelen. Toen ze in 1660 in Quebec terugkeerde werden ze meteen gearresteerd en werd hun bont in beslag genomen. De Dakota waren zich nu echter bewust geworden van de waarde van hun bont, en na het bezoek konden ze niet langer toestaan dat de Wyandot aan de Mississippi bleven wonen. Na enkele dreigementen besloten de Wyandot Lake Pepin te verlaten en voegde zij zich bij de Ottawa bij Chequamegon.
Hoewel de Iroquois er in 1659 in slaagde een Wyandot konvooi op weg naar Montreal te verslaan, lukte hen meestal niet de zwaarbewapende vloten met bont tegen te houden. De Iroquois besloten dan ook om achter de bron van deze ellende aan te gaan. Toen ze er achter kwamen dat zowel de Wyandot als de Ottawa bij elkaar aan de zuidzijde van Lake superior woonden, zagen ze in dat ze beide stammen met een enkele aanval konden aanpakken. Ze moesten echter eerst wel ongezien door het gebied van de Ojibwe zien te komen. Dit lukte niet en in 1662 verraste een groep Ojibwe, Nippissing en Ottawa, een Iroquois warparty die niet voorzichtig genoeg was geweest ten westen van Sault St. marie. En rooide hen uit. Hierna ondernamen de Iroquois nooit meer een poging de Ottawa en Wyandot te verslaan zolang ze aan de zuidkant van het Superior meer woonden. Hoewel ze vaak bijna van de honger omkwamen hadden de Ottawa en Wyandot eindelijk een plek gevonden van waaruit ze het bont konden verzamelen om met de Fransen te kunnen verhandelen. Tegen het jaar 1664 hadden de Fransen er genoeg van steeds onder de dreiging van de Iroquois te leven en besloten ze er iets aan te gaan doen. Dat jaar kwam canada onder koninklijke controle te staan en er werd een regiment naar Quebec gestuurd. Binnen een jaar begonnen ze met het uitvoeren van aanvallen op het thuisland van de Iroquois. Nu was er niet langer een goede reden voor de Fransen om niet meer naar de Grote meren te gaan. In 1665 vergezelde 8 Fransen een groep van 400 v en Wyandot op hun weg naar huis. In september van dat jaar bereikten ze green Bay.
Een van de reizigers was pater Allouez en hij reisde door naar Chequamegon om daar zijn missiepost la Pointe Du St. esperit te stichtten. De Missiepost was bedoeld voor de Huron en Ottawa bekeerlingen die de jezuïeten hadden bekeerd voor 1649. Door alle Franse aanvallen in new York waren de Iroquois gedwongen in 1667 een vrede te tekenen met de Fransen en hun bondgenoten in het gebied van de grote meren. Nu konden de Franse handelaren en jezuïeten weer ongeschonden reizen en pater Allouez werd al snel vergezeld door pater Jacques Marquette. Het gehele gebied werd op dat moment geteisterd door Hongersnood, epidemieën en oorlog. Niet in staat de Ottawa en de Wyandot te bereiken, trokken voor 1667 de Iroquois warparty’s door heel Wisconsin, waarbij ze iedere stam aanvielen die de Ottawa van bont voorzagen. Dus deze rooftochten door vochten de gevluchte stammen bij green Bay om jachtgronden onder elkaar. Aan de zuidkant van Lake Superior was het weinig beter. De Dakota die bij de westpunt van Lake superior leefde streden al jaren tegen de Ojibwe en ze waren er niet blij mee dat ook de Ottawa en de Wyandot in 1661 in het gebied gingen wonen. De strijd tussen de verschillende stammen bij green Bay was echter niet goed voor de Franse bonthandel en ze begonnen dan ook te bemiddelen tussen de diverse stammen. In de eerste instantie waren ze succesvol, maar na het sluiten van de ene vrede veroorzaakten ze weer een andere oorlog. Uiteindelijk stopte de stammen toch met vechten en gingen zij zich weer op de jacht richten om bont voor de Fransen te verzamelen. Er was echter een probleem, de 20.000 vluchtelingen die in een klein gebied bij elkaar woonden hadden alles gedood wat te verkopen of te eten was en om in hun behoeften te voorzien moesten ze nu gaan jagen op grond verder naar het westen en dit was gebied geclaimd door de Dakota. Binnen de kortste keren raakten de green Bay stammen(Fox, Sauk, Mascouten, Kickapoo, Miami en Potawatomi) slaags met de Dakota in west Wisconsin. Ondanks dat de Dakota niet over de Vuurwapens en stalen wapens van de Fransen beschikten en de green Bay stammen wel, stonden ze aardig hun mannetje. Door de Fransen werden ze ook wel de Iroquois van het westen genoemd. De gevechten tussen de Dakota en de green Bay stammen verspreidde zich langzaamaan naar de Ottawa en de Wyandot en omdat de Dakota al handen vol hadden aan de Green Bay stammen nodigde ze de Ottawa uit voor een ontmoeting in 1669 om het problemen op te lossen. De Dakota bezochten de bijeenkomst met bij zich het Calumet, een heilige pijp en een teken van vrede, dat door iedere stam gerespecteerd moest worden. Maar in plaats hiervan vermoorde de Ottawa, de Dakota en aten ze op. Omdat hij de wet van het Camulet had overtreden, namen de Dakota Sinago, de Ottawa Chief verantwoordelijk, gevangen en verbrandden ze hem levend. Pater Marquette trok zijn conclusies en besloot dat Chequamegon niet bepaald de ideale plek voor een missiepost was en in 1670 overtuigde hij de Ottawa en de Wyandot ervan Chequamegon te verlaten. De stammen besloten zich te vestigen bij de nieuwe missiepost van de pater, bij St. Ignace aan de noordkust van de straat van Mackinac. Het bleek echter niet de ideale plaats te zijn want in 1671 werd de missiepost inclusief de nabij gelegen dorpen platgebrand door de Seneca. Dit was echter een laatste stuiptrekking van de Seneca(Iroquois) en de missiepost werd herbouwd en nu de Cirkel van de Ottawa en de Wyandot rond was besloten ze te blijven wonen bij Michili Mackinac. Sommige groepen Ottawa besloten echter verder te trekken en vestigde zich weer op het eiland Manitoulin. De Franse aanwezigheid in het gebied leek permanent te zijn en….
In 1671 werd er in Sault Ste. Marie een grote bijeenkomst gehouden en claimde Simon Daumont het gehele gebied van de grote meren voor Frankrijk. De inspanningen van de Missionarissen slapte echter wel af toen frankrijk ruzie met Rome kreeg in 1673. Pater Marquette ging dat jaar op pad om de Mississippi rivier te verkennen en bleef daarna nog twee jaar bij de Illinois wonen. Op de terugweg naar Mackinac stierf hij en werd hij aan de oostkust van Lake Michigan begraven. Volgens gebruik werd hij later door de Ottawa opgegraven en meegenomen naar St, Ignace.
In 1670 gebeurde er een ramp voor de Ottawa toen de Engelsen hun eerste handelspost bij de Hudson Bay openden. Hiervoor waren het de Ottawa altijd geweest die als tussen persoon voor de Cree optraden en waren de Cree de belangrijkste leverancier van bont voor de Ottawa geweest. Nu konden de Cree echter rechtstreeks met de Engelsen handelen en hadden ze de Ottawa niet meer nodig. Maar wederom paste de Ottawa zich aan de situatie aan en lieten de Ojibwe het gat opvullen. Om aan genoeg bont te kunnen komen moesten de Ojibwe echter wel hun gebied uitbreiden en duit deden ze door verder naar het westen te gaan jagen langs de noord en zuidkusten van Lake Superior. Omdat de loyaliteit van de Ojibwe zeker was, vroegen de Fransen hen de weg tussen de Hudson Bay en de grote meren voor de Engelsen af te sluiten. Tegen het jaar 1685 zorgden de Ottawa en Ojibwe samen voor 2/3 van de bont die in Montreal verhandelt werd. In de eerste instantie breidde de Ojibwe hun gebied naar het westen uit langs de noordkust van Lake Superior en dit ging ten kosten van de Assiniboin. Deze Assiniboin spraken weliswaar dezelfde taal als de Dakota en waren ook nauw aan hen verwant, maar waren toch al vijanden van hen sinds jaar en dag. De Dakota waren inmiddels betrokken geraakt in een driehoek gevecht tussen hen, de stammen uit Green Bay en de Ojibwe, maar toch kwam het grootste gevaar uit het noorden in de vorm van hun onvriendelijke verwanten de Assiniboin die een bondgenootschap hadden gevormd met de Cree. Daniel DeLhut zag de situatie als een mooie kans om een vrede tussen de Dakota en de Ojibwe te bemiddelen. In 1680 werd er een vrede tussen de Dakota en de Saulteur Ojibwe gesloten. De Keweenaw Ojibwe en de green Bay stammen bleven echter weel in oorlog met de Dakota. De Fransen slaagde er nu echter wel in een handel met de Dakota op te starten. Dit zette echter kwaad bloed bij de “ gevluchte” stammen die aan de Dakota al een gevaarlijke vijand hadden zonder dat ze in het bezit van vuurwapens waren. Toen ze in 1670 naar Mackinac verhuisde, waren de Singnago Ottawa nog niet vergeten dat de Dakota hun Chief hadden vermoord. Om wraak te nemen vormden ze verschillende roof-party’s met de Sauk, Fox en potawatomi en gingen ze achter de Dakota aan. Ondanks de gevechten in West Wisconsin bleven de Fransen toch met de Dakota handelen, tot de situatie explosief werd. In 1682 vermoorden de Menominee en Ojibwe krijgers van Chief Achiganaga 2 Franse handelaren in Boven Michigan. DeLhut’s poging om de moordenaars door middel van een European style rechtzaak aan te pakken mislukte omdat hij door de Ojibwe en Ottawa gewaarschuwd werd de criminelen niet te zwaar te straffen omdat er anders grote problemen zouden komen. In 1680 werden de Beaver wars door de Illinois weer nieuw leven ingeblazen toen ze een Seneca Chief vermoordden tijdens een ontmoeting in Mackinac. De moord vond plaats in een Ottawa dorp maar de Iroquois namen het hen niet kwalijk en gingen achter de Illinois aan. Deze problemen ontstonden op het moment dat Robert Lasalle fort Crevecoeur aan de Illinois rivier had gebouwd. Om aan meer bont te kunnen komen hadden de Illinois hun jachtgronden landinwaarts uitgebreid(Ohio, Indiana en beneden Michigan) dat door de Iroquois geclaimd werd. Een protest van de Seneca, tijdens de ontmoeting in Mackinac leidde tot de moord. En in de herfst vielen de Seneca de Illinois dorpen aan. Als gevolg van de uitgebroken oorlog moesten Henry de Tonti en de inwoners van Fort Crevecoeur naar Wisconsin vluchtten. Zij kregen echter weinig medelijden van de Fransen bij green Bay en het is dankzij de potawatomi dat zij niet van de honger stierven. De concurrentie tussen de Handelaren was soms net zo verraderlijk als de oorlogen tussen de stammen en in 1679 hadden de handelaren van Green Bay geprobeerd lasalle ervan te weerhouden te handelen met de Illinois, door de Mascouten en de Miami over te halen zich bij Chicago te settelen. Dit was dan ook de reden dat de handelaren van Wisconsin niets deden toen de Seneca de Illinois aan Flarden scheurden en laSalle en Tonti in de problemen kwamen toen zij bij de Illinois waren. In ieder geval, handelden de Green Bay handelaren nog steeds met de Dakota en hadden ze genoeg aan hun hoofd door de problemen met de Algonkin uit Wisconsin. De Ottawa en de anderen waren nog steeds boos op de Fransen en waren niet geïnteresseerd in een nieuwe oorlog met de Iroquois, Om deze te voorkomen, keerden de Ottawa van Manitoulin eiland terug naar Mackinac, maar de strijd verspreidde zich snel en toen de Seneca Mackinac in 1683 aanvielen konden ook de Ottawa niet meer neutraal blijven. Ondertussen was Tonti in het Illinois gebied bezig met het in stand houden van de bonthandel en bouwde hij in 1682 fort St. louis aan de bovenstroom van de illinbois rivier. Toen hij m,et de bouw klaar was nodigde hij de Miami en de Illinois uit bij het fort te komen wonen om er te handelen en het te verdedigen.De Iroquois merkte de concentratie van vijanden echter op en vielen Fort st. louis in 1684 aan. Het feit dat ze er niet in slaagden het fort in te nemen word gezien als een keerpunt in de Beaver Wars. Overmoedig door hun overwinning op de Seneca probeerden de Fransen vervolgens een alliantie tegen de Iroquois te vormen, maar de eerste aanval van de alliantie verliep zo dramatisch dat de gouverneur van canada, Joseph la barre, in paniek raakte en de Iroquois een vrede aanbood waarin hij afstand deed van het Illinois gebied. Hij werd vervangen door Denonville een man met meer ruggengraat, die eerst de handelaren het bevel gaf met elkaar samen te werken. Daarna begon hij met het versterken van de oude Forten en met het bouwen van nieuwe forten. Ook begon hij met bewapenen van de Algonkin stammen. Denonville creëerde een alliantie van de Ottawa, Wyandot, Ojibwe, Illinois, Miami, Fox, Sauk, Kickapoo en Mascouten en deze begonnen een offensief tegelijk met de aanvang van de King Williams war(1688-1697) tussen Engeland en Frankrijk. De Ottawa en Wyandot werden door de Gouverneur gezien als de “ oude kinderen van Onontio” en hadden een belangrijke stem in de alliantie. Terwijl het Franse leger de Iroquois aanviel vanuit Quebec, dwongen de alliantiestammen de Iroquois zich terug te trekken via de grote meren. Nadat er een aantal grote kanoveldslagen hadden plaatsgevonden op Lake Erie en st Claire, stonden de Iroquois met hun rug tegen de muur en was hun ondergang aanstaande. Om de alliantie te verbreken boden de Iroquois de Ottawa een vrede aan en toegang tot de Engelse handelaren. Het voorstel werd door de Ottawa afgewezen maar moet wel verleidend zijn geweest. Door alle Algonkin overwinningen van de laatste tijd was het gehele gebied van de grote meren weer onder controle van de Fransen. Het gebied was altijd rijk geweest aan bevers tot het als gevolg van de overbejaging leeg was. Nu de stammen al een tijd onderling vochten hadden de stand van de bevers de kans gekregen zich te herstellen en waren er weer voldoende bevers om op te jagen. Tussen alle strijd door begonnen de verschillende stammen dan ook weer met de jacht op de bever en het gevolg hiervan was dat er heel veel bont op de markt kwam. De Europese markt raakte overvol en de prijs van de huiden begon te dalen. Toen ook de winsten voor koning Louis de 14 de begonnen te dalen besloot hij dat hij tijd was om maar eens naar de Jezuïeten te luisteren. Deze protesteerden al jaren tegen de bonthandel omdat ze vonden dat de indianen werden uitgebuit en er veel problemen door ontstonden. Op de rand van de vernietiging van de Iroquois gaf de koning een proclamatie uit waarin hij alle bonthandel in het gebied van de grote meren opschortte(1696). Omdat het juist de bonthandels was dat de alliantie en de Fransen bijeen hield, viel meteen alle samenwerking uiteen en vooral de Ottawa waren boos omdat vooral zij van de bonthandel afhankelijk waren. In Wisconsin hervatten de Algonkin stammen hun oorlog met de Dakota en onder de stammen van green Bay en Mackinac groeide het idee om de Fransen te verjagen als zij hun handel met de Dakota niet stopten. Er werden Franse handelaren vermoord en zelfs de zeer gerespecteerde Nicholas Perot werd door de Mascouten gevangen genomen en aan de martelpaal gebonden. De Kickapoo redde hem en Perot vluchtte naar Wisconsin om nooit meer terug te keren. Engeland en Frankrijk beëindigde hun oorlog in 1697, maar de strijd tussen de Iroquois en de Algonkin stammen ging gewoon door. Om dat de Iroquois sinds het verdrag van Ryswick onder de verantwoording van de Engelsen vielen, wilden de Fransen zosnel mogelijk vrede met hen sluiten om zo een nieuwe confrontatie met de Engelsen te voorkomen. Maar de Algonkin stammen hadden nog het een en ander recht te zetten. Zonder de bonthandel hadden de Fransen ook geen invloed op de stammen en deze waren ook bang dat de Fransen hun eigen vrede met de Iroquois zouden sluiten. Na veel getouwtrek en met alle mogelijke middelen lukte het de Fransen uiteindelijk om hun bondgenoten over te halen vrede te sluiten in 1701. De inkt van het verdrag was nog maar net droog toen in Europa de Queen Anne’s oorlog uitbrak en deze zich ook naar Noord Amerika verspreidde. De meeste gevechten tijdens deze oorlog vonden echter plaats op New Engeland en in de wateren van Canada en de Iroquois( met uitzondering van de Mohawk) hielden zich aan de belofte neutraal te blijven. Hiermee hadden de Fransen de mazzel, omdat het contact tussen hen en de Algonkin stammen van de Grote meren, slecht was sinds het afschaffen van de bonthandel.
Na vele smeekbeden uit Quebec kregen de Fransen uiteindelijk toch toestemming van de regering om een nieuwe handelspost te bouwen. In juni 1701 arriveerde Antoine de la Mothe Cadillac, de commandant van Mackinac, in Detroit, die begon met de bouw van Fort Ponchartrain. Cadillac nam het de jezuïeten kwalijk, dat de handel was opgeschort en met veel plezier nodigde hij de Ottawa en Wyandot van Mackinac dan ook uit bij hem in Detroit te komen wonen. Een groot deel van hen namen de uitnodiging aan en vertrokken naar Detroit. Enkele Ottawa bands keerden terug naar Manitoulin Island. Nu alle bekeerde indianen weg waren konden de jezuïeten van St. Ignace niet anders dan hun missiepost sluiten.
Ondertussen hadden de Iroquois een manier gevonden om de Fransen harder te treffen, dan hun ooit gelukt was. Terwijl de Fransen druk tegen de Engelsen vochten in het oosten, boden de Iroquois, de Mississauga Ojibwe een verdrag aan. Door dit verdrag konden ze met de Engelsen handelen. De Fransen hadden niet in de gaten wat er achter hun rug gebeurde en de Iroquois maakte hier gebruik van door ook andere stammen verdragen aan te bieden. Deze gingen er nu graag op in, want de Engelsen betaalde goed voor het bont en de ruilgoederen waren van betere kwaliteit. Intussen kreeg Cadillac toch door wat er gebeurde, maar het enige wat hij kon doen was meer stammen uitnodigen om bij Detroit te komen wonen. H et gebied raakte overvol en langzaamaan groeide er nieuwe problemen. Ondertussen vochten de Sable Ottawa bij Mackinac nog steeds tegen de Dakota. De Fransen wilden hier een einde aanmaken, maar ze werden door de Ottawa genegeerd. Schijnbaar ergerden de Miami en Wyandot die in de omgeving leefden zich hieraan, omdat zij wel naar de Fransen hadden geluisterd. Toen ze zagen dat de Ottawa zich voorbereidden op een strijdtocht naar de Dakota, besloten ze het dorp aan te vallen zogauw de krijgers weg waren. Een potawatomi waarschuwde de Ottawa echter en zij vielen als eerste aan. Er werden 5 Miami Chiefs in de val gelokt en vervolgens vielen de Ottawa het Miami dorp aan en moesten de inwoners van het dorp het Franse fort invluchten. Voordat de strijd voorbij was waren er 50 Miami, 30 Ottawa, 2 franse soldaten en een priester omgekomen en had de strijd zich verplaatst naar de Miami en Ottawa bij Detroit. Cadillac beval la Pesant naar Detroit te komen om berecht te worden. la Pesant gehoorzaamde maar arriveerde in het gebied in gezelschap van een groot aantal krijgers. De Miami eiste van de Fransen dat de Chief streng gestraft zou worden, maar Cadillac stond voor hetzelfde probleem als DeLhut in 1682. Op de een of andere manier slaagde de oude vette indiaan erin uit de gevangenschap van de Fransen te ontsnappen en naar huis terug te paddelen. De Miami waren furieus, maar de Fransen durfden het niet aan de Ottawa te beledigen. Ondanks de bouw van Fort Ponchartrain bleven de Engelsen zich op het handelsgebied van de Fransen begeven en ook de Iroquois deden eraan mee. Cadillac bleef ook steeds meer stammen uitnodigen waardoor de spanning bij Detroit almaar toenam. De druppel die de emmer liet overlopen was dat Cadillac ook zo’n 1000 Fox uitnodigden. Het gebied bij Detroit had vroeger aan de Fox toebehoord en ze lieten dit de andere stammen duidelijk merken. De Ottawa en de anderen waren hiervan niet gediend en ze vroegen Cadillac de Fox terug naar Wisconsin te sturen. Cadillac luisterde echter niet en er braken gevechten uit. Toen Cadillac op een gegeven moment naar Quebec werd teruggeroepen voor een overleg besloten de Ottawa en potawatomi “ het probleem van de Fox en hun bondgenoten” zelf maar op te lossen. Ze vielen een jachtparty van de Mascouten aan en wisten wat de reactie van de Fox zou zijn. De Fox waren kwaad en luisterden niet naar de Fransen om geen wraak te nemen. De Fox vielen Fort Ponchartrain aan. Tijdens het beleg van het fort arriveerde er een leger van Ojibwe, Ottawa, Wyandot en Potawatomi krijgers, die de Fox van achteren aanvielen. Er overleefden maar weinig Fox de aanval, maar die enkeling keerde terug naar zijn stamgenoten in Wisconsin. Van daar uit namen de overgebleven Fox op gepaste wijze wraak op de Fransen en hun bondgenoten. Tot plezier van de Engelsen en de Iroquois, waren de Fox oorlogen die uitbraken(1712-16 en 1728-37) burgeroorlogen tussen de alliantiestammen. De eerste Foxoorlog eindigde in een gelijkspel, met beide partijen kwaad en wantrouwend. De Fox bleven het de Fransen echter lastig maken en toen de Fransen met het voorstel kwamen om de Fox dan maar uit te roeien stemden de Ottawa en de andere alliantiestammen hiermee in. Toen de Fox echter daadwerkelijk op het punt van uitsterven stonden en de Sauk een zelfde lot dreigden te ondergaan, krabbelden de alliantiestammen terug en vroegen ze om vergeving voor de beide stammen. De Fransen die inmiddels meer oorlogen vochten en meer zorgen hadden stemde hiermee in.
Toen Louis de 14 de overleed werd de ban op de handel geheel opgeheven(1715) en konden de Fransen weer” normaal” aan de slag. Diverse stammen waren inmiddels echter aan het handelen met de Engelsen en deze hadden van de Iroquois ook toestemming gekregen een fort bij Oswego te bouwen om zo de afstand naar de stammen in te korten. Het was zelfs zo dat 80% van alle bont die in Albany aankwam, van de Franse bondgenoten afkomstig was. Ondertussen stonden de Fransen ook tegenover serieuze problemen langs de benedenstroom van de Mississippi. In 1729 waren de Natchez tegen de Fransen in opstand gekomen en hadden ze 200 Fransen gedood. De oorlog die volgde was bijna zo hard als die tegen de Fox en toen de Natchez verslagen waren vluchtten deze naar de Chickasaw. De Fransen vroegen de Chickasaw de gevluchte Natchez uit te leveren maar deze weigerden dit. Er brak een oorlog uit, tijdens welke de Chickasaw de Beneden Mississippi afsloten voor alle handel met de Fransen. Welke alliantie de Fransen ook bijeenbrachten het lukte hen niet de Chickasaw blokkade op de Mississippi te breken. Ondertussen brak er in 1737 een oorlog uit tussen de Dakota en de Ojibwe aan de bovenstroom van de Mississippi die meer dan een eeuw zou gaan duren. Terwijl hierdoor de handel met de Dakota voorbij was, veroverden de Ojibwe noord Minnesota en maakte zij het verschil weer goed.
Als gevolg van de scheiding tussen de Ottawa bands bij Mackinac, Detroit en Manitoulin Island gingen de bands ieder hun eigen weg. De Ottawa werden bij Detroit de belangrijkste stam. Als een van de meest Frans-loyale stammen, trokken de Ottawa ten strijde tegen de Cherokee en Chickasaw in het zuiden. De Wyandot daarentegen waren echter verdeeld. De Wyandot van Orontony bij Detroit weigerde zelfs mee te doen aan de tochten naar de Cherokee. Dit vonden de stammen van Detroit al erg genoeg, maar toen de krijgers van Orontony in 1738 de Cherokee hielpen een groep Detroit -krijgers in de val te lokken, kon hij beter zijn biezen pakken en verkassen. Orontony en zijn Wyandot vertrokken uiteindelijk naar noord Ohio en vestigde zich aan de bovenstroom van de Sandusky rivier. Ondertussen raakten de Mackinac Ottawa meer bevriend met de Ojibwe dan met hun verwanten bij Detroit.
Tegen het jaar 1741 bleek de grond bij Mackinac te zijn uitgeput en besloten de Ottawa te verhuizen. Ze staken over naar Lower Michigan en vestigde zich bij L’ Arbre Croche aan Grand Travers Bay. Hun dorpen strekte zich op een geven moment uit van Little Travers Bay tot aan de Grand River en sommige bands staken Lake Michigan over naar zuidoost Wisconsin. De King George oorlog( 1744-48) volgde het zelfde patroon als die van de Queen Anne’s war, de meeste gevechten vonden plaats in New Engeland en oost canada. Een belangrijk verschil was wel de Britse inname van Louisburg in 1745 gevolgd door een blokkade van de St. Lawrence rivier, waardoor de Franse bevoorrading van de grote meren stil kwam te liggen. De Franse autoriteit stortte opnieuw in en de Britten stonden op het punt om Ohio in te nemen zonder ook maar een schot te lossen. De krijgers van de stammen bij Detroit trokken naar het oosten samen met de Ojibwe en andere Franse bondgenoten om de Fransen te helpen bij de verdediging van Quebec. De verwachte Britse invasie kwam echter nooit. Toen deze stammen van de Alliantie uiteindelijk besloten te vertrekken bleven er voor de fransen nog maar weinig bondgenoten over die hen konden helpen bij de verdediging van de Ohio vallei. Orontony slaagde erin een vrede met de Chickasaw en Cherokee te sluiten en hij stond de handelaren van Pennsylvenia toe dat ze een handelspost bij zijn stad in de buurt bouwden. De Detroit stammen hadden dan wel genoeg krijgers om de Amerikaanse inbreuk te kunnen weerstaan maar deze waren al in gevecht met de Fox, Sauk en Ojibwe onder leiding van Chief Pontiac. In 1748 stak Orontony de Franse handelspost bij Sandusky in brand en begon hij de Detroit stammen aan te vallen, de andere Wyandot hielpen hem echter niet. Uit angst voor wraak besloot Orontony hierop maar te vluchten naar White river in Indiana. Zijn mensen keerden niet meer naar Ohio terug tot hij stierf. In 1750 bouwden de Fransen een nieuw fort bij Sandusky om te voorkomen dat de Wyandot van Orontony met de Engelsen zouden handelen. Maar de strijd om Ohio was pas net begonnen en de Fransen zouden al snel te maken krijgen met een veel gevaarlijkere samenzwering. Ohio werd geclaimd door drie verschillende groepen die de strijd met elkaar wilde aangaan. De Iroquois omdat ze het land verovert hadden, de Fransen omdat ze het gebied ontdekt hadden en de Engelsen omdat de Iroquois tijdens het verdrag van Ryswick onder hun verantwoording waren geplaatst, iets waarop de Iroquois niet zaten te wachten. Niemand van hen leefde daadwerkelijk in het gebied of hadden de stammen van het gebied onder controle. De stammen van Ohio(Shawnee, Deleware en Mingo) waren dan wel lid van het Iroquois verbond, maar ze hadden allen pennsylvenia verlaten om bij de Iroquois uit de buurt te zijn en omdat ze door niemand overheerst wilden worden. Ook wilden zij handelen met iedereen en dit zette voor de Britten de deur open om naar Ohio te gaan en direct met de stammen te handelen. De aantrekkingskracht van deze Britse ruilgoederen bleek ook voor de Miami Chief Memeskia onweerstaanbaar en hij tekende een verdrag met de Britten in lancaster(1748). Volgens het verdrag mochten de Britten handelsposten in Ohio bouwen. Memeskia verliet daarna de franse handelspost bij de Wabash rivier en met zijn mensen trok hij vanuit Indiana naar een nieuw dorp in west Ohio(Pickawillany). De Britten bouwden vervolgens een nieuwe handelspost bij hem in de buurt. Hierna nodigde Memeskia de andere Miami uit daar te komen wonen. Ook nodigde hij de Kickapoo, Illinois en Potawatomi uit bij hem in zijn dorp om te komen handelen. De Fransen waren boos en vroegen de Detroit stammen het dorp aan te vallen en de rest van de Britse handelaren uit Ohio te verjagen. Maar de Ottawa en de andere stammen bij Detroit dachten er zelf ook over om met de Britten te gaan handelen en verontschuldigde zich vanwege een Pokken epidemie. Nu realiseerden de Fransen zich pas hoe ernstig de situatie was en in totale wanhoop verzamelde Charles Langlade ( een Metis) een groep van 250 loyale Ottawa en Ojibwe bij Mackinac. In 1752 viel deze groep krijgers Pickawillany aan. Er kwamen 30 Miami om inclusief Chief Memeskia. De handelspost werd leeggeroofd en in de brand gestoken. Hierna kookten de krijgers van Langlade het lichaam van Memeskia en aten hem op. Dit was een duidelijk signaal voor de andere franse “ bondgenoten” en ze wisten wat hen te wachten zou staan als ook zij met de Britten zouden gaan handelen. Tegen de herfst boden de andere stammen hun excuses bij de Fransen aan en hervatten ze hun aanvallen op de Chickasaw. De Fransen bouwden vervolgens een nieuwe serie forten dwars door de Ohio vallei om zo de Britse handelaren uit Ohio te houden. De Shawnee, Mingo en Deleware maakten echter geen deel uit van de franse alliantie en waren ook niet van plan zich aan te sluiten. Ze protesteerde wel bij de Iroquois en deze richtte zich tot de Engelsen. In 1753 stuurde Virginia een jonge majoor, George Washington genaamd naar het gebied om van de Fransen te eisen dat ze hun forten zouden verlaten. Natuurlijk werd dat geweigerd en het jaar erna keerde Washington terug met een groep militia uit Virginia. De strijd die uitbrak was het begin van de French en Indian War( 1755-63). Washington werd al snel omsingeld en gaf zich over, maar de Britten wilden persé dat de Forten zouden verdwijnen. Ze verzamelde een leger onder het bevel van de zeer ervaren generaal Braddock. Dit was een man die het eigenlijk beneden zijn stand vond om tegen de Wilden te vechten. In de lente van 1755, verplaatste het leger van Braddock zich langzaam richting Fort Duquesne waarbij ze hun eigen weg moesten creëren dwars door de wildernis. De Fransen konden niet meer dan 600 krijgers en 300 Franse Canadezen op de been brengen om tegen het leger van 2200 soldaten van Braddock te vechten. De arrogante Braddock maakte echter een grote fout en iets ten zuiden van Fort Duquesne liep hij in een hinderlaag waarbij hij bijna de helft van zijn manschappen verloor, ook Braddock kwam om het leven. De Ottawa die bij dit gevecht aanwezig waren werden geleid door Pontiac. Hierna vertrokken de Ottawa naar het oosten om daar deel te nemen aan de campagnes van de Fransen in New York. Tijdens het beleg van fort William henry in 1757 liepen de Ottawa het pokkenvirus op en ze namen het mee naar hun dorpen die winter. De epidemie die tijdens de winter van 1757-58 in het gebied van de grote meren toesloeg haalde de meeste stammen uit de strijd. Quebec kwam in september, 1759 in engelse handen en hiermee verloren de Fransen hun oorlog in Noord Amerika. In 1760 gaf Montreal zich over en tijdens de zomer en herfst van dat jaar bezetten de Engelsen ook de Franse forten in het gebied van de grote meren en in de Ohio vallei. Alleen Fort Chartres en het Illinois gebied bleven in Franse handen. De Franse bondgenoten hadden zich niet tegen de overname verzet omdat ze in Detroit zonder kruit zaten en hoopten dat de Engelsen hen weer zouden bevoorraden. William Johnson de Commissaris van indiaanse zaken van Engeland hoopte dat hij de handel met de stammen op dezelfde wijze kon voortzetten als de Fransen hadden gedaan, maar hij werd overruled door Amherst, de Britse commandant van noord Amerika. Amherst beschouwde de geschenken aan de Chiefs als omkoping en schafte het ritueel af. Ook verhoogde hij de prijzen van ruilgoederen en beperkte hij de levering van kruit en rum en vervolgens liet hij de problemen aan Johnson over. En er waren problemen op komst. Bij een ontmoeting in Detroit van de oude franse bondgenoten in 1761, kwam Johnson erachter dat er een oorlogsbelt rond ging van de Seneca, waarin opgeroepen werd tot een opstand. Dit was niet zo verrassend aangezien Amherst net stukken land van de Seneca bij Fort Niagra aan zijn officieren had gegeven voor bewezen diensten( later ingetrokken door Londen). Ook het effect van de handelsbeperkingen was vernietigend, omdat de stammen afhankelijk waren geworden van de goederen en de meest primitieve handelingen zoals het vervaardigen van pijlpunten niet meer gedaan konden worden. De drukte bij de handelsposten had ervoor gezorgd dat de omgeving ervan leeggejaagd was en enkele stammen dreigden van de honger om te komen. Sommige commandanten van de forten gaven zoveel mogelijk munitie en kruit weg als ze konden missen maar dit was lang niet voldoende. De spanning nam toe en in 1762 stonden de Detroit stammen ( Potawatomi, Ottawa, Wyandot en Ojibwe) op het punt in een oorlog met de Shawnee te geraken. Johnson was er in geslaagd om de Seneca opstand van 1761 de kop in te drukken, maar twee nieuwe oorlogsriemen van de Illinois en de Christelijke Mohawk bij Montreal gingen rond. Er kwam echter maar weinig reactie op de oproepen en de Britten zakte weg in een vals gevoel van veiligheid.
Technisch gezien waren de Britten en de fransen nog steeds in staat van oorlog en hoewel de meeste Franse bondgenoten in hadden gestemd met een vrede met de Engelsen zagen zij deze toch als een tijdelijke oplossing. Tijdens de zomer van 1762 heerste er droogte in de Ohio vallei, gevolgd door een epidemie waardoor er die winter sprake van hongersnood was. De enige voorwaarde voor een opstand was nog eenheid onder de stammen en deze ontstond als gevolg van de opkomst van een nieuwe religieuze beweging onder de leiding van een Deleware profeet, Neolin genaamd. De Britten schilderden hem af als een bedrieger, maar hij vond al snel veel gehoor onder de Deleware en zijn woorden spreidde zich ook over de andere stammen. De Deleware werden door de stammen gezien als de “grootvader van de Algonkin stammen” maar ze maakte geen deel uit van de Franse alliantie en hadden niet de politieke macht een opstand te leidden.
De Ottawa hadden die macht wel en een van de belangrijkste Neolin volgelingen was Chief Pontiac. Pontiac was ook de leider van de Metai, een belangrijke medicijn genootschap, met invloed over het gehele gebied van de Grote meren. Pontiac hoopte dat de Franse overheersing weer in ere hersteld zou worden en verklaarde de leer van Neolin, anti brits.. tijdens die winter,vertrokken zijn boodschappers in het geheim naar de andere stammen in de Ohio vallei en bij de Grote meren. Bij zich hadden ze een oorlogsriem met de oproep voor steun. Omdat het een Ottawa Chief was die sprak, luisterden allen. Pontiac kreeg de steun toegezegd van de Ottawa, Ojibwe, Kickapoo, Illinois, Miami, potawatomi, Deleware, Seneca, Shawnee en Wyandot. Hoe geheim de opstand zou zijn, bleek later. De Engelsen vernamen inmiddels uit verschillende bronnen dat er een opstand op handen was, en Amherst besloot versterkingen naar Detroit te sturen. Toch realiseerde hij niet hoe wijd verspreid de opstand was. Op 27 april, 1763, hield de Nieuwe Alliantie een krijgsberaad aan de Aux Ecorces rivier. Pontiac drong er bij de vertegenwoordigers die aanwezig waren op aan, dat ze zich zo snel mogelijk moesten ontdoen van “de Engelsen, deze honden in het rood gekleed”. De opstand begon in mei en al snel werden de eerste acht van de Twaalf engelse forten veroverd. Fort Edward werd in augustus door zijn garnizoen verlaten en daarmee kwam het aantal op negen. Drie forten bleven overeind” Fort Niagra, fort Detroit en Fort Pitt. Dzez forten werden wel omsingeld en van de buitenwereld afgesloten. De stammen die weigerde deel te nemen waren de Sauk, Fox, Winnebago, Iowa, Menominee en de L’Arbre Croche Ottawa. Deze stammen stuurden een warbelt naar de Britten en verklaarden hun loyaliteit. De slag bij Fort Michilimackinac zou op een massaslachting zijn uitgedraaid, waren het niet dat langlade en pater Du Jonais ingrepen en een groot deel van het garnizoen redden. De Ottawa arriveerden te laat om de handelspost te kunnen plunderen mar kregen de engelse gevangenen als compensatie. Later begeleidde zij deze gevangenen en het garnizoen veilig naar Montreal. Ook de Miami gingen voorzichtig met hun Britse gevangenen om, maar anderen hadden minder geluk. Nadat fort Pitt omsingeld was begonnen de Deleware, Shawnee en Mingo met aanvallen op de grenskolonisten van Pennsylvenia waarbij 600 kolonisten de dood vonden. William Johnson slaagde erin de Mohawk te bereiken en haalde hen over wraak op de Deleware te nemen. Hierdoor moesten de oostelijke Deleware zich uit de strijd terug trekken. Pontiac had zichzelf verantwoordelijk gemaakt voor de verovering van Fort Detroit en hij kreeg hierbij de steun van de Detroit Potawatomi, de Wyandot, de Saginaw Ojibwe en een aantal Mississauga Ojibwe uit Ontario. Hij stond echter tegenover een garnizoen van 120 man aangevuld met 40 handelaren en twee zwaarbewapende schoeners. Een directe aanval op het fort zou te veel levens kosten, dus hij probeerde misleiding. Samen met een grote groep krijgers bewapend met geweren met een korte loop, verborgen onder hun kleding, ging hij het fort op 7 mei binnen en vroeg hij om een ontmoeting met de Commandant, majoor Henry Gladwyn.. Gladwyn was echter al gewaarschuwd, (waarschijnlijk door zijn minnares, een jonge Ojibwe vrouw). Het gehele garnizoen stond klaar en was bewapend, en toen hij dit merkte gaf Pontiac het bevel tot de aanval niet. Er werden nog twee pogingen gedaan het fort bij verrassing in te nemen, maar de poorten bleven dicht en op 9 mei brak de hel los. Er was geen sprake van een aanval, maar het fort kwam onder vuur te liggen en bij de wanorde die ontstond werden alle Britten gedood die zich ongelukkiger wijs nog buiten het fort bevonden. Alle Fransen werden met rust gelaten. Tijdens het beleg dat volgde, verplaatste Pontiac zijn dorp naar de west kant van Detroit om de Potawatomi te versterken en zo de omsingeling van het fort compleet te maken. Met nog maar drie weken aan voedsel, besloot Gladwyn een van zijn schoeners naar fort Niagra voor hulp. Ondertussen gingen een luitenant en kapitein vrijwillig naar het dorp van Pontiac om over een bestand te praten. Pontiac nam hen in bescherming toen ze aankwamen, maar hij stond hen niet toe naar het fort terug te keren. Inmiddels wist Pontiac dat er een spion moest zijn en zijn verdenking viel op de Ojibwe minnares Catherine. Hij stuurde een aantal krijgers op pad om haar te halen. De krijgers namen haar eerst mee naar het fort en Gladwyn gaf toestemming binnen te komen. Hij kon echter niets voor haar doen nu twee van zijn officieren gegijzeld waren. De krijgers gingen weer weg met Catherine en namen haar mee naar Pontiac. Ze werd gemarteld maar verrassend genoeg niet gedood. Ze werd gehaat door haar mensen, en stierf een eenzame dood als alcoholist. Een van de gevangenen werd gedood door een Ojibwe en Pontiac schaamde zich zo voor dat feit dat hij waarschijnlijk zelf regelde dat de andere kon ontsnappen. De hoop van Pontiac dat ook de Fransen van Detroit zich bij hem zouden aansluiten bleek tevergeefs, zij bleven neutraal. De Britten waren tijdens het beleg trouwens niet de enige die zonder voedsel kwamen te zitten en de krijgers van Pontiac begonnen het voedsel van de fransen af te pakken. Pontiac stelde vervolgens schadeloosstellingen op berkenbast op en deze werden jaren later nog vereerd. Het nieuws van de bezetting van het fort verspreidde zich maar langzaam en op 13 mei vertrok r een standaard bevoorrading vloot onder bevel van luitenant Abraham Cuyler vanuit Fort Niagra naar Detroit. Op 28 mei gingen ze aan land bij point Pelee ten oosten van Detroit en sloegen ze hun kamp op. De Wyandot verraste hen en doodden 56 van hen en namen 4 van hen gevangen. Cuyler slaagde er met 40 van zijn mannen in per boot te ontsnappen. Vervolgens zeilde hij naar Fort Sandusky waar hij het fort verlaten en vernietigd aan trof. Snel haastte hij zich naar Niagra om het nieuws te vertellen.
Een aantal dagen later zagen de wachtposten in fort Detroit een bevoorradingsvloot aankomen, hij voer de de engelse vlag en de poorten werden geopend. Plotseling viel een van de roeiers de krijger naast hem aan en al vechtend vielen ze beide overboord. Er volgde een oproer en de indianen merkte de schepen op. De schoener die bij het fort lag vuurde een waarschuwingschot waardoor de schepen omdraaiden. Op 30 juni bereikte een schip eindelijk de stevende Detroiters, met het nieuws dat er nu officieel vrede was tussen Engeland en frankrijk. Dit nieuws werd ook medegedeeld aan Pontiac, maar deze geloofde het niet. Op 30 juli bereikte 20 sloepen Detroit vol geladen met voorraden en met 280 soldaten, inclusief Rogers Rangers zij stonden onder het bevel van Kapitein James Dalyell. Op de weg van Niagara naar Detroit was Dalyall een Wyandot dorp tegengekomen dat hij vernietigde. Hij verloor bij deze actie 15 man. Toen hij in het fort was aangekomen wilde hij meteen tot de aanval overgaan. Gladwyn gaf toestemming en s’nachts sniekte Dalyell met 247 mannen het fort uit en ging op weg naar het dorp van Pontiac. Terwijl hij bij het ochtendgloren Parent’s creek wilde oversteken liep hij in een val. De britten verloren 70 man en 40 mannen raakten gewond. Onder de doden was ook dalyell die letterlijk zijn hoofd verloor. Bijna was de hele groep omgekomen, ware het niet dat Rogers en zijn mannen een dapper achterhoede gevecht vochten om de aftocht te dekken. Hierna nam het aantal gevechten bij Detroit af. Pontiac stuurde ondertussen boodschappers naar fort Chartres om de Fransen om hulp te vragen, maar in plaats van hulp stuurde de Fransen het bericht van de vrede terug en het advies om te stoppen met vechten. oP 31 oktober kwam Pontiac een bestand met Gladwyn overeen en trok hij zich terug in zijn winterdorp aan de bovenstroom van de Maumee rivier in Indiana. Toen de Pontiac opstand uitbrak vochten de meeste Engelsen aan deze kant van de oceaan in west Indië en het duurde even voordat ze richting de opstand konden worden gestuurd. Fort Niagara werd wel aangevallen maar verkeerde nooit in groot gevaar. In fort Pitt was de situatie vergelijkbaar als die in Fort Detroit en ze kregen het nog zwaarder toen er een pokken epidemie uitbrak onder de verdedigers van het Fort. Terwijl hij een ontzettingsleger bij elkaar rapte, stuurde Amherst een brief naar de commandant van fort Pitt met de suggestie om de omsingelaars van het fort(Shawnee, Mingo en Deleware), dekens te geven die met het pokken virus besmet waren. Commandant Ecuyer nam het op als een bevel en de epidemie die daarop uitbrak verspreidde zich van de Shawnee uit naar stammen in het zuidoosten die niets met de aanval te maken hadden.Kolonel Bouquet en zijn 460 mannen die op weg naat fort pitt waren vochten ondertussen zich uit een hinderlaag in een 2 daags gevecht bij Bushy run. In augustus 1763 bereikte hij fort Pitt. De Deleware, Mingo en Shawnee trokken zich terug in Ohio, maar bleven vandaar uit wel pennsylvenia aanvallen. In November werd Amherst vervangen door Thomas gage en William Johnson was ook weer aan de macht.. de britten stelde ook een verklaring op waarin men de kolonisatie ten westen van de Appalachen een halt toeriep. Gage begon onmiddellijk met het verlagen van de prijzen en voerde de hoeveelheid handelsgoederen op, daarmee hief hij de meeste problemen op die tot de opstand hadden geleid.(wordt vervolgd)

 

Reservaat

 

 

Links