gastenboekrkaartr

Stuur een Emailtje bij vragenzoek op de websiteTerug naar het beginvolgende

De Plains Cree

taalgflokatiegfpopulatiegfbandsgfcultuurgfgeschiedenisgfreservatengflinksgf

Taal

 

 

Lokatie

De Cree zijn de traditionele bewoners van een gebied dat in Noord Quebec ligt, bestaande uit 1000 vierkante mijlen. Een gebied waar nooit afstand van is gedaan, nooit opgegeven is en ook nooit veroverd is geweest. Hun traditionele grondgebied behelst ook twee niet Natives dorpen die afhankelijk zijn van de mijnbouw in de omgeving.

De Plains Cree leven in de het noordelijke deel van de Great Plains, in een gebied tussen de wouden en de Great plains in. Zij leven hier sinds het begin van de 19de eeuw. Voor die tijd werd het oostelijke deel van dit gebied bewoond door de Assiniboin en Gros Ventre en het westelijke deel door de Blackfoot. De Plains Cree trokken het gebied binnen vanuit het oosten. Voordat de bizon verdween besloeg het gebied van de Cree de huidige provinciën Saskatchewan en Alberta. De verschillende Cree bands leefden in de valleien van de rivieren, voornamelijk in die van de Qu’Appelle, de beneden Noord Saskatchewan, de beneden Zuid Saskatchewan en het benedendeel van de rivier de Battle. Tegenwoordig leven de Cree in 24 reservaten, gesitueerd in Saskatchewan en Alberta en in één reservaat “Rocky Boy” in Montana. Het Montana reservaat bestaat voornamelijk uit Plains Cree die naar de verenigde staten vluchtten na de Riel opstand van 1885.

De stam telt op dit moment zo’n 7.000 leden, wat ook de populatie was in 1853 en 1899. Het Canadese deel waar de Plains Cree nu leven heeft een zwarte bodem begroeid met gras. Verder zijn er heuvels begroeid met wouden. De bizon komt in het gebied niet meer voor. Het gebied is nu een van de dichtstbevolkte prairie gebieden in Canada en er is nergens meer vee dan in dit gebied> het is zeer waarschijnlijk dat in vroegere tijden dit gebied al populair was bij de stammen omdat er veel wild voorkwam, meer als in andere delen van de Noordelijke Plains. Het noordelijke deel van het reservaat wordt begrenst door een strook bomen, die ook de grens vormt tussen de Plains Cree en hun verwanten de Westelijke Woud Cree. De plains Cree noemen hun noordelijke buren de Saka Wiyiniwak, ofwel “woud mensen”. De Plains Cree hadden naar verhouding weinig contact met hun broeders omdat de Wou Cree zelden de Noordelijke Plains van Saskatchewan betraden. De Plains Cree keken neer op de woudbewoners vanwege hun gebrek aan lef, maar ze waren tegelijkertijd ook bang voor hen omdat ze magische krachten zouden bezitten.
Ten oosten van de Plains Cree leefden de Plains Ojibwe, Nahka Wiyiniwak of Saulteaux. Zij arriveerden later op de plains dan de Cree en waren cultureel sterker verbonden met de wouden. De plains Ojibwe waren vrienden en bondgenoten van de Plains Cree en ze ruilden medicijnen, kralen en soms zelfs vrouwen voor de paarden van de Cree.
In het zuiden leefden de Assiniboin ook wel Asini-pwat of Stoney Sioux genoemd. Zij waren de Plains godfathers van de plains Cree en van hen leerden de Cree alles over het leven op de plains. Regelmatig sloegen zij ook met elkaar hun kamp op en in oorlogstijd waren het sterke bondgenoten. Tussen beide stammen vonden ook vrijelijk huwelijken plaats. De Cree die nu in het Pipikisis reservaat leven beweren dat zij afstammelingen zijn van een Assiniboin band die zo gemixt was met het bloed van de Cree dat zij zich bij hen aansloten. Wanneer er bezoek kwam van de oostelijke cree of van de Ojibwe, dan werden zij vermaakt door de de plains Cree en werden zij behandelt als familie. De belangrijkste vijanden van de Plains Cree waren de stammen van de Blackfoot confederatie die zich terugtrokken en oprukte aan het westelijke front, afhankelijk van de uitkomst van hun oorlogen. De namen die de Cree voor de Blackfoot hadden waren: Pikano Wiyiniwak, Piegan,kaskitewiyasitak, letterlijk, Black Feet, mihkowiyiniwak, Blood People. Ook in het zuiden en zuidwesten leefden een aantal vijandelijke stammen. De Dakota of Pwatak, waren altijd gevaarlijk. De Crow, Kahkakzwaltcanak, stonden bekend als een stam waarvan je heel moeilijk paarden kon stelen. De Pawistikowiyiniwak Rapids mensen, Gros Ventre kwamen ze zo nu en dan tegen. De Dorps stammen aan de Missouri werden, kotasiskikamikowak (modder huis mensen)genoemd en werden regelmatig aangevallen. Andere stammen die ze zelden tegenkwamen, maar bekend stonden als vijanden waren de Cheyenne ofwel Cree speakers(omdat de Cree sommige Cheyenne woorden herkende), de kinepiko- wiyiniwak, Snake, palpe-komak, Nez Perce, en de napakstokwewak, Flathead.Al deze vijanden werden in het algemeen Ayahtclyiniwak genoemd. Aangezien de Blackfoot hun belangrijkste vijanden werd deze term in bijzonder op hen toegepast.

Populatie

 

 

(Sub)bands

De Plains Cree bestonden uit een aantal weinig georganiseerde bands, wiens aantallen nogal snel wisselde. Hen allen apart benoemen is dan ook onmogelijk maar het is bekend dat er zo’n acht belangrijke divisies waren. De groepen die het meest oostelijk leefden werden de “Calling river people” genoemd en de “rabbit skin people”. de meeste van hen jaagden in de wouden tussen de rivier de Assiniboin en de rivier de Qe’Appelle en waren nauw verbonden met hun oostelijke buren de Plains Ojibwe. De Calling River People trokken heen en weer door de vallei van de Qu’Appelle. Jaren later breidden zij hun gebied uit naar het zuiden en zuidwesten van die rivier. Beide Bands waren genoodzaakt vervolgens steeds verder naar het westen te trekken door hun afhankelijkheid van de handelsposten, waar zij regelmatig naartoe reisden. Toen de Hudson Bay handelsonderneming de forten Pelly en Ellice en andere handelsposten in het westen bouwden, verlieten beide bands voor altijd de regio van het Winnipeg meer.
Een andere band, die de “Nehlopwat”of Cree Assiniboin werden genoemd, heette zo als gevolg van hun nauwe band met en frequente huwelijke met de Assiniboin. Zij bewoonden het gebied ten zuidweste van de Qu’Appelle rivier, in de omgeving van Wood Moutain. Van alle Cree groepen was deze band het meest verbonden met de Plains. Zij waren ook nauw verbonden met de River People en vermoedelijk een afsplitsing van hen. Zoals alle plains Cree, verhuisden zij ook naar het zuiden op het moment dat de Bizon uitstierf. Hun afstammelingen leven nu in het Piapot reservaat.
Een kleine groep die de Touchwood Hills People, pusakawatciwiyiniwak, werden genoemd leefden in het gebied tussen Long Lake en de Touchwood heuvels. Nu leven zij in het Touchwood reservaat.
De House People,waskahikanwiyiniwak, werden zo genoemd omdat zij vaak leefden in de buurt van de gebouwen van de Hudson Bay posten. Vaak verzamelden zij zich bij Fort Carlton en jaagden ten noorden en zuidwesten van het fort. Halverwege de laatste eeuw waren er twee belangrijke Chiefs binnen deze stam met ieder zijn eigen volgelingen. Mistawasis, leefde puur op de plains en jaagde langs het zuidelijke deel van de rivier de Saskatchewan. Hij voorzag fort Carlton van bizonhuiden en vlees. Atakkako-p ofwel Star Blanket, stroopte in de bossen ten noorden van fort Carlton en hij kwam in de zomer naar de plains om op bizon te jagen. Één deel van de band had zich dus totaal toegelegd op het leven op de plains terwijl het andere deel het beste van beide werelden had.
Ten Oosten van deze House people leefde een groep die in de literatuur ook wel Willow indianen worden genoemd. Hun Cree naam is paskuhkupawiyiniwak; Parkland People. Zij leven nu in het reservaat van de Duck Land Agency. Deze band is uitzonderlijk omdat bijna alle leden van de band, afstammelingen zijn van een Schotse handelaar, ene George Sutherland, die in 1790 uit schotland kwam. Hij nam een Cree vrouw en verliet zijn werkgever de Hudson Bay handelsonderneming om samen met haar op de plains te gaan leven. Vervolgens nam hij er nog twee vrouwen bij en kreeg 27 kinderen die op hun beurt weer families vormden. Zijn nakomelingen trouwden met indianen uit hun omgeving maar keerden altijd terug naar de familie om er te gaan leven. Zo werd Sutherland de eerste Chief van een band die hij zelf gecreëerd had. De Pakland people worden niet echt met de Cree geassocieerd, maar ze spreken Cree en zijn meer met de Cree verbonden dan met welke andere stam dan ook..
De River People, cipiwiyiniwak, leefden tussen de noordelijke Saskatchewan en de Battle rivier, zover naar het westen als de huidige grens van Alberta. Dit was van origine hun thuisgebied maar ze jaagden ook in de omgeving van Edmonton en ten zuiden van de uitlopen van de zuidelijke Saskatchewan. Toen de Bizon uit hun gebied verdween, trokken ze Montana in op zoek naar de kudden. De band werd later verhuisd naar de Sweet Grass en Little Pine reservaten van het Battleford agentschap.
De grootste groep bands waren echter de natimiwiyiniwak of bovenstroom mensen ook wel amiskwatciwiyiniwak of Beaver Hills mensen genoemd. Zij waren de Cree die het meest westelijk leefden en trokken langs het noordelijke deel van de rivier de Saskatchewan. Zij ondervonden het meeste last van de rooftochten van de Blackfoot, maar bezaten ook het grootst aantal paarden. Nu leven zij in de Edmonton en Saddle Lake reservaten.
De oostelijke bands hadden de gezamenlijke naam:de mamihkiyiniwak, of downstream mensen. Deze divisie bestond uit de Calling River mensen, de Rabbit Skin mensen en de Touchwood Hills mensen. De westelijke bands hadden de gezamenlijke naam:natimiwiyiniwak, naar de meest westelijke band, bij deze groep hoorden ook de House mensen, de parklands en River mensen.
De culturele en dialect verschillen tussen de twee groepen Plains Cree, waren klein.
Alle Cree bands, met uitzondering van de Cree- Assiniboin, leefden in de eerste instantie in de buurt van de wouden, maar verhuisde naar de werkelijke plains met het verdwijnen van de bizon. De Rabbit Skin en Calling River bands trokken weg uit de Qu’Appelle valleien naar zuiden en westen. De House en Parkland bands trokken steeds verder langs het zuidelijke deel van de Saskatchewan. De River en Upstream bands tegengehouden door de Blackfoot in het westen, trokken ook zuidwaarts.

 

Cultuur

 

 

Geschiedenis

De eerste contacten 1640-1690

De Cree worden voor het eerst benoemd in de Jesuit Relations, deze jezuiten waren dan ook de eerste blanken die met de Cree in aanraking kwamen. In deze eerste geschriften worden de Cree meestal aangeduid in de Ojibwe namen voor hen: Kristineaux, Kiristinous, Kilistinous zijn een paar varianten waarvan de huidige naam Cree is afgeleid. De Plains Cree noemden zichzelf de Nehiawak en niet te vertalen term. De naam Kiristinon , wordt voor het eerst gebruikt in de relations van 1640 en in de twintig jaar daarna komt hij regelmatig terug in het blad, terwijl de jezuïeten de Cree nog niet ontmoet hadden. Deze jezuïeten vernamen van andere stammen dat de Cree een machtige stam waren die in de buurt van de Hudson Bay leefden. Zij vochten met de Dakota en waren nomadische jagers. In de geschriften van 1666-1667 krijgen we eindelijk wat eerste hand informatie over de Cree. Pater Allouez trok naar de stam en legde enige observaties vast. Hij verteld dat de Kiristinon hun dorpen hebben aan de kusten van de Oostzee en zij hun kano’s hebben aan een rivier die uitkomt in een grote baai, waarschijnlijk de Hudson. Hij omschrijft de Cree als vriendelijk en stam die meer zwerft dan andere stammen. Ze offeren honden aan palen in ere van de zon en hun taal lijkt op die van de PoissonBlancs een Algonkin stam die aan de hoofdwateren van de St. Maurice leefden. In een brief in de relations van 1669-1670 beschrijft pater Marquette een vloot van 200 kano’s bij zijn missiepost St. Esperit bij Sault, waar hij was gestationeerd. Hij omschrijft hen als nomadische mensen, die in de bossen leefden met alleen hun boog als gereedschap. Tijdens de winters trekken zij zich terug in de wouden, maar in de zomer bezoeken zij de oevers van Lake Superior.
Pater Dablon bevestigd zijn observaties in de relations van 1670-1671. Opnieuw benoemd hij dat de Cree geen velden hebben en geen vaste woonplaatsen. Het gebied waarin zij rondtrekken ligt ten noorden van Lake Superior, maar ook andere stammen leven hier. Het lijkt er dus op dat in het gebied tussen Lake superior n de Hudson baai verschillende bands door elkaar leefden.
Terwijl de missionarissen steeds verder noordwaarts en westwaarts trokken en hun avonturen beschreven in de relations, trokken er twee bonthandelaren op uit om de onbekende stammen bij lake superior over te halen tot vrede. Niet omdat zij hun christelijke overtuiging op deze heidenen wilde overbrengen, maar omdat de oorlogen slecht waren voor de bonthandel, Deze heren waren de vermaarde Grosseilliers en Radisson. In het oosten had de bonthandel flink te leidden onder de constante vijandigheid van de Iroquois en de heren gingen op zoek naar verse bronnen. Radisson, die later hielp bij het oprichten van de Hudson Bay handelsonderneming, hield tijdens zijn tochten een journaal bij. Zij legden vier reizen af maar pas bij hun derde reis vernoemen zij de Cree. Zij ontmoeten tijdens die reid de Mascouten die aan de Fox rivier in het huidige Wisconsin leven. Deze Mascouten vertellen hen over…..een andere rondtrekkende stam, levend van hetgeen ze vinden. Een grote stam die het opneemt tegen de grote natie(de Dakota).Verder omschrijven zij het gebied waar de Cree leven en beide heren trekken erop uit om ze te vinden. In 1661 stuitten ze aan de zuidoever van lake superior op een Cree band. Zij trekken verder langs de kusten en ontmoetten “the Nation of the Boeuf”, waarschijnlijk een Sioux band. Deze indianen smeken de Fransen hen te beschermen tegen de aanvallen van de Cree. Radisson, beantwoorde de vraag in eigen belang en vertelde hen dat de Fransen ervoor zouden zorgen dat er vrede kwam tussen de stammen. Om dit te bereiken trokken de heren verder op zoek naar de Cree en vonden een kampement van hen, zeven dagen reizen van de Mille Lacs regio. De Cree gaan akkoord met het plan van Radisson en om het te vieren geven ze een groot feest. Voordat zij afscheid nemen van de cree spreken ze nog wel af dat ze de band een jaar later, tijdens de lente zouden ontmoetten om met hen hun thuisgebied te bezoeken. Van deze reis kwam het echter niet. De pogingen om de oorlog te stoppen waren echter niet vruchtbaar. De Jezuïtische relations, doet tussen 1672 2n 1674 verslag van een slachting van tien Dakota door de Cree bij Sault St. Marie. Nicolas Perrot verklaard dat de Sioux: al hun aandacht richtten op hun oorlog met de Kiristinons(cree), de Assiniboin en alle stammen van het noorden…………… Tijdens de periode van zijn memoires(1658-1661), hebben de Dakota te maken met de aanvallen van de Assiniboin en met die van andere Algonkin sprekende stammen, wat erop wijst dat er toen al een alliantie tussen de Cree en Assiniboin was.De prestaties van de Cree tijdens de strijd worden beschreven door Lahontan, hoewel ze met een korreltje zou moeten worden genomen. Lahontan reiste tussen 1685 en 1690 rond in het gebied van de grote meren. Lahontan verteldc het volgende:” het aantal eskimo’s was dertig duizend, maar ze zijn zulke lafaards, dat vijfhonderd Clistino’s uit de Hudson Baai er in slaagde 6 of 7 duizend van hen te verslaan.”
Als we de getallen even wegdenken, lijkt het er wel op dat de Cree zowel met de stammen in het noorden vochten als in het zuiden.
Hoewel de Cree met de Dakota vochten, handelden zij ook met hen H.A. Innis schrijft: “ de cree, Assiniboin en andere stammen in de buurt van de Hudson bay, zijn zeer afstandelijk van de Fransen, maar zijn gek op de europese goederen, deze verkrijgen ze via de Sioux, die op hun beurt met de Ottawa en Saulteaux handelen en deze hebben rechtstreeks contact met de Fransen”.

De eerste vijftig jaar van vastgelegde geschiedenis over de Cree, wijzen erop dat zij het gebied bewoonden dat nu nog door de Oostelijke Cree bewoond word. Zij waren een machtige stam, gevreesd door hun vijanden de Dakota, tegen wie zij een hevige oorlog uitvochten samen met hun bondgenoten de Assiniboin en Algonkin talige bondgenoten. In de zomer trokken zij naar de kusten van de grote meren en in de winter leefden zij in de wouden, vergelijkbaar met de Noordoostelijke Algonkin en noordelijke Athapaskan. De Cree gebruikte in deze periode kano’s, verzamelde wilde rijst, verzamelde zich tijdens grote bijeenkomsten, hadden geen vuurwapens, bezaten potten en manden en waren gek op ruilgoederen. Ze waren vriendelijk tegen de blanken. Hoewel de westelijke gebieden op dat moment nog niet door blanken bezocht werden lijkt het erop dat de Cree alleen in noordelijke en zuidelijke richting reisden.

De Bonthandel 1690-1740

Met de oprichting van de Hudson Bay handelsonderneming ontstond er een nieuwe fase in de geschiedenis van de Cree. Zij hadden nu rechtstreeks toegang tot de handelsposten en waren niet meer afhankelijk van andere stammen. In 1668 arriveerden de eerste engelse schepen in de Hudson baai en twee jaar later werden er posten opgericht in de monden van de Nelson, Moose en Albany rivieren. De Cree gingen meteen “in de handel”. Als gevolg van de contacten met de Engelsen veranderde er veel met betrekking tot de cultuur van de Cree. Het gebied dat de Cree bereisden werd steeds groter, nu ze door de Engelsen steeds verder het buitengebied in werden gestuurd om het bont bij de stammen aldaar te verzamelen. Ook gingen de stammen op zoek naar nieuwe Maagdelijke gebieden om zelf aan bont te komen. Net als de Franse handelaren trokken de Engelsen langs de verschillende stammen om de onderlinge strijd te beëindigen en vrede tussen de stammen te stichten. Henry Kelsey, was een van de vele agenten van de Hudson Bay Onderneming die erop uit gestuurd werd. In 1690 liep hij weg van zijn post bij York Factory, maar keerde in 1691 terug met enkele Assiniboin. Bij terugkost verhaalde hij over zijn avonturen bij de indianen en overtuigde de Gouverneur van York Factory ervan hem terug te laten keren zodat hij de “ Naywattamee Poets” bij de handel kon betrekken. Welke stam hij hiermee bedoelde weet niemand, maar het is zeker dat de Cree er voor zorgden dat deze stam de handelspost nooit bereikte. Kelsey hield een dagboek bij, waarin hij de Cree diverse malen noemt. Een stuk uit het dagboek verhaalt over een aantal Assiniboin die het nieuws brachten dat een aantal Naywattamee Poets, drie Nayhathaway vrouwen hadden vermoord. Ook vertelde zij dat deze Naywattamee zover weg waren gevlucht dar Kelsey hen nooit zou kunnen vinden. Waarschijnlijk bedoelde Kelsey dan ook de Cree toen hij schreef:” Maar nu jagen zij op hun vijanden en door onze engelse geweren slaan deze op de vlucht”. Het is duidelijk dar de Cree optimaal gebruik maakten van hun positie, al snel stonden zij bekend als tussenpersonen en bondgenoten van de Engelsen. Ook maakten zij het gebruik van de engelse wapens en goederen snel eigen. De periodieke trip naar de handelspost ging dan ook structureel deel uit maken van hun jaarlijkse rondje door het gebied. Ondertussen begonnen de Fransen de concurrentie van de Engelsen te voelen en ze namen stappen om er iets aan te doen. Als eerste bemiddelde zij een vrede tussen de Cree-Assinboin en de Sioux, die alleen met de Fransen handelden. Duluth arrangeerde in 1679 een pact bij Lake superior, maar uiteindelijk kwam er niets van terecht. Effectiever was het bouwen van een aantal forten in het gebied en het veroveren van enkele engelse handelsposten. Zo werden York Factory en fort Nelson tweemaal door de Fransen veroverd en ook weer door de Engelsen terug verovert. In 1695 wordt fort Nelson opnieuw door de Fransen verovert en Fort Bourbon genoemd. Pater Marest was destijds aanwezig en schrijft in zijn dagboek over een stam die naar het fort komt om te handelen. De meest afstandelijke, talrijkste en machtigste zijn de Cree en Assiniboin, de taal van de Cree is dezelfde als die van de Natives in de omgeving van het fort, er is hoogstens een klein accent verschil.
H.A. Innis dateert het bondgenootschap tussen de Cree en Assiniboin uit die tijd. Volgens hem bevonden de Assiniboin zich tussen de Cree, met engelse geweren, en de Dakota, met Franse Musketen in en moesten zij zich genoodzaakt bij een van hen aansluiten, ten nadele van de Franse handel kozen zij de Cree. Het verslag van een reis de Mississippi rivier op door Le Sueur in 1669 vormt één van de bronnen van deze vooronderstelling. Le Sueur maakt echter wel het punt dat de Cree hun wapens eerder van de Engelsen kregen dan de Dakota van de Fransen. De Assiniboin, buren van de Cree, vergezelde hen om ook aan wapens en munitie te kunnen komen.
In 1697 veroverde de Fransen opnieuw York Factory en ze behielden het tot 1713. Bacqueville de La Portherie was een belangrijk lid van deze expeditie en verstuurde een aantal brieven waarin hij ook de wilden van fort Nelson beschrijft. De stam het dichtst bij het fort noemt hij de “Ouenebigonhelinis”. Michelson verklaard dat het een cree band moet zijn die aan de oevers van van de james en Hudson baaien leefden. Lka Potherie vernoemd verder de “Monsaunis”, de Savannah’s en de Christinaux. Tyrell identificeerd deze eerste twee als de Monsoni en Swampy Cree. De stam naam “Savannah” wordt ook in de brieven van de ontdekker Charlevoix gebruikt. Hij bedoelde hier alle Natives mee die in de omgeving van de Hudson baai leefden. In ieder geval wordt hierdoor duidelijk dat er verschillende substammen of divisies waren.
Volgens de ontdekker Petitot, verjaagden de Cree, de timide bewoners van het Athabasca meer naar het Great Slave Lake. Deze opmars van de Cree was waarschijnlijk al bezig voor zij met de Engelsen in aanraking kwamen. Toen de Cree de Europese goederen verkregen, begonnen ze te handelen met de “slaves” en eskimo’s. De noordelijke grens van het gebied van de Cree is dus niet helemaal duidelijk, de zuidelijke grens echter wel. De Jezuïtische krant de “relations” van tussen 1720 en 1736, bevatten een correspondentie van een missionaris gestationeerd bij fort Charles aan de zuid oever van de “lake of the Woods”.In de brief uit 1736, schrijft hij dat de Assiniboin ten zuiden van Lake Winnipeg leven en dat de andere oevers bewoond worden door de Cree, die niet alleen het noordelijke deel tot aan de zee bewonen, maar het gebied beginnende bij het “lake of the woods” zich uitstrekkend tot voorbij”lake Winnipeg”. De missionaris beschrijft helaas niet in welke richting zich het gebied uitstrekte, waarschijnlijk omdat hij het ook niet wist. Daarnaast heeft de jezuïet het ook over Cree reizen naar het zuidwesten. Hij schrijft over zijn plannen om samen met de Assiniboin in de winter naar een stam te reizen die graan verbouwen en waarvan de Assiniboin het graan kopen. Hoewel de Cree er niet in vernoemd worden , mogen we ervan uitgaan dar deze de zelfde weg aflegde.
Zoals vele voor hem, was Aulneau een man die de Cree er van wilde overtuigen zijn geloof aan te hangen. De oude man richtte zijn zorg op het nomadische bestaan van de Cree en van hun bijgeloof, maar daarnaast richtte hij zijn pijlen ook op het drankmisbruik van de Cree. De Fransen manipuleerden de indianen flink in hun zucht naar drank en ze slaagde er op slinkse wijze in om zo een groter deel van de handel te krijgen. Het duurde echter niet lang of de Engelsen maakten ook optimaal gebruik van de zucht naar drank van de Indianen. Alneau probeerde de taal van de Cree te bestuderen tijdens de winter van 1739, maar geeft dit streven op omdat alle indianen op rooftocht zijn naar de “ Naskoutepoels of Prairie Sioux”. De Fransen probeerden keer op keer weer een halt toe te roepen aan deze vijandelijkheden tussen de stammen, omdat het zeer slecht was voor de handel. St. Pierre hield een vredesbijeenkomst met de Sioux en Cree in 1729, maar tegen 1742 gaat een warparty van Cree en bondgenoten op pad om de Sioux aan te pakken. Deze expeditie bestond voornamelijk uit Cree en Assiniboin, maar daarnaast waren er ook krijgers van de Nipigon, Kamanistiquia, Tekamamcouene, Monsoni en de Saulteaux.. De mensen die op dat moment bij het Nipigin en kamanistiquia meren leefden werden toen nog niet tot de Cree gerekend. De Monsoni werden als aparte groep gezien, maar waren altijd zo nauw verbonden aan de Cree in taal en cultuur, dat ze in werkelijkheid tot hen gerekend moeten worden. De Saulteaux waren erbij aanwezig, maar leefden niet altijd op vreedzame voet met de Cree, zoals blijkt uit een geschrift uit 1729, waarin beschreven word dat de Cree op weg gaan naar de Saulteaux, met geschenken en als doel een vrede te onderhandelen. De poging mislukte echter. Beauharnois, de schrijver, haalt nog een incident in 1731 aan, waarbij de Cree een aantal Saulteaux vermoorden. Zes jaar later doet men nog een poging vrede te sluiten. Dit lukt en de vrede blijft bewaard tot tenminste 1742 als beide stammen er gezamenlijk op uit trekken tegen de Sioux.

The Chevalier de la Verendrye was een van de laatste en meest capabele Fransmannen die een poging deed de westelijke gebieden te verzekeren voor de Franse handel. Over een periode van twintig jaar, vanaf 1727, werkte hij en zijn zonen voor de glorie van Frankrijk. Zijn doel was tweeërlei. Enerzijds wilde de westelijke zee bereiken en anderzijds wilde hij de stammen in het gebied over halen te handelen met de Fransen. Bij zijn zoektocht naar de westelijke zee, reisde hij verder naar het westen als ooit een fransman had gedaan.
La Verendrye bouwde een keten van forten en versterkte handelsposten van Nipigon tot aan de Rocky’s om de bonthandel te kunnen monopoliseren. Een tijd lang lijkte hij in zijn opzet te slagen, maar een aantal zaken waar hij geen grip op had, deden zijn pogingen uiteindelijk mislukken. Zo waren de afstanden tussen de posten en de thuishaven te groot en was zijn regering te zwak. In zijn journalen, schrijft la Verendrye regelmatig over de Cree, met wie hij reisde en bij wie hij leefde. Van belang is de verwijzing van la Verendrye naar de Plains Cree, de eerste en geloofwaardigste notitie in de literatuur,die verwijst naar Cree die op de prairies leven ten zuiden van Saskatchewan. Bij zijn journaal, zit een kaart met daarop een lokatie die hij aanduid als de plek waar de Cree van heinde en verre bijeenkomen om te overleggen of zij met de Engelsen gaan handelen of met de Fransen. Uit andere aanwijzingen in zijn journaal blijkt dat de Cree van de Plains net ten westen van het Winnipegosis meer leven en dat de berg Cree ten Noorden van dat meer leefden. Uit de verschillende aantekeningen van la Verendrye, kunnen we een goed beeld scheppen van de locaties van verschillende Cree bands. Hij merkt op dat er aan de westelijke oevers van “lake of the woods” Cree en Monsoni samen leven. Aan de westelijke oevers van het Winnipegosis meer word een handelspost opgericht op verzoek van de Cree van de Plains en de Canoe Assiniboin. Een vreemde combinatie voor die tijd omdat de Cree toen nog Kanovaarders waren en de Assiniboin de mensen van de Plains. Verder naar het noorden stond fort Bourbon aan de Noordwest oever van het Winnipeg meer. Hier leefden de “Cree van de meren en kleine rivieren”. Op verzoek van de Berg Cree, werd Fort Dauphin gebouwd op de kop van het Winnipegosis meer. Volgens het Journaal, was het gebied ten noorden van de rivier de Winnipeg, van de Cree. De stam ten zuiden van de rivier wordt niet benoemd maar vermoedelijk leefden daar de Assiniboin, aangezien beide stammen fort Charles in de omgeving bezochten. Fort Pointe du Bois, vormde in die tijd het verzamelpunt voor de Cree, Assiniboin en Monsoni, wanneer zij op rooftocht naar de Sioux gingen.
Als gevolg van het aantal forten in het gebied van de Cree, nam de behoefte aan eurpese goederen toe en la Verendrye verteld over een bijeenkomst van stammen, waaruit die behoefte blijkt:
“ De neef van een Chief sprak in de taal van de Cree, uit naam van zijn gehele stam, die bestond uit 7 dorpen, waarvan de kleinste honderd hutten had en de grootste meer dan negenhonderd.Hij smeekte me medelijden met hen te hebben, zij waren in slechte conditie, hadden geen bijlen, messen, ketels en geweren. Zij hoopten dit van mij te krijgen, wanneer ik hen toe zou staan naar mijn fort te komen…”
Hieruit blijkt wel dat de handelaren weinig problemen hadden om van hun handel af te komen. Met het overlijden van la Verendrye, kwam ook snel de ondergang van de Fransen. New France ging ten onder aan de Engelsen. Dit markeert ook een periode van zo’n honderd jaar van Europese invloeden. Een periode die grote invloed had op het culturele leven van de Cree en die verstrekkende gevolgen had voor de ontwikkeling van de stam. Zeker is dat de Cree de handelsposten veelvuldig bezochten, toen ze eenmaal waren gebouwd. De bonthandel mag worden gezien als de grootste invloed op de stammen in die regio en was verantwoordelijk voor de steeds weer wisselende verhoudingen in het gebied, waarbij stammen ten onder zijn gegaan als gevolg van het feit dat zij niet de toegang hadden tot de wapens van de Fransen of Engelsen.

De verovering van de westelijke wouden 1740-1820

Wat betreft de Cree, maakte het hen niet uit dat er strijd was tussen de Engelsen en de fransen. Het zorgde er alleen maar voor dat er betere handelsfaciliteiten kwamen. Toen de Engelsen eenmaal de overwinning over de Franse hadden behaald, raakte de handel vanuit York Factory in een stroomversnelling. Vanaf dat moment waren de Cree en de Assiniboin de tussenpersonen, tussen de Engelsen enerzijds en de stammen van het achterland, anderzijds. Deze tussenpersonen, stroopten waarschijnlijk in de winter en wanneer de zomer kwam spraken ze met elkaar een ontmoetingspunt af, bouwden kano’s en gingen op pad met het bont.
Zo ook de Cree van de plains die door la Verendrye worden genoemd. Vermoedelijk leefden ze in de eerste instantie alleen een bepaalde periode op de plains. Met de ondergang van de bonthandel, hadden ze waarschijnlijk nog weinig reden om naar het oosten te reizen en kozen ze er voor om op de plains te blijven. Deze overgang kan echter niet eenvoudig zijn geweest. Een interessant stukje bewijs over de Plains Cree van die tijd vinden we terug in de nalatenschap van David Thompson. Hij verteld over een ontmoeting met een oude man der Cree, levend bij de Piegan vlak bij de Rockies. Toen deze man nog jong was(1730), kwamen er boodschappers naar de Cree die hen vroegen om samen met de Piegan ten strijde te trekken tegen de “Snakes”. Ongeveer twintig krijgers inclusief de jongen en zijn vader gaven gehoor aan de oproep. De Cree lieten de weinige geweren achter in het kamp, om de vrouwen mee te beschermen. De ontmoeting met de vijand verliep niet echt succesvol. De getuige van Thompson, besloot bij de Piegan te blijven en trouwde een Piegan vrouw. Een tijd later sloot hij zich aan bij een oorlogsparty van Cree, Assiniboin en Piegan tegen de “Snakes” (Shoshone). Nu hadden ze echter meer geweren. Hoewel ze gehoord hadden dat de “Snakes” vreemde dieren waren gaan bereidden raakten ze niet in paniek en slaagden er zelfs in een aantal scalpen te nemen. Vervolgens besloot men verder het gebied van de vijand in te trekken om een glimp op te vangen van de vreemde dieren die de “Snakes” in hun bezit hadden. Uiteindelijk vonden ze het karkas van een paard en was hun nieuwsgierigheid bevredigt. De man Verteld dat hij vervolgens op zoek ging naar zijn eigen stam de Cree. Na een reis van vier dagen, vanaf de plek waar hij het paard gevonden had, vond hij een Assiniboin kamp die hem de weg wezen naar zijn eigen mensen, een dag verder reizen. Bij zijn stam aangekomen, ontdekte hij dat zijn ouders waren vertrokken naar de lage landen van de meren, waarop hij omkeerde en weer bij de Piegan ging leven. Omdat de Piegan de hulp van de Cree konden inroepen, moeten zij ver ten westen van de meren hebben gewoond. Bewijs hiervoor is het feit dat het kamp van de Cree maar vijf dagen lopen van het gebied van de Shoshone lag. De Cree leefden dus al rond 1730 op de plains maar onderhielden schijnbaar nog contacten met hun broeders in de wouden en bij de meren,
Wordt vervolgd

 

 

Reservaat

 

 

Links